Toen ik net in het vak zat, en internet nog in zijn kinderschoenen stond, hield ik een lijst bij van alle ooit gelanceerde parfums. Verzameld uit boeken, catalogi, naslagwerken en magazines uit de jaren 30, 40, 50 en ga zo maar door. Elke gek zijn gebrek.
Met het vorderen der jaren – internet was inmiddels bijna volwassen, ik ook – kwam online dus steeds meer oude info vrij. Ik las namen van ‘vergeten’ parfumhuizen waarvan ik nog nooit had gehoord met vaak allemaal even interessante geschiedenissen. Niet een stuk of tien maar honderden. Voornamelijk uit de 19de tot en met de jaren dertig van de 20ste eeuw.
Niet zo vreemd: in de 19de eeuw was door nieuwe technieken (geurmoleculen konden synthetisch gekopieerd worden – denk de befaamde hooinoot coumarine) de industrie niet meer afhankelijk van natuurlijke ingrediënten, wat een enorme verbreding van de markt betekende. Begin 20ste eeuw uitmondend in de eerste commerciële revolutie: in plaats van manueel en artisanaal werd parfum, net zoals de auto T uit 1908 van Henry Ford, een lopende band-product.
Door de parfumbusiness smaakvol, kunstzinnig, eigenzinnig dan wel doodserieus, dan wel humoristisch gepresenteerd om zo de koper het idee te geven dat het nog steeds een handmatig en zeer exclusief productieproces betrof – de prijs was gerechtvaardigd. Wat door de ver-marketing van de parfumindustrie op mondiaal niveau – de tweede commerciële revolutie – alleen maar is toegenomen: ik moet het eerste huis nog tegengekomen dat traditie, handwerk, ‘zorgvuldig geselecteerd’ en ‘exclusief ontwikkeld voor’ níet in zijn manifest met kroontjespen heeft gekalligrafeerd.
Je zou denken dat nu alle ooit opgerichte parfumhuizen wel zo’n beetje in kaart zijn gebracht en dat alle informatie daarover nu wel online is te vinden. Dus niet. Zo kocht ik onlangs op Marktplaats N°64 van Pierre Robert. Flacon ziet er chic uit met die vanzelfsprekende Franse flair. Alleen, dacht ik: ‘Au secours, mon Dieu, y avait-il 63 parfums avant celui-ci?’ Ofwel, ‘Hellup, mijn God, zijn er 63 geuren aan voorafgegaan?’ Hopelijk niet.
Even googelen dacht ik. Quelle déception. Zoek je op N°64 Pierre Robert, dan kom je eerst terecht bij een zo op het oog lekker Frans triple-crème fromage, vervolgens een componist (1618-1699), een Frans ijshockeyspeler, een snuifdoos uit tweede helft 18de eeuw (V&A Museum), een Duits ondergoedmerk en een LinkedIn-lid.
Als je parfum toevoegt, dan kom je vervolgens terecht bij de geur Elysées 64-83 (1946) van Pierre Balmain – een van de meest betekenisvolle geuren uit de vorige eeuw, niet opgenomen in de ge-upgrate Balmaincollectie van The Estée Lauder Companies – vervolgens op de site van het zichzelf weer ontdekte L.T. Piver en Pierre Guillaume. Pas als je naar ‘images’ gaat, verschijnt er iets: PR, naam van een sportgeur vernoemd naar zijn initialen. N°64 nergens te vinden.
Ik heb met de ‘unboxing’- ik snap nog steeds niet de lol van dit verschijnsel op de socials. Altijd hetzelfde want de meeste unboxers weten wat er inzit, want zelf gekocht dus gespeelde verbazing alom – van de nog verzegelde flacon gewacht totdat ik een gezamenlijke datum wist te vinden met nog twee parfumprofessoren/geurengekken (die anoniem wensen te blijven; het betrof een man en een vrouw).
We hadden nog net geen witte katoenen handschoenen aan, maar met een zekere plechtigheid ontdeden we in een restaurent de hals van het gouddraad, draaiden aan de stopper en streken voorzichtig de jus met de rechterhand op de bovenkant van de linker. Wat roken we? Alles schoot door ons heen. Lichte citrusnoten, bloemen, licht en beschaafd – lelie, ylang-ylang, roos en jasmijn. Dachten we. Het meest opvallende: een beschaafde injectie van aldehyden die als een sierlijke sluier over het geheel hangt. Niet spannend, eerder klassiek-saai, deftig. Zwevend tussen Madame Rochas en Calèche van Hermès. De vanille op het eind met wat kruidige toetsen – idem dito. Roken we ook sandelhout?
Kortom, brave bourgeois chic uit Parijs waarvan de statige flacon een waardiger inhoud had verdiend.
Ongeveer een jaar geleden kreeg ik ongevraagd mail van een blijkbaar nieuw parfumblog. De naam: A Hundred Million Bottles. Wie erachter zit, weet ik niet en interesseerde me eigenlijk ook niet, gezien bij de mail een vriendelijke ‘koopverplichting’ zat. Het eerste verhaal was free, daarna moest ik lid worden voor meer. Doen we niet. Toch kreeg ik vervolgens het ene na het andere verhaal in mijn postbus.
Een paar dingen stoorden me bij het lezen: het uitventen van zijn/haar/hen kennis plus de veronderstelde interessante en intellectuele invalshoeken die voor mijn gevoel de gemiddelde parfumliefhebber vermoeid doet afhaken (ervaring heeft me dat geleerd).
Wat het meest irriteerde: geen humor. Alles vaardig geschreven dat wel, maar waarbij ik me toch bleef afvragen: ‘Wat wil je nu?’ Indruk maken bij con-cullega’s die met hetzelfde aplomb hun scherpzinnigheid zó (lees: té) literair weten te verwoorden op de internationale online parfumpodia?
Bij een recente post van hem/haar/hen werd het me te kwaad. Wat wil het geval: met terugwerkende kracht én met de kennis en het inzicht van nu een couturier schuld in de schoenen schuiven voor een ooit gelanceerd parfum. A Hundred Million Bottles vond de naam fout, want daarachter schuilde zoveel leed. Sterker, de dus verachtelijke naam verheerlijkte het koloniale verleden van Frankrijk.
Couturier in kwestie: Jean Patou (een van de origineelste couturiers zeker op parfumgebied). Parfum in kwestie: Colony (nooit geroken dit ananas-chypre-leer-parfum). Het verwijt: ‘Toen Colony in 1938 uitkwam was het voor velen duidelijk dat oorlog dreigde in Europa. In die context kunnen Patou’s cocktails aan het strand opgevat worden als een olfactorische reclame voor de koloniale gebieden, waar degenen met geld een toevluchtsoord vonden tegen de naderende storm. Voor die niet konden vluchten, gaf Colony misschien op zijn minst een gevoel van optimisme, een zonnige cocktail van een geur om de naderende duisternis te verlichten’.
Dat is me nogal een, zeg maar ‘woke-verwijt’. De blogger gaat helemaal voorbij aan het feit dat tijdens het interbellum het verschil tussen de klassen nog (soort van) vanzelfsprekend was – ik durf te stellen – in heel de wereld. Dat je als land koloniën had, daar waren de meeste inwoners trots op. Was een vanzelfsprekendheid. ‘Bij ons’ gold toch ook: ‘Indië verloren, rampspoed geboren’.
Je kunt de elite van toen dus niet verwijten dat ze letterlijk vluchtgedrag vertoonden. Als ze dat al aan de dag legden en het konden – wat ik overigens betwijfel. Het feit dat de geabdiceerde Edward VIII met zijn Wallis Simpson in 1940 gouverneur van De Bahama’s werd – toen een niet bepaald te benijden positie – bevestigt onder meer mijn vermoeden in deze.
