Een goede reden om Violette Sacrée te bespreken? Het viooltje speelt een hele belangrijke rol in de nieuwe Les Exclusives-geur. En als Chanel een ingrediënt tot hoofdversierder promoveert dan pas raakt de goegemeente pas echt geïnteresseerd, weet het dan pas te waarderen. Ondanks het feit dat in nichekringen – die de Chanels van deze wereld steeds meer de loef afsteken – het (maarts) viooltje al jaren op handen wordt gedragen.
Vanwege haar zoetheid, vanwege haar symboliek voor puur en ongeschonden eigen aan de jeugd. En daardoor graag gedragen door mensen die hier – als ze een zekere leeftijd hebben bereikt – graag aan herinnerd willen worden.
Noem je een viooltje heilig – oppassen geblazen. Wat moet je ruiken van het merk, wat wil je ruiken als liefhebber? Een viooltje gepresenteerd in een religieuze, kerkelijke waas of het viooltje-der-viooltjes dat met recht boven al haar familieleden verheven is. Helaas – of gelukkig – Violette Sacrée is geen van beide. En dat wordt eigenlijk goed door de illustratie weergegeven: dit is een viooltje dat wordt overwoekerd door iris. En dat ruik je ook. En dat is ook de bedoeling, want de geur wordt omschreven als houtachtige bloemengeur terwijl de naam het tegenovergestelde suggereert. Misleidend is een zwaar woord, maar de naam doet geen recht aan de inhoud. Want…
WAT RUIK IK EIGENLIJK?
… het viooltje alleen in de opening. Oprecht en vol overgave begeleid door haar sterk ruikend bladgroen en bergamot – alsof ze al voorvoelt dat ze haar beurt snel moet afstaan, de tweede viool speelt.
Aan de iris dus, maar voor deze wortel de hoofdrol gaat spelen, de roos kans geeft een fruitige noot af te scheiden (die richting aardbei en framboos gaat). Mooi. Het lelietje-van-dalen zorgt voor een fris-transparante, jasmijn voor ‘bloem’. Mooi.
Nog een keer mooi: het oranjebloesemabsoluut geeft Violette Sacrée een licht sensuele ondertoon. Maar ondertussn blijft de iris doorgroeien, laat haar poederiger noten ‘verhouten’ met behulp van vetiver, sandel- en pijnboomhout (den). De musk is warm, lichtjes zoet en lichtjes gekruid. Eigenlijk plakt dit parfum witte bloemen op zacht, bepoederd hout. Elegant, ‘Frans’, veilig – niche voor beginners. Als die in de ketenparfumerie niet gecharmeerd raken van Hiris (1999) van Hermès, Homme van Dior (2005) of Insolence (2006) van Guerlain. Trouwens de nieuwe Jil Sander ruikt ook helemaal naar viooltje – Simply (2014).
Ik was en jong en lijf van leden, vertrok op mijn 20ste naar Amsterdam om te studeren (Rietveldacademie). Ik had zonder al te veel moeite te doen een ruime kamer gevonden (vrij van huur in ruil voor het verzorgen van de katten en planten wanneer de eigenaar in het buitenland was) met uitzicht op het Vondelpark.
Om hier heuglijk bij stil te staan, besloot ik een echt parfum te kopen. Dus ik op weg naar het – toen – Mekka van de parfumerie (althans in mijn beleving). De Bijenkorf. Jules (1987) van Dior dacht ik – de fles van mij was meer leeg dan vol. Toen ik bij het ‘parfumeiland’ van Dior stond, schoot een andere geur door mijn gedachten waarvan ik het bestaan wist door verhalen en artikelen die duidelijk hadden gemaakt dat Diorissimo (1956) legendarisch was, gemaakt door de al even legendarische Edmond Roudnitska.
Ik zal nooit vergeten hoe ik werd behandeld. Niet klant is koning, maar keizer. Dat ouderwetse, bijna geheel verdwenen verkoop-adagium. De verkoopster liet drie variaties ruiken: eau de toilette, eau de parfum en het extract. What to do? Ja, ik was gek op de geur van lelietje-van-dalen – niet echt om te dragen, wel om af en toe aan te ruiken om het wonder te begrijpen – dus ‘die dan maar’ op haar meest aantrekkelijk, meest intens. Het extract dus. En om de aankoop zo ‘mannelijk’ mogelijk te maken, besloot ik voor de neutraal uitgevoerde15ml-tasspray (of was het nu 10ml?). Ik heb die in de loop der jaren gekoesterd. Telkens nam ik andere sensanties waar.
In mijn enthousiasme liet ik het ook wel eens anderen ruiken, overtuigd als ik was dat we met ‘the invisble arts’ te maken hadden. Vreemd waren sommige reacties, die meenden door alle frisheid heen een spoor van faeces te herkennen. Dat was me zelf ook opgevallen alleen wist ik toen nog niet dat dat eigen was aan de – toen – gebruikte jasmijn in samenwerking met – in dit geval – civet.
In de loop der jaren ben ik er achter gekomen dat alles wat lekker en mooi is, vaak een basis heeft die ‘geurgewijs’ door de ‘vox populi’/’vox profumi’ als vies, als stank wordt ervaren – in onbewerkte staat dan: zweet, knoflook, trassi, leer en indolen (moleculen die in met name witte bloemen een dierlijke, animale noot verspreiden).
En met het vermogen een gerecht/parfum een warme diepgang te geven. Dat ruik ik niet in het nieuwste parfumextract van Diorissimo. Heeft voor een gedeelte te maken met het feit dat bijna alle klassieke geuren in het kader van de regelgeving van de International Fragrance Association (IFRA) aangepast moeten worden en dat ‘Dior’ er voor gekozen de dierlijke noot (synthetisch wel vervangbaar) te elimineren. Jammer, maar je krijgt er veel voor terug.
François Demachy – ook in 2009 verantwoordelijk voor de nieuwe eau de toilette- en eau de parfumversie in de Les Créations de Monsieur Dior-lijn – koos er voor de groene, waterachtige frisheid van het lelietje-van-dalen te benadrukken. Je krijgt het gevoel dat dit lelietje-van-dalen, beschut door zijn groene, tulpachtige bladeren, staat na te genieten van een regenbui die net over haar gevallen is – de koele druppels blijven aan haar kleven.
