Een freelance collega-vriend (specialiteit beauty voor mannen) ‘klaagde’ eens bij mij over zijn beperkte onderwerpkeuze: ondanks het overstelpende geuraanbod kwam het er vaak op neer dat hij alleen maar beproefde recepten mocht opsommen in zijn ‘stukjes’.
Dat betekende dus heel vaak voor mannen: houtgeuren, dus vetiver. Vond ik ook jammer, want naast de hoeveelheid shit – al van het verschijnsel shitification gehoord? – verschijnt er nog steeds veel moois, veel heftigs en veel ‘verschrikkelijks’ (in de goede zin van het woord).
Maar toch moet ik ‘bekennen’: ik kom na omzwervingen regelmatig terug bij vetiver. Nu gebeurt er op dat gebied nu niet veel spannends. Dacht ik. Tot ik weer eens bij www.parfumaria.com kwam (had een vriend getrakteerd op een afspraak). Zoals gewoonlijk bij haar: eerst overvallen door een depressief gemoed door het ‘intimiderende’ aanbod, werd ik allengs enthousiast. Mijn voornemen om ‘lekker veilig’ Bandit te kopen, toch een van mijn all time favorites, lonkte naar mij na een paar door Maria voorgestelde geuren (kom ik op terug) Parfum d’Empire. Ze had me dus niet verteld dat de neus achter dit merk Marc-Antoine Corticchiato zich al in 2022 over deze edele wortel had gebogen.
Ik doe de dop van de fles, spray Vétiver Bourbon op mijn linkerpols en… godverdomme, wat een geweldige opening: aarde, ruw, vochtig mos, donker, rokerig, puur, natuur en ‘ongemanierd’. Vetiver in al zijn diverse aardse kracht. Ik sluit me bij de maker aan: ‘Vetiver hier omarmt zijn inherente robuustheid. En sterker nog: zijn mannelijkheid. Hoewel al decennialang een vaste waarde in herengeuren, betreft het meestal een beleefde, verfijnde en ingetogen vorm. Vétiver Bourbon bevrijdt de vetiver van zijn al te beschaafde manieren om zijn oorspronkelijke elegantie te herstellen. Een ingrediënt dat in zijn ruwe staat een geur op zich is, uniek en contrastrijk’.
Klopt als een bus. Want wordt bij veel vetivergeuren de frisse kant ervan benadrukt door het te begeleiden met veel frisse noten, Corticchiato lijkt het met aarde en al uit de grond te hebben getrokken. Niks geen beschaafd getut. Eerst even de muskachtige noot van engelwortel (hier kruidig licht honingachtig), die wordt gesmoord door Bourbon en Haïtiaans vetiver die samen een aards, donkergroen spoor trekken.
Prachtig versterkt door de iris die als het ware de ‘aards-vochtige’ ondertoon versterkt: stoer en elegant tegelijkertijd. Ook goed waarneembaar: kruidnagel. Geeft een zwoel-droge toets. Strak en beheerst. Ambrette (hier dierlijk, zoet, leer- en likeur-achtig) maakt de geur wat losser en sensueler, maar stelt zich niet aan, door de milde dosering. Hier wil ik wel een bodysplash op water-oliebasis (had ik ooit van Guerlains Vetiver) van. Of twee. Of drie.
Een veel gehoorde klacht, die ik ook regelmatig heb: bedrijven die telefonisch niet meer bereikbaar zijn en zich verbergen achter een emailadres of je vragen te laten beantwoorden door zo’n kunstmatige intelligentie-trut – in negen van de tien gevallen onbevredigend. Mijn recente ervaring in deze: Yves Rocher. Vroeger makkelijk te bereiken via een pr-bureau maar sinds ze alleen maar online verkopen in Nederland, hebben ze daar de stekker ook uitgetrokken.
Zit zo: ik had een door mij te lang over het hoofd geziene klassieker van Rocher besproken – Cléa. Daar wou ik het van de op de hoogte stellen vanuit een soort van fatsoen plus de vraag of ze me een proefpakketje wouden toesturen van een lijn – Plein Natures voorheen Eau de Parfum Collection – die zo op het eerste oog lijkt te zijn geïnspireerd door Guerlains Aqua Allegoria-lijn.
In het bijzonder: Verte Envolée (net verschenen) ademt voor mijn gevoel behoorlijk Herba Fresca. Is wel weer zo’n lekker ‘typisch Frans’ parfum-poëtisch-gevalletje. Google Translate zegt: Groene Stijging. Ik hou het meer op Vervlogen Groen, of is het nu Weggevlogen Groen?
Ik zie het beeld wel voor me: trillend groen bedauwd gebladerte dat door een voorjaarszuchtje wind wordt opgetild en in de lucht in het niets verdwijnt. Misschien moet ik dit abstracte idee van groen zelf maken met behulp van AI Art. Ik vul dan mijn bovenstaande omschrijving in. Maar heb daar eigenlijk te weinig tijd voor. Even kijken wat Google Search geeft. Levert één beeld op dat in de buurt komt. ‘Dan maar’ in het Engels: ‘vibrant green dewy foliage lifted by a spring breeze and vanishing into thin air’. Meerdere opties, ‘Een zomertuin bij een boerderij’ benadert het idee het dichtst.
Wel een soort van blij met Verte Envolée omdat er niet veel groene geuren verschijnen. Lijkt wel of mensen er bang voor zijn. Viel me afgelopen weekend op – deze analyse wordt nu onderbroken voor een reclameboodschap: ontdek Upcycle Pop Up WeekendWinkel van #erikmaartenjeroenzwaga. Leidsegracht 38-40. Zat/Zon 10-18.00. Mode. Meubels. Parfums. Kunst. Delicatessen & Meer Moois. Einde boodschap – als mensen zeggen dat ze van frisse geuren houden en ik zeg dat naast eau de cologne, groen ook een fris en ontspannen sensatie kan geven, reageren ze na proberen vaak aangenaam verrast.
In ieder geval. Kwalitatief zijn Rochers geuren goed, omdat ze ervaren neuzen inhuren. Voor Verte Envolée is dat Sophie Labbé: heeft heel wat successen van Ferragamo, Versace, Kenzo, Sander en Boss op haar naam staan. Ook absurd overbodige, zoals Lanvins A Girl in Capri uit 2019 – why? Daar staat Cologne du 68van Guerlain tegenover. Dat dan wel weer wel.
Er zit zowaar een verhaal achter: een tripje van Labbé naar de theeplantages van Sri Lanka – toe maar! ‘The wind blows through the wild grass, a green landscape animates, a feeling of energy radiates’. Hoeveel bomen zou ze ter compensatie hebben laten planten?
Yves Rocher voegt toe: ‘Voel met je vingertoppen het wilde kruid dat zachtjes door de wind gewiegd wordt. Adem in. Ren. Loop weg. Ver. Hard. Om je vrij en energiek te voelen en om je batterijen opnieuw op te laden in de wervelende natuur’. Met de extra vermelding dat het ‘een opmerkelijke damesgeur’ is – this 2023 man! Wat een feel good-getut, hou daar eens mee op!