Even doordenken: een vrouw die een couturejurk in 1938 koopt bij Jean Patou, wat verwijt je haar? Dat ze oppervlakkig is, geen kranten leest, geld in overvloed heeft, haar personeel misschien wel kleineert? Terzijde: wat zou de blogger denken van de Kardashian-clan in deze rumoerige, oorlogsdreigende tijden?
De ‘J’accuse’-aanklacht is nog niet over: Jean Patou, nog beroemder vanwege zijn Joy(‘het duurste parfum ter wereld’ – door de International Fragrance Foundation in 2000 uitgeroepen tot het beste en mooiste parfum van de twintigste eeuw) lanceerde dit in 1930 toen de Grote Depressie toesloeg. A Hundred Million Bottles: ‘Dit kan worden gezien als een gebrek aan sociaal geweten. We zouden Colony in hetzelfde licht kunnen interpreteren; het beeldde een visie op koloniale luxe uit alleen toegankelijk voor de elite. En misschien de lakeien uit de middenklasse die ernaar streefden om als bestuurder of politieagent een stukje van het imperium te proeven’.
Tut. Tut. Tut. Ik stel hier tegenover: Jean Patou was niet wereldvreemd, hij wist dat er meer speelde buiten zijn ‘couture-coterie’ in het eerste arrondissement van Parijs – ik vermoed dat hij ook wel eens sprak met zijn modinettes. Hiervan getuigt – olfactorisch gesproken – het in 1936 gelanceerde Vacances dat de door de vakbonden bedongen doorbetaalde vakanties van werknemers vierde.
Dit soort commitment/humor is tegenwoordig bij luxemerken ondenkbaar – Dior die ‘de gele hesjes’ sponsort met een parfum en hen aanmoedigt voort te gaan met de strijd?
Ondenkbaar. Luxemerken ondersteunen voornamelijk fotogenieke popsterren, modellen, acteurs, sporthelden en tot tranen toe sentimentele goede doelen die het qua ‘like’, ‘respect’, ‘humble’, ‘grateful’ verdomde goed doen op de socials.
Door filosoferend met het verwijt van A Hundred Million Bottles indachtig: zoveel parfums zijn terugblikkend zo verschrikkelijk fout. Open de patrijspoorten! Neem – we beginnen met de opkomst van de moderne parfumindustrie – Eau de Cologne Impériale van Guerlain. Uit 1853. Een ‘eaubade’ op de vrouw (keizerin Eugénie de Montijo) van Napoleon III die het jaar daarvoor middels een staatsgreep aan de macht was gekomen. Foei!
Of pak al die parfums op maat gemaakt door Guerlain, Creed, Houbigant, Atkinsons en andere huizen die voor leden van een koninklijk huis – driewerf foei! Zouden de onderdanen het beter hebben gehad als deze customized geuren níet waren geproduceerd?
Come to think of it: met Opium (1977) was ook heel veel mis. Daar moest zelfs een rechter ingeschakeld worden – kort door de bocht: de Chinese gemeenschap voelde zich beledigd – die uiteindelijk in het voordeel van Yves Saint Laurent besloot.
Hoe te eindigen? Heb ik geen leuke uitsmijter? Misschien deze: hoe verder we verwijderd van het origineel raken, des te platter, armoediger (in lifestylekringen heet dat dan minimalistisch) klassieke geuren over het algemeen worden gepresenteerd. Zie de werdegang van Colony.
Maar misschien ze we de geur (en andere Patou’s) binnenkort in al zijn (hun) oude glorie (of treurige ‘nieuwe zakelijkheid’) terug. Patou heeft zijn deuren als modemerk (onderdeel geworden van LVMH) weer geopend. Dan moeten de geuren ook wel volgen – daar wordt het geld uiteindelijk mee verdiend.
Patou presenteert zich nu nog bescheiden: de luxe consument wordt langzaam voorbereid. Het luxeconglomeraat heeft binnenkort wel een nieuwe ster nodig, aangezien Dior (heeft net de ontwerper van Loewe binnengehaald) nu wel over zijn hoogtepunt heen is en Loewe (ook LVMH) minder ‘Gucci’ schittert dan verwacht, en concurrenten als Valentino (daar heeft de ontwerper van Gucci net plaatsgenomen), Balenciaga (die is net verhuisd naar Gucci en die van Valentino is net binnengekomen) en met name Schiaparelli de meeste aandacht opeisen.
Kreeg ik vorige week cadeau van kennis uit het dorp op wiens hond – Rally, met de tred en de snuit van een vos – ik af en toe pas. Gekocht bij een tweedehands: Eau de Cologne Supérieure van het merk Valdelis. Slimme naam, want Frans ‘aan elkaar geplakt’: val de lis. Vertaald: dal der lelie. Helaas leeg.
Ik kwam wel leuke oer-Hollandse campagnes tegen van deze Eau de Cologne Supérieure. Lanceringsjaar: 1948. Wel wuft, zo vlak na de oorlog toen bijna alles op de bon was, aan nieuw Nederland werd gebouwd en geluk nog heel gewoon was.
Ik had wel van het merk gehoord. Wist van de Nederlandse link. Dat Nederland ooit méér was dan Boldoot. Na intensief en gedegen Follow the Money-waardig speurwerk kom ik erachter dat het merk is opgericht in Schiedam. Oprichtingsjaar mij nog onbekend. Door de firma Janssen uit dezelfde plaats.
Dat internet, op zoek naar info, nog niet altijd voldoet aan de verwachtingen, en je daarvoor eigenlijk de archieven in moet, blijkt wel uit Valdelis: weinig concrete info present. Echt interessante achtergrondinformatie moet je bij elkaar harken uit berichten waarin miniem wordt gerefereerd aan het eau de cologne-merk (me ondertussen afvragend waarom ik dit soort lokale zijstraten van de parfumgeschiedenis zo interessant vind).
Zoals deze scentimental herinnering van een vrouw (door mij ingedikt): ‘In de kapsalon van onze ouders aan de Korreweg in Groningen was een trapsgewijze stellage op een schoorsteenmantel. Hierop tal van producten voor de verkoop. Tabak, maar ook de nodige cosmetica. Valdelis was vooral belangrijk voor de verkoopcijfers. Soms waren er totaal nieuw artikelen. In 1959 een flesje met een roller erin: de introductie van Odorex (ook geproduceerd door Valdelis).
De geur van je favoriete stad in je huis? De geurkaars is samengesteld door WIJCK. en bevat alle fijne geuren van de stad. Handgeblazen glas, 100% natuurlijke sojawas, tot wel 60 brandduur.
Volgend bericht kwam ik ook tegen – ik had ‘geur’ en ‘Schiedam’ ingetikt – heeft niets met Valdelis te maken, maar is een goed voorbeeld van citymarketing. Ofwel: iedere stad zijn eigen geur. Te bestellen bij www.wijck.com.
Daarna volgend bericht opgetekend door de kleinzoon van de man die een kwart eeuw meesterknecht was bij Valdelis. ‘Ondanks zijn voor de Rijnmond unieke stedenschoon is Schiedam een beetje grimmig. Dat geeft, om een drankterm te gebruiken, bouquet aan de weerspiegeling van de gevels in de havens. Anders zouden we hier maar een gesuikerd openluchtmuseum zijn en geen stad met een echt innerlijk leven. Die grimmigheid is een essentieel ingrediënt van ons collectieve karakter. Dat heb ik vrijdagavond geleerd. Ik werd met de neus op de feiten gedrukt’.
‘Daarvoor verantwoordelijk: twee studentes fotografie aan de Willem de Kooning Academie in Rotterdam, Maisey van Elmpt en Pamela van Rijswijk. Soms heb je buitenstaanders nodig om tot diepere inzichten te komen omtrent je geboortegrond. Ze werden door hun docenten naar Schiedam gestuurd om het wezen van onze stad in beeld te brengen. Toen ze door de straten liepen, kregen ze een beter idee. Wat je werkelijk intiem kent, kun je ruiken. Ze wilden de geur van Schiedam isoleren. Dan kom je al gauw bij ons beroemdste product uit: moutwijn’.