En je zit direct in het extract. Geen frisse citrusintroductie om de klokjes wakker te schudden – die zijn vol van zin; schudden, beieren, luiden in verschillende toonaarden. Licht en koel. Elegant en rijk. Vol en langhoudend – we spreken niet voor niets over een extract. En dat komt – prachtig om te ruiken – omdat met name de jasmijn en in iets mindere mate ylang-ylang en de meiroos (afkomstig van Domaine de Manon en Clos de Callian exclusief geteeld voor Dior) de groene, optimistische voorjaarsbode van ‘le muguet’ voorzien van een volbloemige ondertoon – die ondersteunen haar waardoor ze haar voorjaarsbode beter kan verspreiden. Het effect: een groen getinte aquarel in kleur op spierwit, chloorvrij geschept papier.
Zou het waar zijn? Snob drijft de spot met Joy (1936) van Jean Patou. In het bijzonder met de beroemde tag line van dit parfum ‘le plus cher du monde’. En niet zoals zovelen abusievelijk denken ‘le plus cher parfum du monde’. Want geluk was volgens Jean Patou het kostbaarste ter wereld. Een fijnzinnig en intelligent verschil.
In ieder geval: een Joy-gebruiker is een snob, ofwel aldus de Van Dale: ‘iemand die voor kunstzinnig en beschaafd wil doorgaan door te doen alsof hij verstand heeft van kunst of door een dure hobby’ – lijkt Geurengoeroe wel!
Faken dus, het niet echt genieten en niet echt ‘begrijpen’ – in dit geval – van een parfum. Het alleen über-lekker, über-waanzinnig, über-geweldig vinden vanwege de prijs, de naam, het merk. Hier stelde Paul Vacher ‘a poor womans Joy‘ tegenover. Hetzelfde geluk alleen voor minder geld, want de echte gold wel als een van de duurste parfums op de markt. Echt minder qua kwaliteit was de geur niet, alleen een jasmijnbom zoals de vintage Joy, nee dat niet. Nu alleen de moeilijkheid: ik heb heel lang niet aan Joy geroken omdat sinds 2001 de nieuwe eigenaar Procter & Gamble – die het van de erfgenamen kocht die in de loop der jaren steeds meer water bij de Joy-wijn hadden gedaan – niet veel aan het merk gelegen liet liggen. De multinational kocht Patou voornamelijk omdat het ook de licentie van Lacoste had – daar viel meer mee te verdienen.
Moet gezegd: Procter & Gamble probeerde het wel door de in 1999 in dienst getreden in-huis-neus Jean-Michel Duriez nieuwe geuren te laten ontwikkelen, alleen zonder zich echt om Joy te bekommeren. Gelukkig voor de branche verkocht Procter & Gamble het in 2011 aan Designer Parfums Ltd (Groot Britannië) die van plan Patou is weer zijn oude luister teruggeven. Moet ik me binnenkort eens in verdiepen.
Interessant in dit geval: Thomas Fontaine die alle heredities van Le Galion maakt, doet hetzelfde met de klassiekers van Jean Patou. Merkwaardig, maar toch geloofwaardig: door de olfactieve gelijkenis schijnt Patou in Amerika te hebben geprobeerd de verkoop (eigenlijk alle Le Galion-geuren) in de jaren vijftig tegen te houden…
WAT RUIK IK EIGENLIJK?
Ik geloof dat deze compositie ver verwijderd is van de originele receptuur – heb ik lang, lang, lang geleden geroken. Want in deze versie moet ik niet aan Joy denken. Wat mij ik me herinner is de intense jasmijn-rooscombinatie. Met name de jasmijn kon er wat van – vol lust en verleiding. Interessante opening by the way: sinaasappel en bergamot die niet echt kans krijgen om zonnig-fris te flitsen omdat ze worden getemperd door saffraan, maakt ze droog.
Heel merkwaardig de appelnoot – fris-fruitig en die ruik je heel subtiel als druppels op de vrucht zonder dat het hinderlijk scherp-fris wordt. Het hart is als een bloemenspielerei: de jasmijn is lichtjes ‘geïndoold’ en heeft ook een lactone-achtige noot. Steek je je neus dieper in de geur dan is het de roos die je achter de jasmijn ruikt, dan weer de oranjebloesemessence. Uiteindelijk komen ze samen in iris, die maakt de bloemen poederig en dat traject wordt in de basis voortgezet: sandel- en cederhout met een hele, hele zacht musk die geen enkele associatie met een witwasprogramma heeft.
Het afrikaantje herken ik in geen velden of wegen. Hoe langer op de huid, hoe melkachtiger, poederiger de geur wordt zonder echt sandelhout-lactone te worden. Mooi, chic, maar een beetje tam.
Had van mij meer mogen spetteren, meeslepen – zeker als je weet dat Nicolas Chabot nogal krachtige en eigenzinnige vrouwen ten tonele voert als ideale draagsters – in de jaren vijftig – van Snob. De leading ladies/gold diggers uit de films Breakfast at Tiffany’s (Audrey Hepburn), High Society (Grace Kelly), The Barefoot Contessa (Ava Gardner) en How to Marry a Millionaire (Marilyn Monroe, Betty Grable, Lauren Bacall). Als je de ingrediënten van de oorspronkelijke Snob bekijkt, dan weet je eigenlijk wat je in de huidige versie aan meeslepends mist.
Top: aldehyden, bergamot, citroen, neroli, dragon, hyacint. Hart: roos, jasmijn, ylang-ylang, anjer, lelietje-van-dalen, iris. Basis: vetiver, musk, civet, sandal- en cederhout, tonkaboon. En ondertussen weer twee ‘nieuwe’ Le Galions’ ontdekt: Indian Summer en Shake Hands (beide 1937).
Wat was de parfumwereld voor de Tweede Wereldoorlog nog aangenaam overzichtelijk. Ambieerde je een carrière als chemicus en/of neus dan was het gewoon een kwestie van een aantal mensen in het veld bellen, of gewoon even bij ze langsgaan. Althans die indruk krijg je als je de weg naar de top van Paul Vacher (1902-1975) nabeschouwt.