Ik moet zelf aan een plensbui denken die de warmte doorsnijdt op een zomerdag. Wel grappig: met een beetje fantasie ruik je een zweem van groene thee door de hele geur heen. Blijkt dus (gewone) zwarte thee te zijn. Lekker! Maar eerst is er de opening: een uitbarsting van prikkelend kruidig groen. Kan van alles zijn voor mijn gevoel: een bundeling van Italiaanse kruiden, een vleugje galbanum met direct al op de achtergrond een noot zwevend tussen hout en stro. Ook lekker!
Dan maken de citrusnoten hun opwachting: meer citroen, minder bergamot met een dorstlessend effect. ‘Hé, roosje, mijn roosje, hoe is het met je, je bloeit hier zo lekker bescheiden in het zonnetje – goed gevoel!’ Dan de afronding: een mix van witte musk en without. Iets te veel witte musk voor mijn gevoel – maar vergeet niet dat Guerlain zijn klassieke Aqua Allegoria’s ook een extra witte musk-injectie heeft gegeven. Niet altijd in het voordeel van de composities werkend.
Conclusie: goede geur zeker wat prijs betreft, nog zekerder als die in de aanbieding is. Geeft mij hetzelfde voldane gevoel als Thé Vert waar ik jaarlijks op zo’n minst één flacon van leegspuit als lichaams- en interieurgeur.
Ik had de laatste tijd een, discussie is een groot woord, gedachtewisseling met www.parfumaria.com over La Collection Particulière de Christian Dior. Dit naar aanleiding van Vanilla Diorama (2021). Zijn deze geuren nog als niche te omschrijven? Moeilijk. Moeilijk. Ja: gezien de kwaliteit aan ingrediënten. Nee: gezien, het wel heel erg breed uitzetten van deze lijn op socials en winkelvloeren van luxe warenhuizen. Drie jaar geleden zag ik bij Macy’s New York dat zelfs de liften van top tot teen driedimensionaal met flat screens ‘gevuld’ waren met daarop de diverse geuren volop in ‘bloeiende’ beweging‘. Indrukwekkend.
Maar moet dat nu? Ik vind, misschien old school gedacht, dat je niche zelf moet ontdekken. En dat je je hierbij niet direct door grote namen moet laten leiden. En dat is met Dior natuurlijk onmogelijk. Die kom je werkelijk overal tegen tegenwoordig. Online en ook in het echt – as we speak is er wel ergens een mega-expositie waarin de wereld van Dior in full splendor wordt geëtaleerd.
Met zo’n naam – die bij een heel groot publiek garant staat voor vertrouwd, zekerheid en kwaliteit – kun je wat geuren betreft niet helemaal losgaan. Zegt men. Moet je toch binnen het klassieke kader blijven. Vind men. Het grote publiek mag het dan als niche zien, voor perfume insiders blijft het categorie prestige.
Wat me opvalt: de spagaat in de naamgeving bij La Collection Particulière. Van de ene kant poëtisch en daardoor sort of nieuwsgierigmakend: Balade Sauvage, Belle de Jour, Jardin des Anges, Rose Gipsy, Sakura en Souffle de Soi. Van de andere kant: niet moeilijk doen, gewoon sec bij de naam noemen: Purple Oud, Santal Noir en Thé Cachemire (allemaal uit 20217). En dan af en toe een geur die met de naam speelt en/of aan het leven van de couturier refereert: Diorissima (idem). Wat is de toegevoegde waarde van de laatste? We hadden toch al Dioramaen Diorissimo?
Imaginair toetje
In deze categorie valt ook Vanilla Diorama. In verband met een journalistiek artikel ‘moest’ ik ooit twee boeken over het leven van monsieur Dior lezen, maar het is me niet bijgebleven dat VanillaDiorama een van zijn favoriete desserts was. Misschien heb ik er wel overheen gelezen want: er niet echt op naar zoek. Hij schijnt zo te zijn dat het restaurant Maxim’s Paris dit dessert speciaal voor hem heeft gemaakt.
Alleen – hoe kan dat nou? – er bestaat volgens Dior geen afbeelding of gedetailleerde beschrijving. Vind ik op zijn zachtst gezegd vreemd. Een restaurant met zo’n reputatie en legendarische clientèle, die bewaart uit trots en historisch besef toch al zijn ‘geheimen’? Ik zou zeggen: dieper graven. Anyway, de geur haakt slim op de nog steeds populaire gourmandtrend.
En de storytelling begrijpt iedereen. Terzijde: ik weet het niet meer, maar wordt het bij de counters in de parfumerie nog gedaan – een ontstaansverhaal vertellen? Onmogelijk volgens mij. Neem alleen de verhalen van alle Diorgeuren. Je kunt je afvragen of klanten nog geïnteresseerd zijn. Het is volgens mij eerder een dingetje waar de marketingafdeling geen afscheid van kan nemen. Want het staat anders zo kaal voor de pers en influencers.
Une amuse gueule pour monsieur Dior
Vanilla Diorama is precies hoe vanille als een prestige/niche-geur moet ruiken: zoet, zeer zoet, royaal, romig, smeuïg met een houtaccent om niet te glad, te plat en te eendimensionaal te eindigen. Leuk de opening: alsof je door een lichte citrusregen van sinaasappel en citroen heen, de vanille ruikt. Maar gelukkig ruik je meer: kardemon en roze peper geven een extra kickstart.
Het houtaccent in dit geval is patchoeli en sandelhout. Samen resulteert dat in een mooie warme amber-ondertoon die ervoor zorgt dat de zoetheid niet uit de bocht vliegt en die op het eind een poederig effect garandeert. Ik bespeur ook een lichte rum-noot (of is dit verbeelding?) Het geeft het geheel een licht tropisch zwoel effect zonder dat het te tropical, te Escada-zomergeurcocktail wordt.
Conclusie: het klopt allemaal, maar het geheel is ook saai en braaf. Maar dat is typisch François Demachy, ‘de ambtenaar’ onder de neuzen. Hij verstaat zijn vak, maar het gaat allemaal langs de lijnen der geleidelijkheid, volgens beproefd recept.
Daarom ben ik benieuwd naar de opvolger van Demachy – hij gaat met pensioen: Francis Kurkdjian. Wordt hij schatbewaarder of krijgt hij kans om zijn creatieve kant te benadrukken en écht te verbazen? Met dien verstande dat parfumcreatie nu wel zijn beperkingen en grenzen heeft bereikt (van AI moet wat dat betreft ook niet te veel verwacht worden). Innovatie en vernieuwing in parfumcreatie is nu vooral een kwestie van hoe je naar het metier kijkt. Ooit zette Dior de trend in plaats van ze te volgen. Hopelijk krijgt Kurkdjian ook die kans.
Pfff, ga er maar eens aan staan als startend nichehouse zonder een backer die garant staat voor miljoenen: hoe krijg ik de geuren op de juiste plek, op de juiste hoogte, op de juiste plank, in de juiste winkels? Want het aanbod (ook van nieuwe merken) is zoals bekend overweldigend. Waarom zouden je juist jou nu net kiezen? Het antwoord: hard werken en doorgaan en doorgaan en doorgaan.