Toen was geluk nog heel gewoon
‘Kun je op basis daarvan een parfum maken met de geur van Schiedam? Hier komt de grimmige Schiedammer naar voren die scherpte geeft aan het karakter van de stad. ‘Dat zal dan wel lekker stinken’, gromt hij. Zo niet Maisey en Pamela. Ze roken juist de charme. Ze schakelden jeneverexperts Rob van Klaarwater en Leo Fontijne in voor de broodnodige kennis en nog een parfumexpert. Ze voegden daar hun vrouwelijk (!) instinct voor het karakter en de kwaliteit van geuren aan toe. Daarmee bliezen zij een vergeten Schiedamse bedrijfstak een sprankje nieuw leven in: de distillatie van eau de cologne en aftershave. Het nog steeds bestaande Fresh Up – nu herinner ik me Valdelis weer! – is van oorsprong een Schiedams product’.
‘De dames ontwierpen geen eau de cologne, maar een parfum waaruit het karakter van Schiedam sprak. Het publiek mocht bij de presentatie de verschillende componenten ruiken voor ze het Schiedamse parfum onder de neus kregen. Allemaal scherpe geurtjes waarvan er een me terugbracht naar mijn jeugdjaren (opmerking Geurgoeroe: een keer wat anders dan de madeleine van Marcel Proust). Zo rook het als ik ‘s avonds van mijn schoolvriendje Bennie Beining naar huis liep over de Sint Anna Zusterstraat en de Noordvest. Zo roken de distilleerderijen’.
‘Toen kwam het echte parfum. Ik rook de totale stad: het verleden, het grimmige, het pittoreske, het graan, het gist, de herenhuizen en de branderijen, de afgebroken brandersknechtenwoninkjes van de Kinderbuurt en het Spinhuispad, het maanlicht dat glimt op natte keien, de minaretten onderaan de Vlaardingerdijk. Het was een krachtige combinatie dit parfum, verleidelijk voor wie karakter heeft. Deze geur trekt bijzondere mensen aan. Dat kan niet anders. Ik zou er wel mee over straat willen gaan. Je mag best ruiken dat ik afkomstig ben uit deze inspirerende stad. Ik ben er trots op’.
Jammer en merkwaardig dat over deze presentatie niets te vinden is op www. Zelfs niet op de Insta-pagina’s van deze twee ‘dames’.
We zetten onze zoektocht naar de oorsprong van Valdelis voort, mocht ik er bij toeval op stuiten. Wel leuk, en soort van jeugdherinnering: Valdelis lanceerde in 1977 Fatal zo blijkt. De geur die ik – toen al – zag als een slechte dupe/fake van in hetzelfde jaar verschenen Opium (ik neem aan later). Fatal was volgens mij een slimme en bliksemsnelle reactie op het immense succes van Yves Saint Laurents schandaalparfum. Ik herinner me een ongepolijste kruidige en harde geur die eerder deed denken aan het een jaar later gelanceerde Magie van Lancôme.
Heel veel meiden op de dansvloer in de lokale disco (Zodiac Enschede) roken ernaar. Dat het een nepper was, merkte je aan de Aziatische, meestal in een roes verkerende vaste bezoeker van dezelfde disco: het leek wel of hij zich overgoot met Opium-parfumconcentraat voor hij in ‘the best disco in Town’ ging dansen op Le freak c’est chic! Now freak! And freak!
VINTAGE SOLIFLORE: GEEN GARANTIE VOOR UITZONDERLIJKHEID
TE CHLOÉ- EN TE CÉLINE-ACHTIG
Waarom ik Le Galion zo’n prettig parfumhuis vind? A: de geschiedenis, b: de humor, c: de presentatie en d: de aan de naam gekoppelde faam. En niet te vergeten hun vroege slimme gevoel voor marketing (lees hier voor een aantal van mijn recensies op deze blog). Zo deed Le Galion tot mijn verbazing al in 1950 aan product placement.
In de nu nog steeds memorabele film All About Eve (1950) zie je de protagonisten – waaronder Bette Davis, Ann Baxter en Gary Merill – op een gegeven moment aan tafel in een chic nachtetablissement. Met op die tafel een sigarettenstandaard met daarop het logo van Le Galion. Zegt iets over de reputatie die het toen had – chic de Paris.
Het huis sloot ooit zijn deuren, werd ooit heropend (zie mijn recensies). Blij mee! Alleen het ‘probleem’ in deze (iets wat eveneens geldt voor andere gereanimeerde huizen): het is moeilijker om voormalige soliflors uit de oorspronkelijke collectie in hun originele olfactiefe staat voor het voetlicht te brengen dan hun echte klassiekers van naam.
Want: onmogelijk. Redenen: sommige ingrediënten mogen niet meer gebruikt worden. Door de veranderende bodemgesteldheid, oogsttechnieken en verwerkingsprocessen (enfleurage toen, hydro-destillatie nu) ruiken ingrediënten anders dan voorheen, subtiel die verschillen daardoor maar toch.
En, niet onbelangrijk, de ‘angst’ van de nieuwe eigenaren dat ‘een nieuwe generatie’ de oude formules niet begrijpt, ‘te moeilijk’, ‘te stoffig’ en ‘te oma-achtig’ vindt, waardoor die ‘aangevuld’ worden met ‘hippe’ en ‘eigentijdse’ ingrediënten.
Dat maakt Tubéreuse wel duidelijk. Ik kan me niet indenken dat de huidige versie (2014) enige overeenkomst vertoont met het origineel uit 1937. Die moet toen voller, ‘boteriger’ en geiler hebben geroken. Vergeet niet, parfum was toen echt nog een elitair ding en was een toonbeeld van smaak (hoe snob dan ook) als je een duidelijk, uitgesproken parfum droeg. Vergeet niet: de Chanel N° 5-versie uit 1921 ruikt echt anders dan wat je nu gewend bent. Ik denk dat de 1937-editie (wishful smelling) eerder lijkt op die van Annick Goutal (1986) – ook wel bekend als de G Spot-fragrance.
Je ervaart de moderniteit, het nieuwe direct in de opening: je moet eerst door een groene plensbui op basis van mandarijn, galbanum, peer en roze peper heen. Leuk weetje: in 1937 werden de laatste twee nog niet gebruikt. Peer was toen nog niet synthetisch gekopieerd, roze peper nog niet ontdekt.
En dan ‘eindelijk’ iets dat op tuberoos lijkt, die zich alleen niet onderscheidt van de ‘getemde’ tuberozen die je de laatste jaren in het prestigesegment te veel kon ruiken. Met als ‘excuus’ dat een nieuwe generatie de ware aard van deze bloem te gevaarlijk, overrompelend vindt. Bla-bla-bla.
Hier wordt ze getemd door oranjebloesem, roos en framboos (dat toen als geur ook nog niet bestond). De afronding: tja. Braaf-sensueel een beproefde combi van cederhout, amber en musk.
Dan Iris. Ook in 2014 opnieuw in de markt gezet. De homesite schrijft: ‘In 1937 was Le Galion een reeds gevestigd huis, waardoor Paul Vacher (de neus en een van de oprichters én maker van Arpège en Miss Dior) meer experimentele ideeën kon uitproberen. Hij begon te werken aan soliflore-variëteiten. Als knipoog naar de art-decoperiode, beeldhouwde Vacher deze iris in een symmetrie van mimosa en galbanum’. Oké.
Niet oké de uitsmijter: ‘Le Galion werd daarmee een referentie in de Franse parfumerie, met oog voor kunst en een tijdsgeest’. Snap ik niet. Ik krijg het gevoel dat er te veel op de productiekosten is gelet, dan de ambitie een fotokopie van het origineel te maken.