Na zijn studie chemie leert hij in de jaren twintig van Paul Guerlain de fijne kneepjes van het vak. Geen verkeerde start. In 1927 treedt hij in dienst bij Lanvin waar hij in samenwerking met André Fraysse verantwoordelijk is voor één van de grootste, maar nu een beetje in vergetelheid geraakte klassieker van de vorige eeuw – Arpège – en de nu helemaal uit zicht verdwenen Scandal (1933) en Rumeur (1934). Goede move. Het enorme commerciële succes hiervan sterkt in hem de overtuiging dat de tijd rijp is voor een eigen parfumhuis. Toeval? Prins Murat – afstammend van een zwager van Napoleon I, het is maar dat u het weet – zet in 1935 het zijn in 1930 opgerichte huis in de etalage. Vacher koopt dat. Le Galion dus – genoemd volgens de homesite naar het majestueuze schip met zijn indrukwekkende achtersteven dat vrijheid en ontsnapping symboliseert. In het Nederlands bekend als galjoen.
Een jaar later presenteert heeft hij zijn première: Sortilège. Wordt direct goed ontvangen, groeit uit tot een klassieker (op een gegeven moment in 97 landen verkrijgbaar). De rest is geschiedenis en was ook geschiedenis gebleven, ware het niet dat het huis in 2014 voor het publiek ‘virtueel’ opnieuw wordt geopend door Nicolas Chabot. Ik zou hem wel willen omarmen want, Le Galion: het zoveelste bewijs dat de geschiedenis van de moderne parfumindustrie herschreven moet worden. Le Galion: een nieuwe link die het DNA van het moderne parfum bijstelt.
En het ademt allemaal zo aangenaam vlak voor- en naoorlogs ‘Paris chic’. Qua presentatie: klassieke gestylde flacons, neo-classcistische en art deco vormgeving. Illustraties die helemaal het ‘l’air du temps’ van die tijd uitstralen dankzij het vaardige penseel van Jacques Darnel die qua understated chic en humor in lijn ligt met René Gruau. Qua inhoud: de nieuwe, nauwgezette herfomuleringen van de geuren ademen ook helemaal Parijs en doen niet onder voor ‘the usual suspects’ – Caron, Coty, Guerlain, Patou – en ‘nieuwkomers’ Cabanel, Oriza L. Grand, Lubin en bijvoorbeeld Volnay.
Naast het regelmatig lanceren van eigen geuren – Frac (1949), La Rose, Lily of the Valley (beide 1950), Whip (1953), Cologne Extra Vieille (1967), Galion d’Or, Vétyver (beide 1967), Eau Nobile (1972) – blijft Vacher voor anderen werken. Zo maakt hij het het eerste en vijfde Diorparfum – Miss Dior (1947) en Diorling (1964). En voor de nu helemaal vergeten (hoelang nog?) couturier Jean Dessès Celui en Kalispera (beide 1962). In 1975 overlijdt Vacher onverwacht. Zijn dochter neemt de zaak over en lanceert ter nagedachtenis aan hem Mégara (1978). Next thing you know… ze verkoopt het huis aan een niet nader genoemd Amerikaans bedrijf. Dat maakt zich er met de Franse slag af en de deuren worden noodzakelijkerwijs gesloten.
Ik word af en toe depressief van al die zichzelf wanende onfeilbare types – nu en toen – die in no time een bedrijf naar de Filistijnen helpen, maar zelf de dans ontspringen en zich totaal niet druk maken om de geschiedenis, om de culture erfenis, om de betekenis. We mogen in ieder geval blij zijn dat de archieven Le Galion bewaard zijn gebleven. Tenminste daar ga ik vanuit, ruikende aan geuren – één en al geschiedenis, kwaliteit en expertise.
Nicolas Chabot heeft zich ingehouden: zijn eerste Le Gallion-collectie bestaat uit negen geuren. Nog vijftien te gaan. Misschien wel meer, je weet nooit wat komt bovendrijven. Mag van mij.
Zou de aarde morgen weer door een verwoestende meteoriet bezocht worden, en ‘een tijdje daarna’ door overlevenden of buitenaardse beschavingen in de puinhopen wat parfum betreft alleen deze negen van Le Galion opgegraven worden, dan krijgen ze een goede dwarsdoorsnede van de ooit zo rijke West Europese parfumcultuur.
WAT RUIK IK EIGENLIJK?
Ik had willen beginnen met Sortilège, maar die heeft mijn haven in zicht averij opgelopen. Meer prozaïsch: het kennismakingflesje overleefde de postbestelling niet. Wel: Special for Gentlemen en andere (die later worden besproken). Deze eerste naoorlogse mannengeur – die ik alleen van naam ken, Green Water van Jacques Fath kwam snel daarna – in de exclusieve sector heeft iets ongekends snobby-chic. Hier kleeft niets vintage aan. Eerder tijdloos.
Krachtig en verfijnd deze oriëntaalse varengeur die Guerlains Habit Rouge (1965) aankondigt (zal me niets verbazen als de vintage-versie hiervan nog dichter in de buurt komt). Zo hoort een klassieke mannengeur te ruiken: warm, nobel en gevrijwaard van cleane schoonmaak-accenten.
Als je de ingrediënten ziet; bijna saai zo, maar verrichten samen een wonder dat toch zo vanzelfsprekend en vertrouwd aandoet. De enige ‘vreemdeling’ in het geheel is galbanum. Alhoewel, in die tijd een trendy topic – gedenk Robert Piguets Bandit (1945), gedenk de oerversie van Miss Dior.
Flink doorsnuivend, valt me iets anders op: ik ruik een echo van Guerlains Jicky (1886). Ik ben niet echt een fan van pure lavendelgeuren, maar als opstart voor een compositie – graag. Ruik je prachtig in Special for Gentlemen en daardoor ontstaat het ‘Jicky‘-gevoel, die hier alleen wat groen-frisser is door galbanum en citroen. Maar het elegante is dat deze lavendel als een bloemenpijl door de hele compositie schiet en die lijkt begeleid te worden door een subtiele roos-toets en niet hinderlijke witte musk. Langzamerhand wordt de geur sensueler zonder zijn strakheid te verliezen.
Met dank aan warm amber (besprenkeld met kaneel) èn patchoeli en cistus labdanum. Die verlenen een houtachtige, smeulende warmte die in de basis versterkt wordt door opoponax en castoreum met subtiel vanille-accent. Ik ben vooral blij met opoponax en castoreum, die geven een bold en dus beautiful, diepe maar licht animale touch aan de compositie. Terwijl, zoals reeds gezegd, de lavendel blijft resoneren.