Fugazzi opgericht in 2018, is een jong Nederlands nichebrand die zich onderscheidt van zijn lokale concurrenten door het ontbreken van gewichtigheid, ‘verhevenheid’ en filosofische drukdoenerij. Ook leuk: denk je bij veel merken betreffende hun ‘verantwoording’ en commitment dat ze een charitatief project leiden, bij Bram Niessink, ‘de man achter’, is het duidelijk dat hij er ook geld mee wil verdienen.
Mooi natuurlijk, maar geen garantie dat de verkoop als een tierelier gaat. Dus doet Niessink wat je een jaar of vijftien geleden voorzichtig zag opkomen: modewinkels met een duidelijk eigen signatuur, die voegen aan hun kleding geuren toe die in lijn liggen met, ga er maar vanuit, hun verkochte high end-merken.
Dit is een slimme ‘verkooptruc’, want als een verkoper je aan de juiste kleren heeft geholpen, neem je zijn geuradviezen ook serieus – moet je er wel gevoelig voor zijn. Ik weet alleen niet of door de hoge vlucht van online-aankoop dit soort service nog geleverd kan worden; wordt. Je wil er als ware toch bij zijn als je na je aangekochte nieuwe outfit een matching geur krijgt voorgesteld.
Hoe het ook zij, Fugazzi heeft onlangs voor een winkelconcept een geurkwartet geleverd: Smooth Suede, Vibrant Velvet, Lush Linen en Cashmere Comfort. Naam de winkel: Four. Als ik het goed heb begrepen, dan wordt Four beschouwd als een van de meest high-end winkelervaringen van Amsterdam. Hun filosofie: de beste kwaliteit vrijetijdskledinglabels aanbieden die de markt te bieden heeft. Men neme: Tom Ford, Balenciaga, Maison Margiela, Krien, Prada, Daily Paper, Four (ze hebben onlangs hun naam veranderd in een nieuw merk), Palm Angels, Rick Owens.
De gedachte achter deze samenwerking: elke geur vertaalt een geliefde stof/materiaal. Voor Smooth Suede is dat inderdaad suède, voor Vibrant Velvet – yep – fluweel, voor Lush Linen – klopt – linnen en voor Cashmere Comfort – need we say more – kasjmier.
De overeenkomst (overbodig om te vermelden, maar toch): de kwaliteit van de grondstoffen die zijn geassembleerd tot draagbare, comfortabele en, in a way, easy-to-wear geuren. Schreeuwen doen ze niet (mag ook niet ‘bij’ vrijetijdskleding) waardoor dit kwartet niet aanstellerig niche wordt, maar je ruikt direct dat ze uit het upper scale department komen.
WAT ‘FAB FOUR’ IK EIGENLIJK?
Smooth Suede. Overall impression: zachter dan zacht met een aardse resonantie, alsof je een pasgeboren lammetje streelt. Frisse accenten van lavendel en rozemarijn introduceren een opvallende suède-imprint omringd door zoet-groenbloemige accenten van basilicum, geranium en cyclaam. Een spoor van eik, patchoeli en oud, ondergaat een oosterse sensatie van tonkaboon en amber, en maakt het totaalplaatje van supersuède af. Leuk is ook dat die groene accenten door het suède heen blijven ‘steken’.
Vibrant Velvet. Kort maar krachtig. Poederachtige noten van iris – zowel poederig, koel als aards – voorafgegaan door een peperig-frisse toets. Een opmaat voor groenige nuances van salie en vetiver (onverwachte, mooie combi) vloeien samen in een superzachte melange van melkachtig sandelhout, warm amber en poederig musk.
Lush Linen. Een zacht briesje door je ziel en je favoriete kleding. Linnen vertaald in een geur vraagt om casual frisheid met een katoenachtig gevoel. Fugazzi vermengt heel subtiel citrustonen met zachte bloemen (alsof de roos en het viooltje slapen) en ‘skin-like’ ingrediënten. Stel je voor: zacht hout, ‘katoenbloemen’ en witte musk op een bedje van mos en alsem.
Cashmere Comfort: een schaduw van warmte tijdens een herfstdag. Eerst de verse druppels van Calabrisch bergamot en zoete Damascusroos, overgaand in de droge houtachtige noten van cederhout en iris. Dit mondt uit in een allesomvattende ‘veiligheidsdeken’ van kasjmier, leer, musk en ‘zwarte amber’. Gewoon goed.
En als je nou denkt: ‘Wat vreemd, er zit helemaal geen oudh-geur tussen.’ No worries. Hiervoor moet je bij Amsterdam Vintage Watches zijn. Hiervoor creëerde Niessink een limited edition genaamd – let op de woordspeling – Watch Oudh. Want bij een vintage horloge, hoort volgens Bram Niessink een gedistingeerde geur en die moet nu conform de trend oudh bevatten. Een overtuigende exercitie. Watch Oudh (geleverd in parfum-extract) wordt geïntroduceerd met een explosie van bergamot, verrijkt met tabak doordrenkte rozen en verzacht met een delicaat spoor van amber, musk en sandelhout.
Wat vooral opvalt is de zoete ‘tabaksroos’ die naar voren komt en die lekker ‘vloeibaar’ blijft hangen, ondersteund door oudh. Uitgesproken maar ambigu. Dus – overbodig om te zeggen, maar toch – ook zeer geschikt voor de vrouw op zoek naar een vintage horloge, zoals bijvoorbeeld een Cadenas van Van Cleef & Arpels.
Bladeren vallen. Gedachten vallen. Gedichten vallen. Het stormt. En niet alleen veroorzaakt door de natuur: gedachten/meningen worden nodeloos/hopeloos tegenover elkaar gezet, en door social media uitvergroot – een opblazen meestal niet in verhouding staand tot de nieuwswaarde.
Interessant: ook op fronten waar je het niet verwacht worden de messen geslepen. Wel of niet gedreven door ‘woke-warriors’, wordt van collega’s verwacht dat je stelling neemt, waardoor je in een keer het begrip ‘concullega’s’ begrijpt.
‘Nou, kom op Geurengoeroe, make your point!’ Oké: geldt dit opwerpen van barricaden ook al in de parfumwereld? Geurengoeroe zegt: ‘Comptez maar van oui!’ Nee, ik hint dan niet op wel of niet met mondkapje een geur testen. Wat, by the way in dit geval werkt – mocht je er überhaupt zin in hebben: eerst een geur in het mondkapje sprayen, dan opzetten en dan inhaleren maar.
Wel ‘een dingetje/discussie’ dat zich leent voor ophitsen, tot een scheiding der geesten: puur natuur versus synthetisch. Alleen welke aanhang staat dan aan de linker- dan wel rechterkant van het politieke spectrum? Want als alles politiek is, dan parfum ook. Weg met het politiek correcte parfumgeleut – ‘Nou, mij maakt het niet uit, als je de geur maar lekker vindt – toch, niet dan?’