Als je over iris als soliflore praat, dan raken Serge Lutens met Iris silver Mist (1992) en Hiris van Hermès (1999) eerder de essentie van deze gefermenteerde wortel: aards, groen, fris met een moeilijk te definiëren, raadselachtige bloemigheid die zich lijkt te verstoppen in zijn poederigheid.
Voorwaar, de symmetrie van Iris is aantrekkelijk. Wat een originele visie op ingrediënten! De poederige zonnigheid (met groene ondertonen) van mimosa en intens groen-prikkelend galbanum koppelen aan de klassiek-poederige noten van de iris, laat die anders resoneren. Maakt haar minder ‘vrouwelijk’, minder boudoir.
Maar had van mij wat sterker gemogen. En de klassieke spray in de opening van bergamot en citroen is eigenlijk onnodig; vraag me af of die te bespeuren was in de vintage-versie. Ook jammer: die niet-vrouwelijkheid wordt weer tenietgedaan door roos. Daarna wordt hoog opgespeeld met ambrette die ‘als musk werkt en een zijdezachte laag over de gehele geur legt’. Maar, dames en heren, wel een heel matte, brave ambrette.
Eindconclusie: het was misschien beter geweest wanneer deze twee aangenaam-brave geuren als nieuw waren gelanceerd. De verwachtingen waren hierdoor minder hoog geweest omdat het referentiekader van de geschiedenis en storytelling ontbreekt. Wat me ook stoort is de prijs. € 200,00 per 100ml. Daarvoor zijn ze te mainstream, te, hoe zal ik het zeggen, te Chloé- en te Céline-achtig.
Toch even naar de site gegaan. Inmiddels staat de teller op 30 en zijn de geuren in een nieuwe flacon gestoken. Geeft ze meer allure en standing. Sommige ‘nieuwe’ zijn voor mij wel erg nieuwsgierig makend: Brumes (mooie inspiratie en naam voor een geur), Chypre, Cuir en Vetyver (laatste drie zijn voor mij vaak de maat der dingen).
Dat de inhoud van een flacon er steeds minder toedoet, kom je te weten als je deze long read tot het einde leest. In de geur die ik bespreek, komt veel samen: de geschiedenis, de geschiedenis van een parfumhuis, het ermee pronken en tegelijkertijd het niet respecteren ervan door de ‘opkopers’. En dan alle clichés gepaard gaand rondom het herontdekken van een voor eeuwig gesloten gewaand huis. Plus: een onverwachte kennismaking met een verrassende geur – meer door de geschiedenis, dan de compositie.
Ik ontdekte Sketch ongeveer een jaar geleden op een, voor mijn gevoel, erg ‘jaren tachtig/negentig klassieke parfumreclame’-manier. Wil zeggen: had het idee alsof ik in een commercial terecht was gekomen. Denk: Estée Lauder, denk Yves Saint Laurent. Denk: upcoming old grey man verward door een parfum dat hij ruikt. Wie is die vrouw? Waar komt deze ‘belle of the ball’ vandaan? Hoezo alweer verdwenen in het niets, iedereen verwarrend achterlatend, gelijk het parfum… dat vervolgens in beeld verschijnt met een outro: ‘For the woman who thought she had everything’. Zoiets.
Zat zo: was uitgenodigd voor een verjaardagsboottochtje over de Amstel en zat met een aantal mensen benedendeks te keuvelen, toen mijn neus richting wenteltrap ging. Concentratie in optima – parfum – forma, want ik ervaarde een klassiek-heerlijk geval van ‘parfum snelt draagster vooruit’. Ik nam een enorme wolk waar ‘gedragen door twee benen’ die sierlijk de trap afkwamen.
Wie is dat? Toen herkende ik haar – ik wist dat ze erg van parfums hield. Een zakenpartner van de jarige jet. Wou in haar nek verdwijnen – mocht ik, deed ik. Jeetje, wat is dat toch lekker die intieme combinatie van huid en haar ‘gelardeerd’ met in dit geval een parfum van oosterse allure. Bekend, vertrouwd en toch weer niet – flarden van Shalimar en Musc Ravageur. Aangezien ik de naam had onthouden – Sketch klinkt origineel én zo voor de hand; nog niet zo heel lang geleden de eerste twee voorwaarden voor commercieel succes – ging ik googelen en werd overvallen door een sombere bui. Waarover later meer.
Een jaar later: spreek de draagster weer. Ik geef haar een proefje van Musc Ravageur – dit verhaal wordt nu onderbroken door een commerciële boodschap – en een 20ml flacon van Vanille Vilaine, een geur uit mijn nieuwe upcycle parfumlijn Re-Arrange. Een melange van niche, weliswaar monotone vanillegeuren met een über-injectie aan korianderolie plus patchoeli- en jasmijnolie (op de kop getikt op een rommelmarkt). Vol, zwoel en stoer-kruidig. Drie jaar gerijpt en – grappig – onlangs in mijn WeekendWinkel gekocht door een jonge zeer parfum-kritische vrouw uit Bahrein. Einde commercial.
De oprichters
De draagster in kwestie geeft mij ‘in ruil’ een proefje van De Geur. Hoe ontdekt? Bij Skins. Waarom? Deed haar denken aan Shalimar dat haar moeder altijd gebruikte. Inmiddels heeft ze Musc Ravageur gekocht en heb ik haar een proefje gegeven van Bal à Versailles – want als je van diep-sensuele parfums met animale nasleep houdt, dan moet je die ook ontdekken.
Los van de geur, viel ik met Sketch in een andere verbazing: wéér een vergeten parfumhuis uit de mottenballen gehaald. In dit geval door drie jonge mannen – Anthony, Paul, Victorien; kan geen achternamen vinden – die elkaar ontmoeten op de École Supérieure du parfum en in al het eerste studiejaar – ‘gepassioneerd, onbevreesd en vooral heel zorgeloos’ – besluiten een eigen parfummerk te creëren. Lang verhaal kort: hun ‘niet aflatende liefde voor parfums begin 20ste eeuw en interesse in vintagegeuren dreef ze, zonder het te weten, naar de Reine des Abeilles-parfumerie die ze tijdens hun onderzoek waren tegengekomen’. Et voilà: ‘De restauratie van Maison Violet leek ons voor de hand liggend’. Zelf noemen ze Reine des Abeilles (bijenkoningin) op hun site Queen Bee – nou dat zal Beyoncé zeker ter ore zijn gekomen.
Het trio blaast nogal hoog van de toren met de bewering dat ‘door klassieke schema’s te moderniseren, hebben we het neoklassieke genre opnieuw uitgevonden, een parfumerie afgestoft die nooit meer verouderd zal zijn. Het bewijs dat vintageparfumerie het modernisme is dat de industrie ontbeert’. Het is wel GoogleTranslate, maar toch: weer die opgeblazen overdrijving – laten we het typisch Frans luxe vocabulaire noemen.
Interessant en verrassend: de overeenkomsten tussen Violet en Guerlain. De bij als logo (had Guerlain die ook vanaf het begin?). Nog een: hetzelfde oprichtingsjaar: 1828. Nog een: het pleasen van de nieuwe elite door net gestarte parfumhuizen. In dit geval van de door een staatsgreep (1853) aan de macht gekomen Napoleon III en zijn vrouw keizerin Eugénie. Zowel Guerlain als Violet eerden haar. De eerste met het nu ‘legendarische’ Eau de Cologne Impériale (1853) en Violet met Eau de Beauté de Sa Majesté L’Impératrice en Fleur de Riz Rosée (een anti-alle-huidaandoeningen-rijstpoeder).