Dit is een geur voor de man die het gezien zijn achtergrond vanzelfsprekend vindt om elegant-zwoel en ‘diepzinnig’ te ruiken – noblesse oblige. Zo’n nazaat van oude adelijke chic waar Jort Kelder zo naarstig naar zoekt en waar hij zo graag op schoot zit in zijn etiquetteprogramma Hoe heurt het eigenlijk? Wat geur betreft Jort: Special for Gentlemen. Nou vooruit, Jicky mag ook.
Flaconontwerp: Sam O’Donahue (Established), Calvin Klein, Coty’s creatieve team
Door de lens van een fototoestel zien we een stel in een uitdagende omhelzing nadat ze elkaar vanuit tegenover elkaar gelegen appartementen hebben gespot, voyeuristisch hebben geflirt – één blik was genoeg, geen weg meer terug.
Alleen klopt de printcampagne chronologisch niet. Want in Reveal (2014) heeft Doutzen Kroes de bovenkleding van haar vooralsnog tijdelijke lover – Charlie Hunnam – al woest-hitsig losgerukt, is zij al poedelnaakt. In Reveal Men draagt zij een negligeetje, hij (hoe lang nog?) een overhemd en colbert.
Of ziet Geurengoeroe, overmand door spontaan opkomende geile gevoelens, niet meer helder. Goddank blijft zijn reukantenne rechtovereind, want de compositie van Reveal Men is even interessant als Reveal. Met dien verstande, dat de neus vaardig tendenzen uit de nicheparfumerie heeft vertaald voor het grote publiek. Maar dan moet Ann – in dit geval op het randje gefotoshopte – Gottlieb niet een parfumpotje gaan liegen. Doet ze op de site van Coty (heeft nu de licenties van Calvin Klein). Daar beweert ze dat voor de eerste keer een ruw zoutakkoord is gebruikt. Nee dus. Doet niche al langer en zat ook in Reveal.
Boeiender: in Reveal Men komt het contrast tussen zout en zoet beter tot zijn recht zo lijkt het wel. Deze nieuwe kijk op smaak (en geur) is afkomstig uit de ‘haute pralinerie’ waar een nieuwe generatie bonbonmakers met een nieuwe blik naar het metier kijkt door ingrediënten te laten fuseren die ‘étonnées de se trouver ensemble’ zijn.
Zoals een bonbon gevuld met vetiver en besprenkeld met peper. Of een ganache-vulling gemengd met zout. Gottlieb omschrijft deze trend toegepast op Reveal Men als een ‘contrast between a salty top note and a heart that has a touch of gourmand yumminess combined with a beautiful floralcy’.
Hoewel ze een commerciële clichékijk (niets mis mee) op haar vak heeft – ‘One of the greatest challenges in creating a memorable scent is the combination of a unique signature that also has commercial appeal’ – eindigt ze met een interessante observatie: ‘It’s easy to create something memorable, but it’s the commercial appeal that results in a scent that is distinctive but not polarizing’.
Vooral dat laatste bevalt Geurengoeroe, niet polariserend. Want dat is tegenwoordig toch een van de functies van parfum: naast privégenot, comfort en een ‘easy going-sfeer’ uitstralen naar diegenen die ermee in contact komen. Vooral nu zitten we niet te wachten op geuren die negatieve reacties uitoefenen, mensen tegenover elkaar zet. Met alle gevolgen vandien. Geurengoeroe overweegt niet voor niets om tegenover IS zijn in ontwikkeling zijnde PS in stelling te brengen…
WAT RUIK IK EIGENLIJK?
Nu eerst – ‘nou nog eentje dan’ – interessante observatie van Geurengoeroe: Reveal is als je goed doorruikt mannelijker dan de met drie stopwoorden omschreven Reveal Men – fris, zoutachtig, oriëntaals. En haakt in op zijn bewering die hij deed in de beschrijving van Reveal.
Ondertussen plaatst hij opmerkingen bij de omschrijving van enkele ingrediënten. Zoals gekristalliseerd gember (past trouwens ook goed in de bovengenoemde trend) waarmee de geur opent. Is dat nu verse gember ingelegd in een zoetoplossing of gekonfijte gemberbolletjes? Want Geurengoeroe ruikt meer een zoete (geholpen door perenbrandenwijn), dan een prikkelende frisheid met een melkachtige toets (opgeroepen met mastiek).
Dit exotische spoor wordt voortgezet met agave (moet dat geen guave zijn?) en kiwano (tekening) waarover een poederige regen van ruw zout valt. Ann Gottlieb noemt het een ruwe zoutsignatuur die door de zoetheid van de geur snijdt. Vreemd blijft de toevoeging ‘ruw’, aangezien er olfactorisch geen verschil bestaat met geraffineerd keukenzout, of het moet fleur du sel met zijn lichte viooltjesgeur uit Bretagne zijn.
Ook vreemd maar dan anders: kiwano. Dit is een vrucht (Cucumis metuliferus) behept met een zich al millennia aanhoudende identiteitscrisis. Dat komt omdat de ‘gehoornde meloen’ (Nederlandse benaming) afstamt van een komkommer (vader?) en een meloen (moeder?). Zie je aan het uiterlijk, ruik je aan de geur/smaak: balanceert tussen meloen, komkommer en – alsof het al niet ‘doe eens lekker gek’ verwarrend genoeg is – banaan. Nieuw Zeeland heeft zich toegelegd deze vrucht net zo populair te maken als de kiwi, vandaar…
Dit alles verankert in de basis met een flinke shot ‘mannelijk’ vetiver. Die wordt weliswaar eerst gewiegd in ‘vrouwelijk’ vanille (de vintage-variëteit; hoe verzinnen ze het) en amber die samen goed zijn voor de bonbon-associatie, voor de gedroogde wortel zich op het eind echt kan manifesteren. Merkwaardig: Geurengoeroe meent ook, na lang en intensief snuiven, een zachte leernoot te ruiken. Die zit er volgens de Engelstalige sites, naast salie (ruikt hij niet) en tonkaboon (vaak onderdeel van een ambernoot) in.
Hou je Reveal Men onder de neus van jan en alleman, het zal Geurengoeroe niet verbazen dat velen de geur als vrouwelijk zullen categoriseren. Bij Geurengoeroe vliegt af en toe Bonbon (2014) van Viktor&Rolf door zijn gedachten, maar dan minder plakkerig, meer geschraagd.