Lang verhaal kort: lange tijd maakte het mij ook geen ene mallemoer uit, ‘als de geur maar’ enz. enz. Maar sinds kort – lees: jaar of drie – word ik zo ‘ik-stop-met-geurengoeroe’-moe van al die voorspelbare variaties op marketingthema’s die oude en zelfs nieuwe merken als dé nieuwste geursensatie sinds lang presenteren. Neem het wonderhout 2.0 oud(h): als Axe het in zijn deodorant stopt… Neem, de hinderlijk synthetische nasleep van geuren die een warm, security blanket-gevoel moeten schenken: je ogen gaan er scheel van staan.
En dan, zonder het in de gaten te hebben omdat je er niet bewust bij stilstaat (‘je gaat af op je gevoel’), haal je de meeste voldoening niet uit een über-georkestreerde geur maar wel uit een etherische olie. Want, waarom koop ik de laatste tijd steeds vaker bij de biologische winkel een klein pipetflesje met een dergelijke olie? Onlangs nog een co2-versie van ‘ingedikte koffieprut’ – jeetje dat ruikt goed. Terwijl ik koffie in een geur maar zo-zo vindt.
Heb mijn doos met tweedehands etherische oliën er ook maar weer eens bij gepakt – jeetje de mandarijn is zo zonnig zoet. De lavendel – jeetje zo vind ik haar wel lekker. Even mijn fles geopend gevuld met diverse vanillegeuren uit het hoogste prijssegment aangevuld met iets te veel druppels komijn-olie – jeetje, daar moet echt nog iets bij.
Misschien Vert van Bruno Acampora? Onlangs gekocht tijdens mijn vetiver-heimwee-stemming en, omdat ik me, zoals reeds geschreven, meer in essences/oliën wil verdiepen.
Nee, dat is toch zonde. En: er zijn grenzen. Sommige geuren meng je niet, toch? Alhoewel, wat zit ik te miepen! Bruno Acampora, stimuleert het zelf zelfs. Ik kreeg er wat proefjes bij met andere essences uit de Acampora-collectie. Zoals Jasmin T Perfume Oil (1978). Ik had’m al vaker geroken, maar wat maakt juist cyclaam deze jasmijn toch bijzonder. Ik moet denken aan het fijnste fluweel waar de zon op schijnt… Maar terug naar Vert. Is dus heel erg vetiver. Hoewel recent, 2016, voldoet hij helemaal aan de ‘Acampora-doctrine’: dus overrompelend, vol en met zo weinig mogelijk extra ingrediënten de essentie van één vervolmaken, polijsten, het begrip soliflor ontstijgend.
Ik ben natuurlijk bevooroordeeld (ik voel met het prettigste met een groene geur) en de geur beantwoordt aan mijn behoefte naar essences. Maar jeetje, wat is Vert wonderlijk: het combineert hout met groen en aarde, prikkelt (een ‘droge’ peper) en is kruidig (een ‘droge’ nootmuskaat). Met een elegante warmte (met name opgeroepen door cederhout) in de basis zonder dat het te geraffineerd wordt. Want een goede vetiver moet aards, ‘plattelands’ soort van grof blijven (rulle aarde, bladeren, mist die in de ochtend optrekt), moet niet te veel naar de grote stad overlopen.
Leuk is dat je de groenheid ook in de frisse noten bespeurt. Zo ruik je ‘op een gegeven moment’ kardemom en elemi (citrus- en houtachtig met groene noot) door de andere geursporen heen. Mijn besluit staat vast: we gaan in de olie en daarna in de attar – heb nu een goed contact in India die mij het echte spul kan leveren, niet de shit die aan toeristen wordt verkocht.
En wat is de volgende Acampora-essences die ik ga kopen? In ieder geval niet hun nieuwste, hippe collectie voor een nieuwe generatie of voor wie dan ook. Alhoewel, op papier lijkt een van die geuren, Young Hearts (2019), een chypre naar mijn hart, en heeft zowaar The Art and Olfaction Award 2020 gewonnen. For what it’s worth.
ZALIG-KRUIDIGE SANDEL MET ‘ABSTRACTE’ GOURMAND-TOETS
Zoals geschreven in de vorige post, Vétyver van Mona di Orio besteld (plus haar al door mij besproken sierlijke Musc (de heliotroop in het hart komt mij nu over als viooltje) en nog niet besproken Santal Nabataea). Vorige week binnengekomen. Hoe komt het toch dat ik vetyver met een Griekse ij chiquer vindt ‘staan’ dan geschreven met de doodgewone i. Heb ik het nog niet gehad over het accent aigu op de eerste e.
Even vreemd: hoe herinneringen een reeds bekende en geliefde geur van tevoren al in een bepaalde richting kunnen sturen. Van de eerste keer dat ik haar Vétyver rook, direct na de lancering in 2011, is me bijgebleven dat je aan een uit den treure behandeld ingrediënt toch een eigen draai kunt geven (zoals bijvoorbeeld, tegen de verwachting in, niet gebeurt in Tom Fords grijze variatie uit 2009 – toch in de dertien-in-een-dozijn-categorie).
Di Orio’s vetiver is minder zwoel en overrompelend qua vetiver-kracht dan bijvoorbeeld Serge Lutens Vetiver Oriental. Eerder meer subdued deze subtiel-sensuele golven die uit het gedroogde gras opstijgen.
De laatste keer dat ik met mijn neus in Vétyver dook ter analyse (twee jaar geleden ongeveer), leek het of de vetiver zich gehuld had in wierook besprenkeld met harsen – ik durf het bijna niet op te schrijven, want zo’n uitgehold cliché, maar in dit geval toch waar: mysterieus. Maar bedenk me nu dat dat de olfactiefe nasleep in de ruimte van de eveneens geteste wierookgeuren hiervan de oorzaak kan zijn geweest.
Met deze ‘voorkennis’, probeer ik Vétyver weer, en nog een keer, en nog een keer en nog een keer in een van andere geuren vrije ruimte. Kan niet anders: het is ‘vetiver anders’ – dus geen nadruk op het fris-houtige aspect; de frisse intro van blauwe gember en grapefruit is meer een zucht dan een golf. Erg beschaafd. In mijn gedachten dus heftiger. Mooi blijft de mix van specerij (nootmuskaat) en kruid (salie) die de vetiver als het ware verwarmen en de basis die er een sensuele glans aangeeft. Maar mijn herinnering – dat pats, boem, ta-da!, hallo hier ben ik, binnenkomen van de geur – rook iets anders. Krijg de neiging om Vétyver te layeren met haar Cuir (2010).
SANTAL NABATAEA
Pats, boem, ta-da!, hallo hier ben ik – dat heb je dus dírect met Santal Nabataea (2018). Je neus zit direct midden in het sandelhout. Zonder grof en brutaal te zijn. De inspiratie is high brow: de klei-achtige geur van terracotta van het uit zandsteen gebeeldhouwde heiligdom Petra in de Jordanië. FYI: laatste is het adjectief van de Nabateeërs, een Arabisch volk uit de klassieke oudheid met een religie waarin de verering van rotsen centraal stond. Grappig de overeenkomst in a way: de geur van Alaïa – de ontwerper met dezelfde naam is geboren in Tunesië – is geïnspireerd op het koude water dat zijn grootmoeder gooide tegen de door de zon verhitte witte kalkmuren.
