Het vrolijke, sprankelende, maar discrete Chants d'Aromes werd door Guerlain in het leven geroepen voor meisjes die op het debutantenbal hun intrede in de society maakten. Chants d'Aromes werd daarom in Frankrijk lange tijd wel hét debutantenparfum genoemd. In zekere zin was het ook een debuut voor Jean-Paul Guerlain, want dit ‘aromagezang’ is het eerste damesparfum dat hij creëerde.
Hoewel in Frankrijk geleidelijk aan steeds minder meisjes debuteerden – the swinging sixties schreef een onconventionele way of life voor – bleef Chants d'Aromes toch vaak het eerste geurtje dat Franse meisjes uit de betere kringen van hun ouders cadeau kregen. Tot 1989, want in dit jaar stopt Guerlain met de productie.
In 1995 wordt het in de originele flacon weer gelanceerd. Misschien wel met de gedachte dat oude tradities en conventies (nu ook wel vintage genoemd) in een nieuw jasje weer interessant worden gevonden door – wellicht – de dochters van de vrouwen die hadden gedebuteerd in de jaren zestig en zeventig. Toeval of niet; het debutantenbal is bezig met een comeback, zelfs in Nederland. Chants d'Aromes dus ook?
WAT RUIK IK EIGENLIJK?
De bekoorlijkheid ligt in het hoofdthema van dit gezang van aroma’s: de combinatie van het frisgroene kamperfoelie – begeleid door jasmijn en sering – met de volle gardenia en het zwoele ylang-ylang.
De finale van Chants d'Aromes is door sandelhout en vetiver verleidelijk, maar niet te zwoel (komt later wel, als je ouder bent) door de bescheiden aanwezigheid van vanille en musk. Kortom, een helder-bloemig en zonnig parfum met fluwelen touch, zo zacht en groen als het lint om de hals van de flacon.
RUIK & VERGELIJK
Kamperfoelie ruikt op z’n lekkerst en z’n sterkst na een zomerse regenbui. Heerlijk die frisse, groene, honingachtige, waterige, bloemige sensatie! Je knapt er direct van op.
En vermeng je de lonicera met witte bloemen dan krijg je een transparante geur waarvan je maar een ding kunt zeggen: zomer! Kamperfoelie geeft ook aan onderstaande geuren dezelfde fris-groene bekoring.
Dior Diorella (1972) Gucci Eau de Gucci (1982) Annick Goutal Eau de Camille (1983)
Heel veel, maar dan ook héél véél kamperfoelie ruik je in:
In 1916 verschenen, voor zover bekend, twee eau de colognes. De eerste heette Aqua di Colonia. De tweede Acqua di Parma. De eerste kwam uit Spanje en werd geproduceerd door Myrurgia. De tweede uit Italië door een lokaal bedrijfje in Parma. De eerste is nog steeds te koop, maar geniet alleen lokale bekendheid. De tweede ook, maar kreeg wereldwijd een cultstatus. Hoe kan zoiets? Ik denk door het land van herkomst (Italië heeft op het gebied van producten die het leven kunnen veraangenamen meer autoriteit), de presentatie (Acqua di Parma is gevat een in voor die tijd ongekende, moderne presentatie die nu als tijdloos wordt gekwalificeerd) en de geur. Want terwijl Myrurgia’s Aqua di Colonia een van de zovele verfrissende odecolonnetjes is, valt het Parmezaanse water op door de niet te zoete, niet te frisse maar eerder ‘droge’ samenstelling.
De successtory van Acqua di Parma – bij herlancering in 1993 tot Colonia omgedoopt – is opvallend. Want niet-Frans en niet afkomstig van een Parijs couturier ontdekte Hollywood – althans zo gaat het verhaal – deze eau de cologne in de jaren twintig en dertig. Niet alleen Ava Gardner en Lana Turner, maar ook male celebs maakten er geen geheim van gecharmeerd te zijn van deze succesvolle androgyne geur – de colognes van Guerlain, Lubin en Roger & Gallet niet meegerekend.
Na de oorlog blijft Acqua di Parma populair – dankzij onder meer Audrey Hepburn, David Niven en Gary Grant. In de jaren zestig raakt de geur in de vergetelheid. Midden jaren negentig wordt de geur door een groep bevriende Italiaanse zakenmannen opnieuw in de markt gezet. Rondom Acqua di Parma wordt zelfs een hele lifestyle gecreëerd – waarin ‘het traditionele flirt met het moderne’ – en opent de eerste winkel aan de Via Gésu in Milaan zijn deuren.