Neus: Honorine Blanc, Olivier Cresp, Nathalie Lorson, Marie Salamagne
Ambassadrice: Edie Campbell
Fotografie: onbekend
Toen ik eind jaren negentig van de vorige eeuw mijn plek als veelgevraagd journalist aan het veroveren was, vertelde me een ‘beautycollega’ eens de volgende regel bij glossy’s: vind je een product niet goed of interessant, dan geen redactionele aandacht aan besteden.
Vreemd. Alsof de smaak van een beautyjournalist (eigenlijk een contradictio in terminis) maatgevend is. Inmiddels wordt deze regel nog nauwelijks toegepast. Heeft te maken met de veranderende advertentie- en glossymarkt. De (luxe) adverteerder zit min of meer op de stoel van de hoofdredactie. Ook al vind je nu een product slecht, stom, bagger en niet in lijn met een merk, aandacht is verplichte kost. De reden: de producent is waarschijnlijk een belangrijk adverteerder. En die wil je als goed samenwerkende partij natuurlijk niet teleurstellen.
Moest hier aan denken toen ik eerst het verhaal las en later Black Opium rook. Bespreken? Want ik vind de geur niet goed. Qua beeld (verveeld model), qua verhaal (wat een cliché promoclip), qua compositie (fruitchouly), qua ‘erfenis’ (zo ga je niet met Opium uit 1977 om). Maar dan onthoud je de lezers een hoe, een waarom – tegenwoordig meer schering dan inslag in de bladenwereld. Beauty-, lifestyle- en modemerken (dus adverteerders) worden met heilig ontzag bejegend. Ook al is bij nader inzien ‘soms af en toe’ wat op de vanzelfsprekende kwaliteit af te dingen. Zoals, om in parfumkringen te blijven, op Opium.
Met de oorspronkelijke versie ‘has been tempered’. Sterker, verdween in 2009 van de markt. Reden: het bevatte teveel hoge doses van ingrediënten met ‘allergiepotentie’ volgens IFRA (met name eugenol en iso-eugenol verantwoordelijk voor het kruidige karakter inclusief anjer). Ik weet niet of dat bij Opium het geval is, maar veel besparingen op ‘dure’ ingrediënten worden gepresenteerd als herformuleringen of – het leukste verkooppraatje – de veranderende smaak van de consument. Ik heb niet de moeite genomen het te controleren – durf het niet. Maar reacties van trouwe verslaafden liegen er niet om. Geurengoeroe heeft zelf diverse hartverscheurende, tot tranens toe ontroerende teleurmail ontvangen. De algehele teneur werd goed verwoord op het blog The Sorcery of Scent: ‘Why have they messed with perfection? I find the new formulation a travesty’.
Fout volgens mij: L’Oréal – nam Yves Saint Laurent Beauté in 2008 over van PPR – had de nieuwe versie een andere naam moeten geven. Kanttekening: ik ken recente geuren met een intens kruidig anjer-karakter, dus het is volgens mij wel mogelijk om met andere ingrediënten een bijna identieke sfeer op te roepen. Zoals: Oeillet Bengale van Aedes de Venustas en Il Profvmo’s Black Dianthus (beide 2014)
Terug bij Black Opium. Wat mij tegenstaat: de soort vrouw die (als ideaal, als droom) wordt neergezet. Te jong, te rockchick. Voorgewende en bestudeerde desinteresse gepersonifieerd. So not Yves Saint Laurent. Ik weet: zogenaamd wilde, maar perfect gestylde hippe, urban rebels doen het goed in de chique modebranche, zelfs bij de kleding van Yves Saint Laurent (geleverd door huidig artistiek directeur Hedi Schlimane). Maar waarom moet het huis dat in Frankrijk (en een groot gedeelte van de wereld) staat voor modern-klassieke chic dit ook doen? Ik zeg: Yves Saint Laurent is 35+. En nog ouder. Mooi toch? En let op mijn woorden: 65+ is ‘het nieuwe zwart’ getuige de opkomst van golden oldies in de campagnes van modehuizen. Waaronder Maison Laurent Paris, de nieuwe naam van Yves Saint Laurent. Wie dat toch verzonnen heeft. Qua logo drie keer niks in vergelijk met het krachtig en sierlijke ontwerp van Cassandre.
De Black Opium-vrouw komt voort uit de marketingbeautymoraal van L’Oréal, de cosmeticagigant die alles uit de kast haalt om het merk YSL nog interessanter te maken voor de 20-vrouw. PPR gaf de aanzet met de achteraf gezien eerste en nog steeds interessante rood fruit-compositie Baby Doll (1999). De geur waarover we gepast zwijgen (YSL Young Sexy Lovely uit 2006) en Elle (2007). L’Oréal voegde eerst Parisienne (2009) met Kate Moss als aandachttrekker toe. En hoe interessant de levens van deze parfumprotagonisten mogen zijn – ‘Parisienne’ leeft als een party animal surpreme, ‘Elle’ runt een kunstgalerie, ‘Black Opium’ is gefascineerd door indierock, experimentele kunst – het is toch te bedacht, een opeenstapeling van clichés die volgens uitgebreid marktonderzoek verondersteld begerens- en aspiratiewaardig is bij de doelgroep.
Hoewel de campagne van Manifesto (2006) ook very arti-farti was, paste de protagoniste qua uitstraling wel binnen de filosofie van het huis. Ik weet: op de masstige-afdeling van de parfumhandel gaat marketing al decennia boven ware inspiratie en brand identity. Inwisselbare campagnes. Iedereen doet het. Ook Yves Saint Laurent. Parfum is lost in marketing. Maar moet dit nu, anno nu: ‘als een jager op stadssafari zoekt ze steeds avontuur. Ze is verslaafd aan adrenaline, zet de deuren wijd open voor een leven vol overdaad en superlatieven’.
De bedoeling van de geur: ‘de draagster een vleugje mystiek meegeven, als een belofte voor een reis. Black Opium brengt haar naar een plek waar ze niet verondersteld wordt te zijn, waar het grenzeloze taboe overheerst’. Als de geur iets niet heeft, is het een vleugje mystiek. De intentie van de geur: ‘een rock’n’roll interpretatie van de klassieker’. Onzin. Ook dit: ‘benadrukt de donkere, mysterieuze kant van het merk Yves Saint Laurent’. Heeft het nooit gehad. De oprichter had misschien een donkere kant, maar dat is een ander onderwerp.