De ode lijkt me vanzelfsprekend: op de best kwaliteit sandelhout denkbaar. Wat ik me afvraag: betreft het de echte? Die uit India (de echte dus) mag volgens mij alleen voor religieuze doeleinden worden gebruikt. Of is het Australisch sandelhout dat een luxe-behandeling kreeg? Of heeft het huis ‘wat’ kunnen kopen van het door Chanel geleide re-real sandelhout-project onder leiding van Christopher Sheldrake in Nieuw-Caledonië?
Dat komt vooral door de uitbarsting van kruidigheid die direct start met peper. Met een beetje fantasie gaat het sandelhout aan de wandel en ontmoet op weg door de zandwoestijnen van Petra de andere ingrediënten. Santal Nabataea is voor mijn gevoel lineair, in de zin dat je het sandelhout direct ruikt. Er is niet echt sprake van frisheid in de ‘opening’, hoewel peper dat wel kan bewerkstelligen en wiens warm-scherpe trilling wordt onderstreept door zwarte bes-blad. Maar bestaat er zoiets als warme frisheid? Maar het kan ook verbeelding zijn, en ruik ik het omdat deze twee bij de opgegeven ingrediënten staat.
Hoe het ook zij: Santal Nabataea, door Fredrik Dalman, is helemaal gemaakt met de filosofie van Mona di Orio indachtig. Dus: rijk, gul, krachtig en eigen. En op een bepaalde manier heel erg Arabië. Alsof Santal Nabataea daar is samengesteld en niet in Amsterdam, Europa – sluit dus aan bij de inspiratiebron.
De voor mij ondefinieerbare, maar trefzekere elegance kan ik niet traceren, altijd een goed teken. Het is anders; zacht, bloemig, zalvend… ik hou het op de mix van gedroogde abrikoos, oleander (die als je heel goed op het juiste moment, in het juiste seizoen ‘een soort van’ bloemigheid verspreidt), opoponax en klei.
Het is de som der deze vier delen die dit verfijnde gevoel oproept. Maar stel je dit ingrediëntenkwartet in gedachten eens voor en er gebeurt iets spannends: de zoete droogte van de abrikoos, besprenkeld met een poederige bloemigheid, de warmte van opoponax opdrogend op klei.
Dat koffie een mooi alternatief kan zijn voor bijvoorbeeld patchoeli/amber (zonder al te hinderlijk gourmand te worden, zonder het gevoel te hebben in Starbucks te zitten), bewijst Fredrik Dalman. Het geeft het sandelhout een kracht zonder dat het zijn romige bloemigheid verliest. De nasleep is lang houdend, de sandelhout wordt één met de huid.
Hoewel tegenwoordig, in onze ‘zelf-feliciterende’ en overdreven complimenten rondstrooiende maatschappij, de kwalificatie te pas en onpas wordt gebruikt (zonder dat daar echt reden voor is), is hier toch écht sprake van vakwerk en… liefde voor het vak. Laatste wordt steeds minder beleden door neuzen dan je zou vermoeden.
We bespreken Vetiver (2021) als werkwoord op z’n Frans in de toekomende tijd. Waarom: de kans dat je deze geur als lezer koopt, moet immers nog komen. Ik deed het vorige week, want ik kwam erachter, dat al mijn vetivergeuren zo goed als leeggespoten waren. En dat ik er eigenlijk ontzettend veel zin had.
Waarom? Gewoon, wellicht omdat ik mega-über-moe ben van al die nieuwe ‘oude-wijn-in-nieuwe-kruiken’-merken die wekelijks voorbijkomen op mijn Instagram-account. Slaap-slaap, gaap-gaap. Dat gevoel gecombineerd met ‘tell me something I don’t know!’ En omdat een goede vetiver op een bepaalde manier, op onbewust niveau, connectie maakt met de kracht van de natuur – au moins avec moi.
Tu vetiveres? Jij zult vetiveren?
Heel vrij vertaald: ‘Heb je nog onlangs een vetiver ‘opgehad’?’ Vroeg ik aan mijn partner. Ik: ‘Oh, Encre Noirevan Lalique (2006) nu al op?’ Hij: ‘Yep. Heb nu Sycomore (uit 2008 van Chanel) van je geleend.’
Il – Hiram Green – vetivere? Hij zal vetiveren?
Jazeker, en dat wist ik ook, was er benieuwd naar, maar het kwam er niet van. De eerste poging tot online-aankoop mislukte, de tweede een week later niet. En zoals beloofd volgens de site van Hiram Green werd zijn Vetiver twee dagen (vorige week) later bezorgd met een handgeschreven ‘dank-je-wel’-kaart. Op de een of andere manier is de compositie precies zoals ik hem verwacht had. Dus ‘anders fris’ in de opening, vervolgens een rokende vetiver die langzamerhand zacht, balsemachtig wordt zonder zijn ‘halsstarrigheid’ en aardse toon te verliezen.
Interessant, op het begeleidende kaartje lees ik dat Green zich inbeeldt dat ‘de heartthrobs van Hollywoods gouden eeuw ernaar roken’ – dus ‘elegant en charmant, maar krachtig en avontuurlijk’. Heartthrobs zijnde: ‘een mannelijke beroemdheid bekend om zijn goede uiterlijk’. Denk: Eroll Flynn, Clark Gable, Gary Grant. Ik zou daaraan willen toevoegen Bette Davis, Joan Crawford, Katherine Hepburn – sterke vrouwen die heersende conventies aan hun laars lapten. Met dien verstande: in deze omgeving vind ik Hyde (2018) meer van toepassing. Hoewel die naar mijn intentie een geur is die meer in de grondstijgers staat dan ‘af’ is.
En iets anders: door deze famous actors-link, zou je bijna een vintage-gevoel krijgen terwijl daar geen sprake van is. Vetiver is helemaal nu en tegelijkertijd tijdloos (dus klassiek) – het voordeel als je alleen met natuurlijke ingrediënten werkt.
Nous vetiverons, wij zullen vetiveren
Ik raad het iedereen aan: zowel man, zowel vrouw of in welke hoedanigheid je je als persoon tussen beide seksen ook voelt. Hiram Greens Vetiver legt namelijk op een edele manier het falen bloot van de door op louter winst beluste parfumhuizen – hoewel hun gelikte, miljoenen verslindende presentaties graag het tegendeel pogen te bewijzen: We care and are very concerned with the world and more blablabla.
In plaats van zich te concentreren op de kwaliteit van de ingrediënten, zijn ze te gepreoccupeerd door storytelling (vaak fake) en het benadrukken van het te pas en onpas gebruikte ‘heritage’. Als deze merken het zo goed met ‘ons’ menen, dan hadden die al lang ingezet op natuurlijke ingrediënten. En dat is wat anders dan ‘green washing’. Maar dat is dan ook weer waar: dan zou het bestaansrecht van Hiram Green in gevaar komen.