Maar het smeichelen bij de ‘nieuwe wereldorde’ door Maison Violet begon al eerder. Namelijk bij de oom van Napoléon III, de echte Napoléon. Want het eerste parfum – sommige historici noemen 1806 als oprichtingsdatum van Maison Violet in plaats van 1828 – dat het presenteerde, heette Joséphine, vernoemd naar de eerste vrouw van Napoléon Bonaparte. Van wie Violet trouwens het symbool van de bij had overgenomen (Guerlain wellicht ook). De toen nog jonge keizer, koos dit insect vanwege de associatie met onsterfelijkheid en wederopstanding, en het voor de usurpator een manier was om te breken met de lelie, sinds de Merovingers (de eerste Franse koninklijke dynastie) symbool van het Franse koningshuis.
Het inlikken moet hebben gewerkt, want niet lang daarna kreeg Violet goedkeuring van keizerin Joséphine elle-même en werd het huis uitgeroepen tot hofleverancier. Vanaf 1828 gebruikte het parfumerie Violet als bedrijfsnaam (vandaar de verwarring wellicht betreffende oprichtingsjaar) met als ondertitel A la Reine des Abeilles.
Er zijn ook historici die beweren dat voor de naam Violet werd gekozen omdat het de favoriete parfumbloem van de keizerin was – als een verhuld bedankje. Is volgens mij klinkklare onzin omdat Napoléon I na de slag van Waterloo in 1815 voorgoed was verbannen naar St Helena en daar in 1828 overleed (Joséphine ‘al’ in 1814 in Rueil-Malmaison). Nog zoiets: volgens overlevering was Joséphine’s lievelingsgeur musk: nog jaren naar haar dood zouden haar vertrekken in het Louvre, Versailles en Malmaison ernaar hebben geroken.
In ieder geval, als je denkt dat alleen Creed en Guerlain de Europese hoven voorzagen van reukwaters, weet dan dat Violet voor de Russische keizerin (heel onzorgvuldig: welke wordt niet vermeld) Brises de Mai creëerde, Gouttes de Violette voor koningin Victoria, Champaka voor haar oudste zoon Edward en door koningin Isabella II van Spanje werd aangesteld als hofleverancier.
Nu dan de geur Sketch. De compositie is gebaseerd op een formule uit 1900 (heette Ambre Royal) en de naam op de gelijknamige geur uit 1924. Klinkt in eerste instantie verwarrend, ongeveer hetzelfde wanneer in 2123 bij het herontdekken van Yves Saint Laurent als parfumhuis ze de formule Opium stoppen in de flacon van Paris.
Hoe zien de ‘re-oprichters’ Anthony, Paul en Victorien de creatie? Ta-da: ‘De rijkdom wordt slechts geëvenaard door de elegantie van zijn ontwaken. Het is de schets van een potloodstreep op bladgoud. Diep, sensueel en geruststellend, het is het theater van alle mogelijkheden. Aan het einde van de show, verbluft het door zijn nederige dwaasheid. Een juweel, een bijzondere versiering, een stralende halsketting voor de ziel’.
Ze gaan nog even door: ‘Sketch is mysterie, een woody amber, spelend met de codes en zijn olfactorische familie herinterpreteert. Zijn mix van chypre en patchoeli met zijn vluchtige nootmuskaat en overvloedige tuberoos zijn de definitie van moderniteit en erfgoed. Deze cult-paradox (come again?) wordt gestreeld door pittige bergamot en peper. Alles verpakt in een muskachtige cocon. Een historisch-eigentijdse geur’. Zo nu jullie weer.
Maar toch, door deze zelfverheerlijking heen ruik je toch een bijzondere geur – heb inmiddels een royale proef van een parfumfan toegestuurd gekregen – gemaakt door alles-kunner Nathalie Lorson. In a nutshell: top – nootmuskaat, roze peper, bergamot; hart – tuberoos, roos; basis – vanille, patchoeli en tonkaboon. Maar er gebeurt zoveel meer.
Mooi om te ruiken, dat een neus een keer een duidelijk nootmuskaat-noot durft te gebruiken, want als je je neus dieper in de specerij steekt, neem je meer waar dat alleen het bekende kruidige aspect; wordt ‘een beetje grijs’ en krijgt een zoetige ondertoon. Dan ruik je door de nootmuskaat even een frisse whiff van bergamot en roze peper om vervolgens ruim baan te geven aan – in dit geval – een erg milky-creamy tuberoos die de nootmuskaat mooi in zich opzuigt. En op een bepaalde manier ook spettert – Tubéreuse Criminelle spookt door mijn hoofd door een mentholachtige noot. De tuberoos begint vervolgens warm te worden, te smeulen zoals je wilt, begint zich op te maken voor de amberbasis.
En die is ever so chic. Komt door de patchoeli die door zijn houtachtige ‘vochtigheid’ garandeert dat de oosterse ambiance niet plat en eendimensionaal blijft – vaak het geval bij vanille en tonkaboon (die zijn van een topkwaliteit en ook verantwoordelijk voor de poederachtige en lichte gourmand-cocon op het eind). Mooi is ook de roos die subtiel naast de tuberoos bloeit – geeft een extra bloemige zoetheid, rijkdom én tegelijkertijd zo’n lekker tut-gevoel (positief bedoeld). Klassiek, degelijk, veilig – moet denken aan operabezoek. Sketch is van nu maar heeft voor mij een retro-vintage vibe – zwevend tussen (niet schrikken) Yves Rocher en Chanel. Dat komt omdat ik ook sliert aldehyden ‘met anijs’ waarneem (denk in dit geval haarlak) die voor mij het veilige chic-gevoel oproept.
Het venijn zit’m in de staart. Niet in de geur, maar in mijn kritiek. Want, jongens wat is de presentatie toch pover in vergelijk met het oorspronkelijk vormgegeven Sketch. Wat een subtiliteit in de advertentie en flacon – met de judaspenning als uitgangspunt. En dan het lettertype! Écht over nagedacht. Vergeet niet dat in die tijd (les années folles de la jeunesse dorée) de concurrentie in de parfumindustrie even moordend was als nu en dat dat juist een aanzet was om met gedurfde en onderscheidende esthetiek je handtekening onder een product te zetten.
Daar is weinig van terug te zien in de slaapverwekkende standaardflacon en dito dop. Alleen de verpakking komt petite, petite, ietsiepietsie in de buurt van wat Violet ooit uitstraalde. Mag het ietsje meer zijn? En dat Violet goed naar de concurrentie (of eigenlijk het belangrijkste merk in de luxe parfumindustrie) heeft gekeken, zie je bij de teaser op Youtube (nog niet eens 600 views): wel heel erg geënt op de promofilmpjes van Chanel.
THE USUAL SUSPECTS: PETIT GRAIN, ORANJEBLOESEM EN NEROLI
All about Eva
Ik heb ‘altijd’ een zwak voor Lubin gehad. Dat komt meer door het verleden dan door het heden (het huis maakte in 2000 een doorstart). Dat geldt trouwens voor meer uit hun slaap gehaalde ‘vintage’ huizen. De makke meestal: wel gebruik maken van de geschiedenis in woord, maar in daad: vaak ho maar.
Zie je bijvoorbeeld terug in de flaconkeuze. Presenteerde ‘in the old days’ veel huizen bij lanceringen een nieuwe flacon met bijpassend lettertype, campagne en toeters en bellen, nu moeten we het doen met een standaardflacon voor alle geuren. En met die van Lubin heb ik niets. Lekker belangrijk kun je ook denken.
Toch ben ik door de Lubins legendarische status benieuwd naar nieuwe (herlanceringen) – niet dat ik alle vintage-versies ken. Eva zag het licht in 1920 en werd gevangen in flacon die typisch voor die tijd is en ontworpen werd door Julien Viard.
Een sfeerfoto van de nieuwe Eva (inclusief het prachtige ‘vintage-logo’) dat ik tegenkwam op www vond ik smaakvol: in een silhouet van de drie gratiën zien we de ‘allereerste vrouw’ verschijnen. Niet de Eva uit het in het Westen nog meest aangehangen scheppingsverhaal, maar hier is ze weer, want geliefd in parfumkringen – niet Sandro Boticelli’s Venus maar godin Flora van het wereldberoemde schilderij De Lente (de drie gratiën zijn trouwens op dit kunstwerk ook present).