Nog iets: black, waarom deze donkere toevoeging? Het origineel was door zijn naam en inhoud al duister genoeg. En waarom niet noir in plaats van black? Was chiquer geweest, als je daar in dit geval van kunt spreken. Dat niet-Engelstaligen hier geen moeite mee hebben, blijkt uit Chanels Coco Noir (2012) die trouwens in dezelfde geurcategorie valt en er – ten faveure – mee wordt vergeleken. Ik spreek de wens uit dat Opium de komende jaren niet met alle kleuren van regenboog wordt aangekondigd. Ik ben trouwens niet de enige die klaagt. Hedi Schlimane liet via het Amerikaanse modeglossy WWW weten dat hij op geen enkele manier met de totstandkoming betrokken is.
WAT RUIK IK EIGENLIJK?
Black Opium wordt – misleidend – omschreven als weelderig, oriëntaals. Dat was de eerste Opium. Gezien de inhoud, had de geur beter Sweet Opium kunnen heten. Want dat is de overall indruk. De ingrediënten: koffie, roze peper, oranjebloesem, peer, jasmijn, vanille, musk, patchoeli en cederhout. Ben benieuwd of volgende als verkoopargument op de winkelvloer wordt gebruikt: de compositie breekt met de klassieke opbouw. Vier ‘sferen’ spelen met elkaar die elkaar telkens op een andere manier ontmoeten, waarvan elke sfeer door één neus wordt samengesteld. Tussen twee haakjes: Geurengoeroe gelooft hier niet in.
Nathalie Lorson tekent voor een intense, opwekkende toets zwarte koffie – nooit in een dergelijke concentratie toegepast in een vrouwenparfum. Marie Salamagne voegt ‘rock’ toe: peer en roze bes. Olivier Cresp concentreert zich op het verslavende karakter. Ofwel, vanille, cederhout en patchoeli die een ‘rijke, diepe en mysterieuze elegantie’ geeft. Honorine Blanc schikt een boeket van sambacjasmijn en oranjebloesem ‘dat schittert en voor zachtheid zorgt’.
Yves Saint Laurent Beauté noemt het ‘floral coffee’, Geurengoeroe ‘fruitchouly’ en vraagt zich af of de keuze voor dit neusviermanschap wel zo’n goed idee is. Want: de ingrediënten versmelten niet, vormen een blur – zijn dit sferen die elkaar op verkeerde manieren ontmoeten? – waardoor een eendimensionale driestapsraket ontstaat: een notie van zoet fruit, van witte bloemen, van ‘vanille-hout’. De nuance en finesse ontbreekt. Yves Saint Laurent ontbreekt. De link met opium als verslavend genotsartikel ontbreekt. Normaal kan ik jasmijn in een geur detecteren, in Black Opium niet. Meer een idee van bloemen.
Geldt hetzelfde voor hout: patchoeli en cederhout gaan wel in elkaar op, maar moet je in eerste instantie ‘een beetje’ afzonderlijk kunnen ruiken. Niet in Black Opium. De reden: de ‘platte’ vanille, die druipt er overheen. Wel heel vreemd: de beloofde intens zwarte koffie, ruik ik niet zoals beloofd. Anderen ruiken het helemaal niet. Dat dan weer wel: de totaalcompositie is vasthoudend. Om drie uur in de winkel gesprayed – L’Oréal heeft zijn pers- en pr-policy aangepast – twee dagen later rook ik het nog op de blotter.
Dit is geen gemiste kans, maar in feite misbruik van namen: Yves Saint Laurent en Opium staan symbool voor luxe, chic, genieten en genot. Krijg je niet. Ben benieuwd hoe de geur wordt ontvangen. Wel of geen succes, er is zo weer een variatie van Opium bijgemaakt, of een van Paris (1983), Baby Doll, Parisienne, Manifesto. L’Oréal vraagt, de neuzen draaien, de consument wordt bij de neus genomen.
Wéér niet uitgenodigd! Had zo graag aangeschoven aan ‘een intiem diner in het Pulitzer hotel in Amsterdam waar Addy van den Krommenacker een limited edition feestmaandenspecial lanceerde van Red Carpet. Afgelopen oktober of november volgens mij. Had zo graag willen keuvelen met ‘een aantal speciale muzes en vriendinnen die de eerste exemplaren in ontvangst mochten nemen’.
We noemen: Jette van der Meij, prinses Margarita, Sandra Reemer, Antje Monteiro, Liza Sips, Tess Milne en Pip Pellens. Had ook de clutch graag gezien die Van den Krommenacker – speciaal – heeft ontworpen om het ultieme red carpet-gevoel te completeren’. Dit is niet cynisch bedoeld. Komt later. Want ik was oprecht benieuwd hoe de presentatie van zijn parfumpremière was en op welk publiek hij mikt. Koos hij voor de oude Nederlandse couturebenadering (denk Frank Govers, Frans Molenaar) of voor de moderne lichting (denk Viktor&Rolf). Toen ik niet veel later bij de lokale DA in Venhuizen de gewone versie (50ml) al in de parfumpech-onderweg-aanbiedingenbak zag liggen, wist ik genoeg.
Absurde prijspostionering trouwens: clutch normaal €110,00 voor €24,95 bij aankoop van 50 ml eau de parfum bij de DA en parfumerie Mooi. Hoe werkt dat? Is €24,95 de productieprijs? Ziet Van den Krommenacker af van de winst dit keer? En waarom heeft niemand Van den Krommenacker er van kunnen overtuigen – zijn muzes en goede vriedinnen bijvoorbeeld – dat de naam een erg hoog celebritygeurgehalte heeft en dus een korte levensspanne? En dat bijna heel Nederland tegenwoordig op de rode loper mag staan – clutch included – bij een dutch première in de amusementswereld. Het parfum mag dan ‘synoniem staan voor glamour en sensuele, vrouwelijke allure; precies zoals een vrouw sprankelt op de rode loper’, echt jaloers is je buurvrouw niet meer als ze verneemt dat jij naar een première gaat – ‘Goh, been there, done that!’