Vous vetiverons, u, jullie zullen vetiveren
U, jullie zullen Greens Vetiver gebruiken en er zoveel mogelijk andere mensen in laten delen, omdat de geur zo goed aantoont wat de natuur allemaal in zich heeft, dat je au fond geen synthetische alternatieven nodigt hebt. Wat wel zo is: de mogelijkheden zijn beperkt, maar dat heeft dan wel weer als voordeel dat je zo dicht mogelijk in de buurt van de natuur blijft – ‘buurnatuur’. En dat je als neus dan niet aan fantasie en ‘verhaal’ hoeft in te leveren, bewijst Moon Bloom – Greens parfumdebuut in 2013.
Het is prachtig om te ruiken hoe in Vetiver de citrusnoten met gemberinjectie – ‘voorzichtig’ en niet full in the face gedoseerd – de opmaat zijn voor een krachtmeting tussen Haïtiaanse (rokerig richting wierook) en Javaanse (frisser, aards, houtig, stro) vetiver. Deze fusie levert een vetiver op die groen maar toch warm is. Beter gezegd: broeierig-warm richting sensueel.
Dat is iets wat aan de meeste ‘moderne’ vetivers ontbreekt; die leggen meer de nadruk, of eigenlijk te veel nadruk, op het frisse aspect van deze grassoort en laten ‘hem’ conform de huidige ‘parfumwetten’ clean eindigen. Deze sensualiteit in Greens Vetiver wordt elegant gecontinueerd door ambrette (‘de natuurlijke musk’), terwijl het houtachtige aspect van vetiver, zij het zacht, wordt vastgehouden door cederhout.
Ils vetiverent, zij zullen vetiveren
Hoopvolle gedachte: zij zullen zo veel mogelijk Vetiver van Green gaan gebruiken. Ik zal vast een paar belangrijke vetivers in het nichedepartement die dezelfde boodschap als Hiram Green verkondigen over het hoofd hebben gezien – maar dan niet 100 procent puur natuur. Maar zijn Vetiver valt voor mij in dezelfde categorie als die van Serge Lutens en Mona di Orio – de laatste heb ik tot mijn schande ook nog nooit besproken. Ga hem terstond bestellen.
Dus al een vriend, vriendin (of wat daartussen zit) vraagt om een ‘lekker geurtje’ voor zijn, haar, het verjaardag – verbaas hem, haar of het met Vetiver van Hiram Green. Wordt deze originele geurgeste niet begrepen, of gewoon niet lekker gevonden, nou dan wacht je een leuke discussie die de moeite waard is. Ik zou vooral in het begin van het discours inzetten op #puurnatuur #nosynthetics #backtonature #motherearthcalling #therealjoyofperfumes en #geurengoeroeisthebest.
HET WESTERSE OPTIMISME VAN DE JAREN ZEVENTIG GEBOTTELD
Zeg nooit nooit. Maar, ik zie zo een, twee, drie geen backer bereid om het couturehuis Molyneux weer leven – Vivre! – in te blazen. Alhoewel, niemand geloofde eind jaren negentig nog in Lanvin… en je weet wat daarvan de uitkomst is geweest. Mocht je het niet weten – want dit is geen modeblog: Alber Elbaz (onlangs aan de gevolgen van covid overleden) maakte het huis weer hip, hot & happening zoals dat heet. Jammer alleen dat de geuren niet meegingen in deze creatieve revival: behalve Éclat d’Arpègeéén en al treurnis, één al ergernis (daar bemoeide Elbaz zich duidelijk niet mee, jammer).
Maar zeg dus nooit nooit. Ik zie nu ook weer ‘onbegrijpelijke-opa-je-wordt-ouder’-collecties van het voor de zoveelste keer wakker gekuste Patou voorbijkomen. Dus. En bij Schiaparelli (met Molyneux en Patou een grote concurrent van Chanel tijdens het interbellum) zijn de recente spectaculaire ‘op-de-rode-loper-wéér-een-prijs-ophalen-tijdens-belangrijke-uitreiking’-couture volgens mij de opmaat voor het weer lanceren van haar legendarische geuren (een poging die in 1998 jammerlijk flopte).
Nu Vivre. Wie wil dat niet en zo lang mogelijk? Leven. Ja. Vivre! En als je dat genotsgevoel, het besef dat je lééft door een zogenoemde geur kunt versterken, leuk toch? Doodgaan kan altijd nog en schuiven we (in ieder geval in gedachten) zoveel mogelijk voor ons uit. Sterven, mourir, nou liever niet, maar als het echt niet anders kan… bel me maar terug over een tijdje. Je kunt er trouwens gif op innemen, dat als nu een iemand een geur Mourir zou noemen en daarmee de vergankelijkheid van alles zou verbeelden – van de mens, van de natuur, van het besef dat het leven niet oneindig is en al het overige bla-bla-bla-gemijmer – met een compositie die richting bederf gaat… kan zo maar een succes worden. Mooie foto erbij van een ‘nature morte’ – bingo!
Wie wat/was Molyneux? Hij was een succesvol couturier van Ierse komaf geboren in 1889 in Londen, die na de Eerste Wereldoorlog (waarin hij als kapitein diende vandaar dat hij ook le captain couturier werd genoemd, knappe vent by the way) zijn eigen salon in Parijs in 1919 opende aan de rue Royale. Hij was voor de oorlog de mode ingerold na het winnen van een ontwerpwedstrijd; hij had zijn schetsen als kunstschilder ingestuurd, want dat was zijn eigenlijke beroep – zijn hele modecarrière bleef hij schilderen en verkocht zijn doeken ook aan zijn modeklanten, zoals Greta Garbo en de hertogin van Windsor.
Edward Henry Molyneux was al snel geliefd om zijn sober-modernistische benadering van de understated Engelse upperclass-look. Binnen een paar jaar had hij winkels in Monte Carlo, Cannes, Biarritz en Londen. Niet voor niets dat hij ook snel ‘in parfums ging’. Allemaal even chic en ‘strak’ gepresenteerd zoals zijn kleding. De eerste drie verschenen in 1925 en waren geïnspireerd op de directe omgeving van rue Royale: Parfum 3 (naar het eens fameuze restaurant Maxim’s gevestigd op nummer 3), Parfum 14 (het eerste adres van Molyneuxs salon) en Numéro Cinq.
En ik ‘altijd’ maar denken dat dit een knipoog en/of commerciële marketingtruc was vanwege het toen alsmaar in faam groeiende N°5 van Chanel (dat dit jaar zijn eeuwfeest viert). De wetenschappers zijn er nog niet over uit gezien het feit dat Molyneux van nummer 14 naar nummer 5 was verhuisd: hetgeen Numéro Cinq verklaart. Ik weet niet of het tot een rechtszaak is gekomen, maar in Amerika werd dit parfum verkocht onder de naam Le Parfum Connu. 1932: Le Chic. 1962: Fête.
Of hij nog betrokken was bij Vivre (1971), zou zo maar kunnen. Hij overleed in 1974. Na zijn dood deed Quartz uit 1977 het een tijdje goed; een van de eerste keren dat een parfum de ‘opkomende’ zakenvrouw – derde feministische golf? – als inspiratiebron had.