De ‘verantwoording’ van Lubin: ‘De Eva van toen, heeft niets met de Eva van nu (lijkt wel een variatie op mijn tweede zin). Ze hebben haar uit het paradijs gehaald en naar Engeland overgebracht; ze is de dochter van de Engelsman die zijn land verliet voor een bos van sinaasappelboomgaarden. Onder de brandende Siciliaanse zon rent de jonge Engelse roos blootsvoets over de hete, vruchtbare grond. Ze is bedwelmd door het zachte aroma van de bittere sinaasappel en ze charmeert degenen die haar passeren met haar frisse en levendige karakter. Eva zal dit stralende en rusteloze landschap nooit verlaten. Ze zal een kunstenaar worden en deze natuur tentoonstellen in de tuinen en parken van de grote barokke villa’s van Noto’. Ja, ja.
Old Eva
Als je de moeite neemt dit verhaal goed tot je te laten doordringen, dan weet je dat er niets klopt. Geografisch gezien dan: eerst naar Engeland overgebracht en vervolgens rondhuppelend op Sicilië. Dit zit me ook niet lekker: ‘een kunstenaar worden en deze natuur tentoonstellen’. Of ligt het aan Google Translate?
Nu de geur: valt in de voor mij erg truttig-ouderwets klinkende Portraits de Femmes-serie. Ik wil niet flauw doen, doe het toch, maar dit kan ik ook. Sterker, ik héb het gedaan. Mijn mix – Re-Cologne – van inmiddels 33 verschillende eau de colognes lijkt als twee druppels water op Eva. Misschien logisch als je naar de inhoud kijkt, want Eva is in feite een eau de cologne op eau de parfum-sterkte.
Ik ben blij – dat mij dit onbedoeld gelukt is, ik ben verdrietig omdat ik van Lubin meer verwacht – misschien wel te veel. Maar, tussen ons gesproken en gezwegen: er zijn de laatste jaren too much op oranjebloesem-neroli-petitgrain gebaseerde geuren geproduceerd. Ga maar eens zoeken op Geurengoeroe. Sterkte.
How – three – gracious
Maar ik weet dat elk merk zijn eigen parfumerie wil zijn waar, whatever your perfume preference, je altijd terecht kunt. Ik weet niet of de geur op de originele formule is gebaseerd. Kan haast bijna niet, daarvoor is die te eenvoudig. En ook een gemiste kans qua invulling.
Of je wel of niet in het verhaal van het hof van Eden gelooft, het was toch leuk geweest als de opening vol had gezeten met (de verboden) appel en (het schaamteblad) vijg. Gewoon wat granaatappel erbij (volgens sommigen was dat de verboden vrucht die de slang aan Eva en Adam gaf). Goed bezig denk ik dan. Kan de rest alleen maar leuker worden.
Maar nee, hoor. Eva is een easypeasy-creatie omschreven als musky orange blossom. Klopt als een bus. Als je geluk hebt ruik je de passievrucht. Heb je die gemist, de petitgrain ruik in ieder geval je goed. Fris (geholpen door citroen), maar toch strak en droog. Daar gaat vervolgens een wind overheen van citroen, oranjebloesem, neroli en… witte gember.
Ook hier: ruik je de (witte) gember nu wel of niet? Linkt voor mijn gevoel met de petitgrain. De afronding is zacht. Je kent het wel. Beetje amber voor de warmte, beetje musk voor de cleane touch en sandelhout (zou het de echte zijn?) om de basis een beetje op te tillen, een ‘niche-rechtvaardiging’ te geven.
Niemand schrikt van Eva. Of je moet hekel hebben aan een geur die alle extractiemogelijkheden van de oranjebloemstruik uitbuit.
Ik ben echt aan het vetiveren. Die van Hiram Green gaf me de geest, maakte me weer enthousiast en besloot vervolgens een aantal andere onder de loep te nemen. Zie vorige post. En nu: Vétiver Royal Bourbon. Wat vind ik Oriza L. Legrand toch heerlijk. Verschillende redenen: ouder dan Guerlain, maar loopt daar minder mee te koop, eigenlijk pas du tout.
De geuren zijn klasse en ik geloof bijna zo goed als zeker dat die allemaal zo nauwkeurig mogelijk zijn gebaseerd op de oorspronkelijke formules. Ruik je bijvoorbeeld overtuigend ruikt in Chypre Mousse – die ruikt op een bepaalde manier ‘historisch’, is niet van deze tijd. En toch niet ouderwets omdat vetiver eigenlijk tijdloos is. Noemen we dan klassiek.
Hopelijk heeft het Oriza L. Legrand nu zijn definitieve vorm gevonden (de veranderingen waren voor mij niet echt nodig). De verpakkingen zijn groter, dus zogenaamd chiquer, de geuren nu alleen nog maar in verstuivervorm en er moest zowaar een kwast om de hals van de flacon. En dat merk je dus aan de prijs: in den beginne bij de relaunch van het merk 110, nu 130 euro.
The colors match!
Vétiver Royal Bourbon (debuut 1914, relaunh 2014) maakt gelukkig veel goed. Mijn fantasie wordt geprikkeld door de naam. Bourbon is de naam van de koninklijke familie die Frankrijk, van 1589 – met een korte tussenposes – tot 1830 regeerde.
De associatie is niet zo vreemd: in de Franse parfumwereld wordt overdreven veel gerefereerd aan het roemrijke verleden van al die koningen Lodewijken, hun paleizen, hun maîtresses, hun bijdrages aan de kunst en cultuur en wat dies meer zij. Zonnekoning-verblindende schone schijn in optima forma.
Maar de naam Bourbon slaat hoogstwaarschijnlijk op het gelijknamige eiland (om de hoek bij Madagaskar), ja inderdaad genoemd naar. En waar volgens de Fransen, chauvinistisch als ze zijn, de beste vetiver vandaan komt. Ben benieuwd wat de Haïtianen, Javanen en Indonesiërs daarvan vinden.
Hoe het ook zij, Vétiver Royal Bourbon is een topper. Het knappe: je ruikt eigenlijk helemaal niet zoveel vetiver, zo lijkt het. Wil zeggen: het droge gras (de geur wordt gewonnen uit de wortels) wordt omringd door allerlei noten die je in eerste instantie afleiden van de ‘core business’, maar uiteindelijk is het toch vetiver die je ruikt.
Niet fris-houtig zoals de vetivers uit de jaren vijftig, zestig en zeventig. Niet rokerig, niet naar zwarte thee neigend zoals zoveel nu-nichegeuren, maar kruidig groen.
De opening is direct raak wat groen betreft: geen klassieke citrusopening, maar een helder-scherpe munt-tijm-combinatie – alsof ik ze net heb geplukt uit mijn kruidentuin. Fris, levendig en opwekkend met aardse ondertoon. Hier voegt zich de vetiver bij. Gaat goed. Gaat nog beter in de follow up – een warme combi van cistus labdanum en iris (die je afwisselend ruikt) gekoppeld aan een mooie houttoets (sandel).
Zijn we pas op de helft. Lekker om te ruiken hoe de groene frisheid wordt vastgehouden tot de nasleep, want de munt-tijm-mix vloeit over in een schel-etherische jus van jeneverbes. Helder en toch warm. Laatste komt grotendeels op conto van de donkergroene en donkerbruine ondertonen: leer, tabak, eikenmos.
Klassieke macho-chic op niveau gebracht door zoetzachte benzoïne en dropachtige strobloem (vraag me alleen af of strobloem al in 1914 werd gebruikt in de parfumindustrie). Opvallend: op het eind ruik je haast geen vetiver meer, maar omdat het zich zo vanzelfsprekend in het begin heeft gemanifesteerd, mis je hem niet door die intense ondertonen.