De internationale beautypers – waaronder moi – zorgen vervolgens dat de enthousiaste reacties van Kate Moss, Sharon Stone, Sandra Bullock, Kevin Kostner, Harrison Ford en Ashley Judd – to name a few – door het gewone koperspubliek wordt gehoord, en zie: een oude klassieker is herboren. For your information: het merk is inmiddels door LVMH ingelijfd en blijft onder de naam Acqua di Parma nieuwe geuren op de markt te zetten, waarvan Lavanda Tonica (1999) en Iris Nobile (2004) getuigen.
Als ware Colonia-fan, comme moi, hoef je je niet te vervelen. Bijna elk seizoen verschijnt er wel een mooie flacon (zoals in 2008 een 1000ml-versie), met of zonder peerverstuiver, met of zonder creatieve gestylde ‘uitspattingen’ op de basisflacon.
WAT RUIK IK EIGENLIJK?
Colonia is een goed voorbeeld van een klassieke eau de cologne. Dat wil zeggen een verfrissend watertje met een hoge concentratie aan citrus- en lavendelnoten, die in Colonia goed te ruiken zijn in respectievelijk de opening (zoete en bittere sinaasappel, bergamot) en het hart. Hier bloeit ook Bulgaarse roos. Ongewoon voor een eau de cologne. Ook de basis van ‘oosterse houtsoorten’ maakt van Colonia een ander Keuls watertje. Samen geven ze een heerlijk en echt eau de cologne-gevoel: ‘strak’, prikkelend, alsof de citrusschillen lichtjes over je huid schuren. Zo hoort het!
Acqua di Parma lanceert in 2003 Colonia Assoluta, een intensere interpretatie (eveneens gecreëerd Bertrand Duchaufour en Jean-Claude Ellena). De frisse opening ruikt door toevoeging van verbena nog frisser, het hart door toevoeging van jasmijn, ylang-ylang en ‘wilde orchidee’ bloemiger. De basis ruikt dieper en voller door het toevoegen van Amerikaans cederhout, vetiver, patchoeli, lychee en benzoë.
RUIK & VERGELIJK
Eau de colognes worden door mannen en vrouwen over het algemeen gebruikt om hun instantfrisheid veroorzaakt door het hoge en snel vervliegende alcoholpercentage. Ze zijn daarom in landen rondom de Middellandse Zee populairder dan in koudere streken. Hieronder enkele oude en nieuwe Keulse waters.
Vlak na de Tweede Oorlog brachten heel veel mensen een hulde aan de hard bevochten vrede. Er werd uitbundig feest gevierd op straat. Vrouwen omarmden hun bevrijders (met negen maanden later vaak opvallende gevolgen). Kunstenaars verwoorden de gevoelens van blijdschap en verdriet in de kunstwerken. In Frankrijk, met name in Parijs, waren het de couturiers die een zeer opvallende bijdrage leverden: een parfumsaluut aan de vrede.
Elsa Schiaparelli presenteerde in 1946 een van de mooist vormgegeven flacons ooit: Le Roy Soleil waarmee ze samen met Salvador Dali een ‘eaubade’ brengt op het verfijnde Franse joy-de-vivre-gevoel. Nina Ricci deed het met Coeur-Joie (1946) en L’Air du Temps (1948). Haar collega Jean Patou verwelkomde de vrede welkom met L’Heure Attendue (1946)
Maar de geur die de meeste indruk maakte was Vent Vert (‘groene wind’) van couturier Pierre Balmain: jaren na verschijning was het nog steeds een kassucces, groeide het uit tot klassieker en standaardgeur aan de groene tak van de parfumboom. Het vredesparfum raakte begin jaren tachtig in de vergetelheid.
En in Nederland is Vent Vert al jaren niet meer te koop. In Frankrijk is deze klassieker nog steeds geliefd en beleeft het met andere Balmainklassiekers als Jolie Madame (1953) en Miss Balmain(1967) – hetzij in beperkte kring – een comeback.
En die kring wordt nu misschien weer wat groter. Want net zoals zoveel andere illustere couturehuizen opgericht om en nabij de Tweede Wereldoorlog is ook Balmain weer teruggekeerd naar zijn geurwortels. Dus na een stroom van geuren (geleverd door verschillende licentiehouders op een rij) waarbij je meestal dacht ‘Why? (zoals La Mome uit 2007, een ode op Edith Piaf en genoemd naar gelijknamige film) zet het huis een aantal klassiekers weer in de etalage.
Naast Vent Vert zijn dat Monsieur Balmain (1964) en Ivoire uit 1979 in een nieuwe formule gelanceerd in 2012. Nieuw: Ambre Gris (2008) en Carbone (2010). Of beter gezegd, de nieuwe licentiehouder: Inter Parfums. En die haakt natuurlijk in op het feit dat door het aantrekken Christophe Decarnin in 2007, 2008 of 2009 het behoorlijk ingedutte en ingetrutte Balmain middels de inmiddels veel beproefde shocktherapie van de ene op de andere dag ook hip werd onder smoky eyed en grungy popsterren en modellen (en look-a-likes in het dagelijkse leven).