Gauloise uit 1981 is lekker marketing driven, want slimme naam gezien erfgoed en identiteit als hoofdattractie – toen al! Gepromoot door Sylvie Vartan (ooit vrouw van het Franse antwoord op Elvis Presley, Johnny Halliday, die in zijn nadagen al even ‘erfgoedelijk’ was in zijn rol als ambassadeur voor Eau Sauvage). Gauloise kreeg buiten Frankrijk de slogan ‘The essence of France’ mee. Ik bedoel maar. Voor mannen ‘eindelijk’ in 1974 Captain Molyneux en in 1984 Lord Molyneux, maar die hebben qua uitstraling weinig van doen met ‘le chic’ van de oprichter – ‘imagineer’ eerder Yves Rocher.
En zoals de traditie het voorschrijft, bakken de nieuwe eigenaren – na diverse omzwervingen nu in het bezit van Parfums Berdoues – er weinig van: waarvan de namen getuigen. Drie maal gaap: Quartz Pure Red (2008), Quartz Je T’aime (2012), Quartz Addiction (2013). Qua naam leek Rue la Boëtie (2014) veelbelovend, maar afgaande op de presentatie: ‘alle dertien gaat wel’ in een dozijn.
Maar we hadden het over Vivre: back to the seventies so to speak! Een hybride-geur met een enorme sprankeling. Wil zeggen: Vivre zweeft tussen een (bloemige) chypre en (bloemige) aldehyde resulterend in een heerlijk, ja levendig som-der-delen-geur: een bruisend boeket van ‘typische’ parfumbloemen: Bulgaarse roos, jasmijn, iris, ylang-ylang, lelietje-van-dalen en hyacint.
De laatste twee maken er een fris voorjaarsgeheel van. Ylang-ylang geeft een warme ondertoon. Bulgaarse roos, jasmijn, iris doen wat ze moeten doen: een prettig klassiek bloemgevoel oproepen. Laten we de frisgroene opening niet vergeten – opgegeven ingrediënten: bergamot, sinaasappel, theebloesem (lijkt me onwaarschijnlijk), koriander, groen gebladerte, engelenzaad – die het boeket als een groene guirlande omlijsten.
De aldehyden veredelen, de chypre-ingrediënten verdiepen het geheel (de eau de toilette-versie doet een beetje denken aan Yvresse Eau Légèreuit 1997 maar dan minder fruitig). En dat laatste ruik je natuurlijk in de nasleep: eikenmos, vetiver en mirre voorzien van een laagje leer. Die verdieping ruik je nog beter in het parfumextract – beide kwamen door toeval in mijn bezit. De noten van leer en zoet-rokerig mirre nemen je in het extract vanaf het begin mee, alsof er een schaduw wordt getrokken over de bloemen.
Ongecompliceerd maar geraffineerd. Een soort van vanzelfsprekend: achter ogenschijnlijke eenvoud gaat karakter schuil. Op eBay wordt de geur nog steeds aangeboden – ook ongeopend, grote kans dat de geur nog niet aan kracht heeft ingeboet. Die van mij waren voor een gedeelte gebruikt maar altijd in de doos verborgen en ‘doen’ het nog steeds.
Vivre is echt tijdsgebonden, want in lijn met de easy going groene trend eind jaren zestig, begin jaren zeventig die volgens sommigen ook een uitvloeisel was van de tweede feministische golf waardoor parfum so to speak de paleistrappen afdaalde op zoek naar de klanten in de nieuwbouwwijken die rondom de steden werden uit de grond werden getrokken: de grootmoeders van de desperate housewives.
Denk Ô de Lancôme (1969), Chanel N° 19 (1970), Givenchy III (1970), Eau de Rochas (1970), Diorella (1972), Aliage (1972). Om de (nu nog) bekendste en nog verkrijgbare (weliswaar aangepaste) te noemen. Maar Vivre schenkt nu nog even veel levenszin.
Verder wil ik nog even wijzen op de moderne verpakking: heel mooi en simpel het extract van Vivre. De vorm van de flacon is uitgesneden een plastic rechthoekige omdoos, de flacon plaats je erin. That’s it. Een treffend voorbeeld dat je met plastic ook ‘modern artistiek verantwoord design’ kunt verenigen met de klassieke esthetiek die het parfum over het algemeen kenmerkt.
WELK EEN DISCREPANTIE TUSSEN HAUTE COUTURE EN VOCE VIVA
Op twee nieuwe geuren uit de L’Oréal Luxe-stal is het huidige uitgangspunt van mijn blog – de wereld bekeken door de caleidoscoop van het parfum – goed van toepassing: VoceViva van Valentino en My Way van Giorgio Armani. Ieder met een verschillende boodschap en die samen toch zo’n beetje alle soorten doelgroep-vrouwen weet te vangen. En toch ook: beide hopeloos ouderwets.
Want: het is me toch een kopiëren, knippen en plakken van clichés waarvan marketingpiepeltjes nog steeds denken dat alle vrouwen waar ter wereld daar gevoelig voor zijn. Parfum als boodschapper van genot, als vredebrenger, als vooroordelen beslechtende ambassadeur en conform de huidige tijdsgeest: helemaal inclusief/inclusive – het nieuwe ‘mot du jour’ in lifestyle-, mode- en luxe kringen.
Wat Voce Viva betreft. Heel lang geleden ‘had’ een haute couture-parfum het volgende verkoopargument: de vrouw die zich de kleding niet kan veroorloven, brengt met een paar druppels deze onbereikbare weelde haar leven binnen. Daar is tegenwoordig geen sprake meer van. Haute couture-parfums zijn ervoor van Jan en Jannie met de Pet en in honderden variaties. Niche buiten beschouwing gelaten.
Valentino pakt dit oude verkoopargument weer op, zo lijkt het. Sinds de oprichter met pensioen is, is het merk steeds meer richting extravagantie gegleden. Haute couture zoals het in de jaren zestig werd gemaakt – met name voor mijn gevoel refererend aan de architectuurcouture van Balenciaga. Qua sfeer moet ik denken aan een van mijn favoriete films: Le Streghe (1967) met daarin de voor mij mooiste actrice van de wereld Silvana Mangano die in een aantal door commedia del arte geïnspireerde episodes (door verschillende Italiaans regisseurs van naam) telkens een moderne heks speelt. Met Clint Eastwood in een glanzende bijrol. Zie de trailer – in ieder geval meer chic en meer Valentino dan de parfumpromotieclip.
Dus zeer exclusief en ‘vrouwonvriendelijke’ mode. Laatste in de zin van niet echt handig qua vervoer en draagbaarheid – overdreven volumineus (op een paar meter stof wordt niet gekeken) die anno 2020 bijna geen gewone sterveling kan of wil dragen – glamourtravestieten wellicht uitgezonderd. Maar zo’n ‘wervelwind van een creatie’ gedragen/mee getornd/gesleept door een wereldster doet het altijd goed tijdens hele belangrijke rode loper-uitreikingen.