Maria van www.parfumaria.com omschrijft Vétiver Royal Bourbon als een ‘boudoir-vetiver’. Eigenlijk heel goed getroffen. In de zin dat de vetiver door Oriza L. Legrand elegant en dandy-like wordt behandeld: vol, genereus en duidelijk waarneembaar voor anderen na het sprayen bij jezelf. En tegelijkertijd erg platteland door de frishheid van versgeplukte kruiden: ‘boerderij-vetiver’.
In ieder geval geen uit de grond getrokken vetiver, zoals die van Hiram Green, geen cliché-vetiver zoals die van Tom Ford en de remake van Guerlain uit 2000 (wordt die nog gemaakt of is Guerlain teruggekomen op de oude versie?), maar geraffineerd in de zin van bewerkt.
Het schijnt dat veel mensen bij een geur worden aangetrokken door de flacon en uitstraling van het merk. ‘Velen’ vinden Oriza L. Legrand daarom ouderwets en haken daardoor af. Jammer. Laat ze Vétiver Royal Bourbon blind ruiken, en ik weet bijna zeker dat ze denken met een heel hip, klein en vernieuwend nichemerk vandoen hebben.
Ik vind de kreet inmiddels behoorlijk sleets en doorgedraaid cliché: blij als een kind in de snoepwinkel. Toch spookte het door mijn hoofd, toen ik een doos – die me telefonisch was aangekondigd – kreeg ‘vol met oude geuren, dus die zullen waarschijnlijk niet meer goed zijn’ van de aangetrouwde tante Gerda (van mijn partner).
Die had de inhoud uit de nalatenschap van haar enkele jaren geleden overleden zus. Wat moest de familie ermee? Niemand was echt geïnteresseerd. Gerda dacht eigenlijk direct aan mij – ze had me een tijdje geleden al drie flessen j’adore gegeven, die ze had gekregen voor Moederdag. Vond ze niet lekker. Wel la vi est belle. Dat zei ze toen ik belde om haar te bedanken. Tijdens dit onderhoud vertelde ze dat haar zusters man voor zijn werk de hele wereld rondvloog en bij terugkeer altijd een geur voor haar meenam. Gezien haar eigen desinteresse in geuren, kon Gerda me niet vertellen wat de favorieten van haar zus waren geweest en welk ze ook nog ‘buiten de doos’ had gebruikt. Bij opening werd ik niet teleurgesteld – ik had al zo’n vaag vermoeden. In chronologische volgorde:
Arpège Lanvin (1927) extract
Ma Griffe Carven (1946) eau de toilette
Madame Rochas (1961) eau de toilette
Eleven Atkinsons (1964) eau de cologne
Rive Gauche Yves Saint Laurent extract & eau de toilette
Vivre Molyneux (1971) extract & eau de toilette
Farouche Nina Ricci (1973) eau de toilette
First Van Cleef & Arpels (1976) extract
Anaïs Anaïs Cacharel (1978) eau de toilette
Paris Yves Saint Laurent (1983) eau de toilette
Het fijne: sommige zijn ongeopend, andere wel maar nog niet gebruikt. Het fijne: gezien de badge-nummers aan de onderkant (sommige verpakkingen hebben er zelfs geen), betekent dat het originele formules betreft. Dat ruik je heel goed aan: Ma Griffe – dat was nog eens groen, de galbanum spettert je in de opening tegemoet. Ook Rive Gauche schittert zoals het hoort: een heldere bloemenweelde waarvan de bladeren lichtjes zijn besprenkeld met aldehyden. Anaïs Anaïs: ook zoiets. Je ruikt je de ware charme weer van de geur.
De zus van Gerda hield blijkbaar het meest/of het minst van Madame: haar man heeft het in ieder geval minstens zeven keer voor haar gekocht (vaak aan boord van een KLM-vlucht). Heel mooi qua verpakking: het extract van Vivre. Een goed voorbeeld dat je met plastic ook ‘modern artistiek verantwoord design’ kunt verenigen met de klassieke esthetiek die het parfum over het algemeen kenmerkt. De grootste verrassing is toch wel het extract van Rive Gauche. Ik wist van zijn bestaan. Ook nog niet gebruikt. Die ga ik snel met een echte geurengek officieel openen – het geheel zal gefilmd worden.
Ga denk ik binnenkort eens kijken, wat deze geuren doen op Ebay of andere sites. En wie met een goed argument komt, waarom zij/hij de vintageversie van Rochas’ Madame absoluut moet hebben: ik schenk een (misschien wel twee) aan diegene(n) die met ‘het juiste antwoord’ komt.
Als dank ga ik voor Gerda een upcycle parfum sur mesure maken, met la vi est belle als uitgangspunt, maar dan beter: dus een hele mooie iris ‘verwennen’ met witte bloemen omringd door gourmand- en amberachtige noten en geschraagd door aldehyden.
Dat is toch vreemd, of eerder gezegd bizar: www je voor de geur Calypso dan verschijnt als eerste de site waarvan het verhaal gaat dat ze alleen maar neppers leveren: www.notino.com. Ik heb het er al een keer over gehad in parfumpraatje met www.parfumaria.com. Ook de tweede die verschijnt ‘belooft’ niet veel goeds: www.hbb24.nl. Nooit van gehoord. Pas op de achtste plaats komt www.robertpiguetparfums.
En die weet iets te vermelden wat ik nog niet wist terwijl ik toch enigszins op de hoogte ben van de Griekse en Romeinse goden. Calypso was een nimf (dochter van de Titan Atlas) die resideerde op het mythische eiland Ogygia waar ze Odysseus jarenlang vasthield tijdens zijn omzwervingen na de val van Troje. Niet voor eeuwig, want oppergod Zeus bevool haar hem vrij te laten. Dat doe je dan netjes, wil je zelf niet door de toorn van hem getroffen worden.
En ik maar in mijn onmetelijke wijsheid denken dat calypso in eerste instantie gewoon een lekkere dans was, gelijk een samba en/of rimba. De ‘erfgenamen’ van couturier Robert Piguet, speelden met deze tweeërlei betekenissen in de oorspronkelijke promotiecampagne. Zoals blijkt uit een Spaanse advertentie: ‘Het is geen dans, het is geen mythologische nymf, het is het nieuwe parfum van Robert Piguet’. Kijk, dat noem ik smart en humoristisch, iets waar het de laatste tijd nogal aan ontbreekt in de constant zichzelf feliciterende wereld van niche.
WAT CALYPSO IK EIGENLIJK?
In ieder geval: helaas heb ik de oerversie nooit geroken (doe ik als het me lukt om weer een afspraak te maken in de Osmothèque van Versailles), maar die klinkt op papier interessanter en meer resoluut dan de nieuwe: galbanum en citrusnoten die via een door anjer gestuurd bloemboeket naar een basis afglijdt die wordt gekenmerkt door een über-injectie van dierlijke noten: civet, ambergris en suède.
De nieuwe versie doet volgens mij geen enkele poging om het origineel te benaderen. Wat je krijgt is een voorwaar zeer aangename ambergeur die alleen netjes het nichetraject van nu volgt: enigszins present-opulent – je krijgt een smeuïg, beetje naar ‘benzoïne-gourmand’ neigend parfum dat er gewoon is, zo een waarvan je zegt om iemand te complimenteren met ‘wat ruik je lekker zeg!’ En dan maar hopen dat die geste gewaardeerd wordt. Van Calypso val je niet van je stoel. Nu hoeft dat ook niet, maar gezien de vintage-status van Robert Piguet dan toch weer wel. Zeker in het geval van een herlancering.
En eerlijk gezegd, ik word een beetje amber-gourmand-moe. Hoewel in 2010 gelanceerd, waren er volgens mij toen ook al tig geuren die roos combineren met iris en patchoeli, en eindigen met een velvety touch. Wat Calypso wellicht onderscheidt is de nadruk op suède. Wat ik vooral jammer vind is de niet-opening, terwijl dat nu juist kenmerkend is voor vintage Piguet. Ik bedoel: tegen de green-greener-greenest opening van Bandit (1945) zeg ik nog steeds ‘u’.