Ik lees op de nationale glamournieuwssites dat ‘de ontwerper drie jaar door Europa heeft gereisd om de juiste parfumeurs bij elkaar te brengen’. Geurengoeroe had Van den Krommenacker heel wat tijd kunnen laten besparen wat dat betreft. Deze (op straffe van bewust anoniem gehouden?) neuzen, moesten ‘een geur creëren die het gevoel zou vangen van een celebrity schrijdend over een rode loper in een oogverblindende creatie. Uiteraard van Addy’.
Kleine correctie: celebs schrijden niet, dat is meer een ‘walk’ gereserveerd voor lieden van koninklijke bloede en aanverwanten. Door talent of toeval beroemde geworden mensen lopen gewoon op een rode loper terwijl ze lachen, zwaaien en soms vallen. En wat ik me afvraag: past de flacon (30ml) in de clutch? Of stop je daar niet je lievelingsgeur in tijdens een chique avondje uit? Of is een tasspray niet meer op zijn plaats?
WAT RUIK IK EIGENLIJK?
Op papier klinkt Red Carpet goed. Opening: bergamot, mandarijn en bloedsinaasappel. Hart: roos, mimosa, ylang-ylang (foto). Basis: tonkaboon, vetiver en opoponax. Doet me denk aan een jaren negentig Givenchy-geur – in de sfeer van Organza (1997) en dan met name de variaties daarop in de Les Récoltes-serie.
Want qua intentie hetzelfde: het vertalen van stof in geur. De opening is zoals een ‘vederlichte chiffonjurk van Addy’. Transparant, sprankelend en helder dus deze citruscombinatie. Het hart: de roos treedt hier op als een ‘krachtige bloem met een unieke sensualiteit zoals geraffineerd kant’. Zoet, fruitig, zacht. Maar het is meer de intense combinatie van mimosa (‘brokaat’) en ylang-ylang (‘shantung’) die de toon bepaalt: warm, zonnig en honingachtig in combinatie met sensualiteit. Het laaste wordt in de basis – als ‘luxe satijn’ – doorgetrokken met ‘vanilleachtig’ tonkaboon, warm vetiver en ‘lavendelachtig’ opoponax.
Alleen is de totaalindruk mij te schel, mist het een zekere natuurlijkheid en daardoor vanzelfsprekende elegantie. Wanneer in de basis meer nadruk was gelegd op vetiver en opoponax, had Red Carpet een eigenzinniger indruk gemaakt die volgens mij ook de gemiddelde DA- en Mooi-klant best wel weet te waarderen.
Van de honderden geuren die jaarlijks verschijnen, heb ik vanaf de eerste kennismaking bij steeds minder het idee dat het direct goed zit, dat subiet een tevreden gevoel op me neerdaalt. Bij Bruno Acampora altijd – met name de parfumoliën van zijn geuren. Nee, dit zijn creaties.
Vol, diep, itens, zuiver, chic, understated en ondanks de klassieke benadering toch eigenzinnig uitgevoerd. En nooit geen marketingprietpraat. De geur telt alleen. Ruik ik ook weer in Nero. Ik zou de geur zelf niet als zwart omschrijven, eerder bruin. Ik moet denken aan een prachtig diep door de zon gebruinde huid zonder leerlooi- en huidkankerassociaties, zonder zoetige het cliché van tairé-kokoszachtheid.
De bedoeling van Guerlains Terracotta, maar dan op een natuurlijke manier verkregen – zoals bewoners van de Caraiben dat zo prachtig, jaloersmaked kunnen hebben. Mijn andere associatie: schoenpoets (ruikt niet vies!) smeuïg vermengd met amber. Maar het draait om hout.
WAT RUIK IK EIGENLIJK?
Een speldenprik de opening. Even ruik je het, en terwijl je dit doet is de citroen al weer verdwenen door de saffraan die er sierlijk overheen rolt. Nou, dit noem ik nog eens al-za-faran. Zo hoort het! Zoals je saffraan ook in een goede, homemade risotto alla Milanese ruikt: kruidig, droog met een zonnige gloed.
Wat ik vooral prachtig aan Nero vind: je ruikt het smeulende cederhout en de broeïerige patchoeli goed naast elkaar, en toch ook met elkaar. Dan licht de een op, dan weer de ander om vervolgens weer één te worden. En beide verdrinken niet in de warme amber, blijven erop drijven. En deze amber heeft een kruidig, heel licht animaal randje (zwevend tussen bezwete huid en musk) en ook de terpetijnscherpte van schoenpoets. Langer op de huid, wint bij mij de patchoeli het van het cederhout.
Heel fijn aan Nero: de intimiteit. Deze geur loopt niet te koop met zichzelf, maakt zich niet los van de drager en/of draagster die alleen Nero vrijgeeft als je dicht bij hem of haar in de buurt bent. Met het risico net iets te lang bij hem of haar in de nek te blijven hangen. En dat op een receptie! En dat terwijl je met hem of haar niet op intieme voet staat!
Thorsten Biehl besloot na een succesvolle carrière als marketing- en strategie-ontwikkelaar in de commerciële parfumbusiness in 2004 een kunstgalerie voor parfum te openen. Een ‘free space’ voor neuzen die zichzelf als kunstenaar beschouwen en – al naar gelang – een, twee of drie keer geen rekening hoeven te houden met marktonderzoek, marketing, marges en ander commercieel verplichte kost.
Kwaliteit en exclusiteit komen eerst en staan buiten kijf. Wat telt is verrassing en verbazing. Om te mogen participeren als neus, geldt slechts één toelatingsbeperking: je een Duitse link hebben. Je moet er geboren, getogen en/of woonachtig zijn. Het laatste doet de Itialiaan Arturetto Landi, de chemicus die neus werd. Zijn handtekening? Volgens de Biehlsite ‘opulent, groots en complex’. Ofwel, ‘opera voor de neus’.
Er wordt niet lang stilgestaan bij de inspiratie, het hoe en waarom. Een paar woorden volstaan. In het geval van al02 ‘predatory grandeur – what a spectacular entrance’. Ofwel, vrij vertaald: ‘roofdierlijke grootsheid – wat een spectaculaire binnenkomst’. Vrij gefantaseerd: dat je blij mag zijn door de klauwen van dit parfumbeest als prooi nagejaagd en uiteindelijk gepakt te worden. Dat je graag ‘ript’ – rest in perfume.