Alleen is bij Valentino de discrepantie tussen de huidige über-luxe uitstraling van het huis en de geur wel erg groot. Ondanks het inhuren van een wereldberoemde ster – Lady Gaga – oogt het verpletterend gewoon, alledaags. En om het niet ál te exclusief te maken bevinden zich in Gaga’s aureool ook gewone mooie mensen – mooi in de zin van: iedereen is op zijn eigen manier mooi. Herkenning! Het lijkt wel een reclame voor een verzekering: dus alle rassen gezellig vertegenwoordigd in een wave van fijn en zonneschijn.
Valentino haute couture 2020
En dat maakt Voce Viva dus weer ontzettend gewoon en ontzettend bereikbaar voor elke vrouw op zoek naar een ‘stem’ gevat in een ‘luchtje’. Als ik advies had mogen geven, dan had ik een over top luxueus parfum voorgesteld dat de zinderende overdaad van Arabische parfums combineert met Italiaanse chic en qua prijs natuurlijk in lijn met de couture.
Not dus. Wel dus: het geheel wordt begeleid door een manifest zoals dat tegenwoordig heet. ‘Voce Viva viert de stem van elke vrouw in één verklaring: mijn stem, mijn kracht. Lady Gaga, de stem van een generatie (says who?; en Beyoncé dan, om er maar een te noemen, Adele ook niet vergeten), inspireert al meer dan een decennium miljoenen mensen, is de ambassadeur. Met Valentino deelt ze meer dan haar Italiaanse afkomst. Een symbool van respect (kan dit woord een keer verbannen worden in de wereld van luxe) voor individualiteit en voor iedereen om zijn plaats te vinden, spreekt tot dezelfde waarden als die van Valentino’.
Het lijkt wel een bedankspeech van een net gekroonde Miss World – of ben ik nu aan het ‘male gazen’? Hetzelfde politiek correcte getut zoals je die ook kon horen in de manifesten van de min of meer aan #metoo refererende geuren van Maison Margiela, Lancôme, Calvin Klein en Zadig & Voltaire.
Jeetje, wat leuk, de geur is gemaakt door twee vrouwen – hoe evenzeer correct. Honorine Blanc en Amandine Clerc Marie kozen voor een witte bloemengeur voorafgegaan door ‘sprankelend Calabrisch bergamot met mandarijn- en gemberessenties’, uitgeleide gedaan met kristalmos en vanille.
Ik heb de geur niet geroken, maar ik drink in een teug een 100ml flacon leeg, als de inhoud níet in de ‘meer van hetzelfde’-categorie valt. Want de witte bloemen – oranjebloesem en gardenia – kunnen, als je ze de kans geeft overweldigend, diep-sensueel ruiken. Gaat niet gebeuren. Net zoals de erotische uitstraling van de tuberoos de laatste jaren in geuren wordt onderdrukt om haar veronderstelde groene, dan wel zachte kant te benadrukken, zo zal ook de koppigheid en het vol-bloemige romige aspect van de gardenia de kop in worden gedrukt om plaats te maken voor een soort van satijn-rijke gloed. En een waar bosgevoel – het idee van de basis – krijg je alleen als je naast kristalmos en vanille echte eikenmos en/of Joegoslavische mos neemt en lekkere scheut cistus labdanum toevoegt.
Het verhaal is lang genoeg dunkt me, dus de aangekondigde analyse van Armani’s My Way schuiven even vooruit, op de lange baan als het ware.
De naam doet me direct denken aan een geur die ik ‘altijd’ abusievelijk verkeerd schreef: het was dus niet Splendour, maar Splendor (1998) van Elizabeth Arden. Maar volgens mij is met ou de juiste schrijfwijze. Zou daarom deze ‘splendid’ Arden niet zijn aangeslagen?
Trouwens, Arden slaagt er maar niet in – misschien wil ‘ze’ ook niet gezien de enorme investering these days – een nieuwe potentiële klassieker te lanceren. Het is een va et vient van variaties op Sun Flowers (1993), 5th Avenue (1996) en Green Tea (1999). Zoals Sun Flowers Sunlit Showers (2019), 5th Avenue Uptown NYC (2017), Green Tea Pomegranate (2019).
Moving on swiftly: Velvet Splendour is inmiddels de zevende geur van het downunder-label Goldfield & Banks (anno 2016) met Vlaamse link. Meer weten over de achtergrond? Lees: Pacific Rock Moss.
We lezen op de homesite (google-vertaald): ‘Fluwelen pracht alsof je een grote bos zonverbrande wilde bloemen in beide armen houdt en je gezicht er zachtjes in drukt. Een impressionistisch schilderij van een lange rit door het open, luchtige en wolkenloze landschap’.
WAT VELVET SPLENDOUR IK EIGENLIJK?
Gemiste kans in de zin van storytelling en ‘heritage’: mimosa heeft als oorspronkelijke habitat Australië. Had je leuk kunnen meenemen in het pr-verhaal. Wel zegt Goldfield & Banks dat ‘de mimosa in bloei uitbarstend, het eerste teken van de lente markeert in Australië. Zachtgeel wordt gearceerd tegen blauwe luchten’.
Vervolgens: ‘De eerste noten geven onmiddellijk een mix van groene stengels, gele bloemen, koele lucht en warm licht vrij’. Dat ervaar ik dus niet: groen. Ook gelukkig niet een frisse opening. Je ziet direct in de bedoeling van de geur: een fluweelachtige sensatie van bloemen, een diffuus boeket opgeroepen met oranjebloesem (absoluut), sambacjasmijn en natuurlijk mimosa (absoluut) waar een warme wind voor luchtigheid zorgt (hedione).
Alleen speelt mimosa niet de hoofdrol, is hij onderdeel van het kwartet, garandeert ‘fluweel’. Maar misschien is dat ook niet de bedoeling van Goldfield & Banks, verwachtte ik ten onrechte te veel van deze ‘goudgelen miniatuurzonnetjes bungelend aan vaak majesteitelijke bomen die bij een zuchtje wind de omgeving transformeren tot een droomachtig decor klaar voor een opname voor een parfumpromotievideo met een zeer romantische boodschap…’ – ik dwaal af.
Wel ruik je in Velvet Splendour waar mimosa goed in is: zijn rol als veredelaar. In een boeket gaan de andere bloemen zich chiquer gedragen alsof ze op weg zijn naar een feest met officieel karakter met ‘festive attire’ als dressing code. En de afronding is daadwerkelijk fluwelig met een zachte houttoon. Komt op conto van de sensueel-poederige liaison tussen tonkaboon, oppoponax, heliotropine en leer die gracieus versmelten en perfect in balans zijn met Australisch sandelhout, patchoeli en vetiver.
Met een heel veel of heel weinig fantasie zie je Nicole Kidman in slow motion flaneren door een typisch Australisch landschap (bestaat dat eigenlijk?) in gloed gezet door de ondergaande zon. De warmte heeft iets zandachtigs, zand dat poeder wordt als Kidman het door haar ever nog zo gracieuze, ‘liver spot free’-handen laat glijden – ik dwaal af.