En wat www.robertpiguetparfums verder vermeldt, deel ik niet: ‘A composition of exotic character and emotion’. Wat is exotisch aan iets wat al common knowlegde is in de parfumerie: amber/oriëntaalse geuren? De geur wordt uitgeleide gedaan met ‘lively, distinct, and unique, Calypso lingers in the memory like a haunting siren’s call’. Lively: niet echt, de compositie sprankelt in geen enkel opzicht – één en al comfortabele kasjmier-warmte. Unique: hebben we het niet over. Siren’s call: ik snap de link met de mythologie, maar zo gevaarlijk, ‘ruiken op eigen risico’ is Calypso niet. Was het maar waar.
Ik las op www.basenotes.com een anlyse van ‘gimmegreen’ die perfect met mijn bevindingen overeenkomt: ‘Een ‘oud geld’-begin – discreet, gereserveerd. Men denkt: een bloemige delicatesse met lippenstiftondertonen van iris en de zachte streling van suède. Helaas, na korte tijd, blijft er een zo-zo huid-knuffelend zoetig suède achter – en mijn neus moet zich inspannen om dat zelfs te vangen’.
Ik heb er al eerder over geschreven, namelijk de trend om vreemde kostgangers, dieren die we over het algemeen niet associëren met ‘lekkere geuren’ te vernoemen naar en/of te verwerken in composities. Er is één merk die hier – bijna – patent op heeft. Inderdaad what’s in a name: Zoologist. Dit is nou een van die nichehuizen die – gelukkig – onderkent dat het weinig zin heeft om als nieuwkomer more of the same te presenteren. Dat je je niet onderscheidt met de zoveelste variatie op jasmijn, citrus, witte bloemen, patchoeli en gaap-gaap zo maar door. Veel beter: een originele invalshoek gecombineerd met geuren die hiermee overeenstemmen. Dat wil niet zeggen dat je compositorisch per definitie andere geuren krijgt, maar wel een andere beleving waardoor je ze anders gaat appreciëren en ervaren.
En toch blijft het merk dichtbij huis. Zoologist kiest voor een variatie op een van de geliefdste en inmiddels dus slaapverwekkendste inspiratiebronnen: van tuin naar dierentuin. Wat daar ‘zo al’ op onvrijwillige basis in cirkels rondloopt of rondvliegt met beperkte actieradius, gecombineerd met nog niet gevangen exotische fauna of miljoenen jaren geleden uitgestorven pechvogels, heeft Zoologist gevangen in geuren. Hoe ruiken dus Moth, Beaver, Camel, Dragonfly, Hyrax, Macaque, Nightingale, Panda, Rhinoceros, Tyrannosaurus Rex?
Ik heb tijdje geleden al Bat geroken en moest denken aan, heel vreemd, vijg. En is er Civet – om meer meerdere reden een van mijn favoriete ingrediënten. Weten waarom? Tik de naam van dit katachtige dier op het zoekmenu op mijn blog… Met name het artikel Gouden geur uit onze Gouden Eeuw. Dan word je ook duidelijk waarom de neus, Shelley Waddington, koffie aan Civet heeft toegevoegd.
WAT CIVET IK EIGENLIJK?
Zoals bekend, hadden/hebben echte dierlijke ingrediënten (civet, musk, bevergeil, grijze amber) in tinctuurvorm het vermogen een compositie te fixeren maar ook om het algemene karakter te versterken, en diepte en warmte te geven. We praten dan over minuscule hoeveelheden: 001 ml op 100ml. Noem je een geur Civet, dan verwacht ik op zijn minst 002 ml of nog meer. Maar dat gebeurt dus niet.
Dan de rest: ook hier ervaar ik veel minder dan ik eigenlijk zou moeten/willen ruiken afgaande op de ingrediënten. Zijn er nogal wat. Top: bergamot, zwarte peper, citroen, sinaasappel, ‘specerijen’, dragon. Le coeur: anjer, frangipani, heliotroop, hyacint, lindebloesem, tuberoos, ylang-ylang. Basis: balsem, civet, koffie, wierook, labdanum, musk, eikenmos, ‘harsen’, Russisch leer, vanille, vetiver, woods. Als ik deze smaakmakers stuk voor stuk hardop zeg, dan ruik ik in gedachten een vintage-bom van heb-ik-me-jou-daar (denk Bal à Versailles van Jean Desprez) of een andere klassieke chypre uit de jaren dertig, veertig en vijftig van de vorige eeuw – zoals vintage Miss Dior.
Grappig genoeg is dat ook het uitgangspunt van Zoologist, want naast een eerbetoon aan dit ‘eeuwenoude ingrediënt’ eert Bat ook ‘chypre-parfums van weleer die weigerden te worden geïntimideerd door rauw, aanlokkelijk en dierlijk civet. Civet is een humeurig en complex brouwsel verweven in mysterie. Het opent met een pittig bloemakkoord, doordrongen met donkere koffietonen. Langzaam sluipt het naar voren, ontrafelt basistonen van leer, mos en vanille die zich in combinatie met kenmerkend civetnoten tot een verbijsterende, verfijnde geur met de belofte van een zwoele nachtelijke rendez-vous’.
Alleen ik ruik het allemaal niet, gezien de hoeveelheid ingrediënten natuurlijk onmogelijk – maar ik had graag bijvoorbeeld de peper, de bloemencombi en een aantal noten uit de dry down geroken. Wat ik ruik is een vol, gul, gouden amberachtig parfum met een gladde en getemde civet-injectie.
Wat ontbreekt zijn de nuances, wonderlijke ondertonen die samen aan het werken zijn om tot een harmonieus eindgeheel te komen. Dat van de bloemen vind ik vooral jammer – alsof die in knop nog niet ontloken in de amberbasis zijn gevallen. Wat het effect is van de frisse hyacint en zonnig lindebloesem op de anjer, ylang-ylang en tuberoos… ik ervaar het niet echt. Ook de frangipani niet. Het kan ook zijn, dat ik teveel verwacht en geen geduld heb. Misschien moet ik opnieuw, minder bevooroordeeld de geur instappen. Ik ga het snel proberen, door een fles te kopen, want een monstertje van 3 ml dekt natuurlijk nooit de hele lading.
Maar voor wie civet vreemd is, kan het ‘best schrikken’ zijn. Of misschien geeft de geur bij haar/ hem juist een gevoel van tevredenheid, harmonie en ‘lekker in je vel zitten’. Wat uiteindelijk toch meer voldoening geeft dan een geur alleen maar lekker vinden. Want dat is volgens mij een van de mooie dingen aan dierlijke ingrediënten – ze geven op onbewust nóg meer een gevoel van verbonden zijn met aarde en de natuur. Iets waar heel veel mensen (hele generaties eigenlijk) vervreemd van zijn geraakt door de mainstream cleane witte musk/witte houtgeuren van de laatste decennia wel of niet versierd met een toefje gourmand, een vleugje ambergris, een scheutje cognac, een bloemeke hier, een kruidje daar. Tijd voor een (hernieuwde) kennismaking in deze zou je denken. Bat is dan in ieder geval een goede start.
PS: Ik snap wel dat de geur prijzen heeft gewonnen, niet meer dan logisch. Maar dat is volgens mij meer ingegeven om de ingeslapen über-gemarkete parfumwereld wakker te schudden, dan de compositie an sich. Want Bat blijft ondanks alles toch very vintage. Niets op tegen. Het is weer een bevestiging voor mij van de beperktheid van de olfactorische mogelijkheden die de parfumeur heeft, dat meer de creatieve invalshoek – alhoewel de sfeerfoto met model wel heel knullig en cliché is – wordt beloond.