WAT RUIK IK EIGENLIJK?
Dit is een geur vol drama zonder zich aan te stellen. al02 zweeft tussen een klassieke, vooroorlogse (fruitige) chypre en een oriëntaals parfum. In den beginne is er fruit en dat presenteert zich inderdaad spectaculair.
Niet dat goedkope rode ‘trutty frutty’ waarmee je tegenwoordig zo vaak in de opening wordt platgespoten, maar good old pruim en perzik die een dito behandeling krijgen. Eerst elegant verpakt in een hesperide-opening (mandarijn, citroen, bergamot) voor je ze met je blote neus kunt onderscheiden.En het duurt behoorlijk lang voor ze van opgeven weten, zodat je het gevoel krijgt alsof je neus verstopt zit in likeur. Lekker.
Nu beginnen de eveneens klassieke bloemen te spreken. Of beter gezegd: de jasmijn, roos en (met name) anjer krijgen een klassieke behandeling: bloeien rijk, vol drama geholpen door kaneel en kardemon. Ik gedachten zie ik gevaarlijke vrouwen uit films noirs op me afkomen. Vlucht ik of geef ik me maar direct gewonnen?
Gelukkig schenkt de basis nog even uitstel. Want die is minder gevaarlijk dan ik had verwacht. Intens, maar ingehouden deze mix van hout (sandelhout, vetiver, patchoeli), zoetmakers (vanille en tonkaboon) en harsen (wierook, cistus labdanum). Laatste twee overrulen uiteindelijk wel. De wierook kringelt aangenaam en de cistus labdanum geholpen door een dierlijke musk, geven al02 een sensueel-poederige statuur. En wat leuk: de pruim-perziklikeur uit de opening blijf je ruiken. Dat maakt de geur volgens mij niet retro, maar new millennium.
En de opera-link van Arturetto Landi klopt. Opera in de zin van groots en meeslepend, geen rekening houdend met middelmatigheid, door de marketingafdeling van grote parfumhuizen uitgezeefde eigengereidheid. Want zou het leuk en gedurfd zijn wanneer – we blijven Biehls toelatingsbeleid trouw – Jil Sander en Wolfgang Joop! ons weer met een dergelijke creatie weten te verrassen. Ik geef me in ieder geval gewonnen door en over aan deze roofdierlijke grootsheid.
KLASSIEKE COLOGNE GEPRESENTEERD ALS PERFECTIE IN EENVOUD
Jaar van lancering: 2014
Laatst aangepast: 11/01/14
Neus: onbekend
Concept & realisatie: Etienne de Swardt
Wat siert een cologne? De eenvoud. De instantfrisheid. Het simpele genoegen van knisperende citrusvruchten hier en daar geaccentueerd door kruiden, voorzien van een basis die eveneens fris is, dan wel warm aanvoelt of – de laatste tijd populair – een katoenpluizerige finish geeft. Je kunt het recept verfijnen: men voege wat bloemetjes toe. Of verdiepen: extra accenten van hout en – waarom ook niet – een subtiel spoor van leer. Dit is in een notendop Cologne van Etat Libre Orange (en zoveel andere cologneleveranciers).
Maar hoe maak je eenvoud uitzonderlijk? Door het verhaal. Dit bedacht Etienne de Swardt: hoewel je altijd het onverwachte verwacht bij Etat Libre Orange en wetten worden geschonden, breekt hij nu met zijn eigen parfumwetten. Dit keer niet decadentent, niet buitenissig, maar zweert hij trouw aan de typische bescheidenheid van een cologne. En die is volgens hem lief en leuk. That’s it? No way. Dan ken je De Swardt niet. Zijn Cologne is proper en belichaamt in al haar eenvoud toch perfectie. En nu komt de aap uit de mouw: voor diegenen onbekend met het merk is Cologne een lieflijke introductie tot zijn subversieve wereld. Voor kenners een andere manier om Etat Libre Orange te ervaren. Jajaja…
Ik zeg: Cologne is gewoon het gevolg van marktwerking. Op een gegeven moment ontdekt ‘de massa’ ook nichemerken, raakt geïnteresseerd, maar wil niet al te moeilijke, opdringerige en on(be)grijpbare geuren. Zoals veel bezoekers van een tentoonstelling een aardigheidje uit de museumwinkel als herinnering willen hebben – een hele catalogus, of een poster van een kunstwerk, nee dank u – zo willen beginnende nichers een makkelijk te verhapstukken aandenken. Eenvoud verpakt als niche. Serge Lutens ging in deze Etait Libre Orange voor met L’Eau Froide (2012). Ook een bijna-cologne. De best verkopende geur in Tom Fords Pivrate Blend is Neroli Portofino (2007) – een über-klassieke cologne in de eau de parfumconcntratie.
WAT RUIK IK EIGENLIJK?
Meestal zijn de namen die Etat Libre Orange kiest een aanstellerig uitdagen, niet door de buitenwacht maar zelftoebedacht controversieel. En met een hoog gimmickgehalte. De geuren niet. Bij Cologne is juist het andersom.
De boodschap is beheurlijk conservatief en go with the flow waardoor de geur gimmick is geworden, een spelletje, bijzaak eigenlijk. Niet slecht, niet bijzonder. Nice zoals De Swardt zegt. Maar dat zijn in principe alle colognes en Cologne is zoals elke cologne.
Wat de inhoud enigszins eigentijds maakt is bloedsinaasappel – die springt er direct krachtig uit. Net iets zoeter, net iets frisser dan sinaasappel. Wordt begeleid door een groen-scherp uitgevallen bergamot die direct de aanzet geeft tot het bloemige karakter van Cologne – opgevoerd door een notie van jasmijn (hedione) en heel veel oranjebloesem. Laatste is het onmiskenbare cologne-ingrediënt. Ruik je oranjebloesem, dan ruik je eau de cologne. Waar ik zelf niet zo’n voorstander van ben: witte musk in een cologne. Die tempert vaak het schurende, prikkelende en opliftende karakter van de citrusvruchten, laat het wegzinken in ‘katoen’. Gebeurt hier gelukkig minder dan gevreesd. Komt omdat de witte musk omwikkeld is door een lichte leernoot die in dit geval – in plaats van hout en patchoeli – een milde warmte, een zeepachtige zachtheid aan de compositie geeft.