Een spijkerbroek met voorbewerkte gaten voor 1000 euro. Een zijden T-shirt met scheuren. Zelfde prijs. Dat werk. Decarnin is in 2011 opgevolgd door Olivier Rousteing en die, hoewel klassieker, toch lekker rockerig houdt. En daarvan gaan we binnenkort ook olfactief genieten, want er is nieuw parfum in de maak.
WAT RUIK IK EIGENLIJK
Waarom maakte Vent Vert in 1945 zo’n grote indruk? Het is niet alleen de naam (en de symboliek er in opgesloten) dat het succes verklaart. Nee, het is het frisse en ongewoon groene karakter. Het is voor heel veel neuzen een inspiratiebron geweest.
Sterker, Vent Vert geldt als de standaard voor een groene geur. Het opvallendste is het gebruik van de overdosis galbanum met zijn intens fris-groene noot in de opening. Hierdoor contrasteert Vent Vert met de vrouwelijke en bloemige parfums uit die periode. Verder ruik je in de opening oranjebloesem, limoen en basilicum. Heel groen, lichtbloemig. Het hart is gevuld met jasmijn, hyacint, roos en lelietje-van-dalen. Afgezien van de roos ook bloemen met een fris en groen aura die door de galbanum in de opening en het eikenmos en vetiver in de basis een groene waas over zich heen krijgen. Heel erg prettig!
Nog prettiger: Vent Vert is in 1990 goed door de herformuleringsoperatie gekomen. Het koppige groene karakter is bewaard. Sommige Vent Vert-fans vinden deze versie zelfs beter. En dat is een prettig geluid: meestal krijgt een parfumhuis de wind van voren als ze een verandering doorvoeren.
Ook al is die verplicht opgelegd door een nieuw wetgeving die bepaalde ingrediënten verbied die huidirritatie (op directe termijn) of andere enge dingen (op lange termijn) kunnen veroorzaken. Zoals eikenmos in Vent Vert.
RUIK & VERGELIJK
En de volgende groene geuren zagen onlangs het licht:
Wat of wie is Lanvin eigenlijk? Achternaam van de op 1 januari 1867 in Parijs geboren Jeanne die tussen het interbellum met Coco Chanel, Lucien Lelong, Jean Patou, Elsa Schiaparelli en Madame Vionnet tot de belangrijkste couturiers behoorde. Nadat ze zich van naaistertje opwerkt tot hoedenontwerpster, besluit ze op aandringen van vrienden ook ‘iets met’ kleding te doen, gecharmeerd als die zijn van de ensembles die ze voor haar enige dochter Marie-Blanche (ook wel Marguerite genoemd) ontwerpt.
Ze opent haar couturedeuren in 1910 aan de faubourg St. Honoré 22 (naast Hermès). Lanvin valt op omdat ze niet echt met de trends meedoet. Hoewel duidelijk beïnvloed door art deco en het comfortabele minimalisme van Chanel, geeft ze er door haar feilloos gevoel voor verhouding, virtuoze coupe, borduursels en naturelle kleurgebruik een persoonlijke draai aan.
Denk je bij Chanel aan zwart, bij Lanvin is het vergeet-me-nietje-blauw, dat Jeanne tijdens een Italiaanse vakantie ziet op fresco’s van Fra Angelico – nu de kleur van het huis. De zaken gaan voorspoedig: ze koopt het pand tegenover haar salon en opent er een winkel voor mannenmaatkostuums die de vergelijking kan doorstaan met de Londense kleermakers. Hierna volgen (lang voor Calvin Klein en Ralph Lauren) een home decoration-lijn, een sportcollectie, bont, lingerie en in 1923 een ‘tak’ waar Jeanne het beroemdst mee wordt: parfum. En dat was slim.
Dat had Coco Chanel twee jaar daarvoor met Nº 5 duidelijk gemaakt. Werden tot die tijd parfums geleverd door honderden Parijse parfumhuizen, Chanel wist dat een couturenaam geplakt op een parfum internationaal veel meer mensen zou aanspreken. Ze kreeg gelijk. Sterker, het parfum zou van relatiegeschenk geleidelijk uitgroeien tot het financiële fundament van de couturehuizen. In 1923 debuteert Jeanne Lanvin met Niv Nal en Irise. Gevolgd door vele andere, waaronder Mon Péché uit 1925, dat (met name in Amerika) een enorm succes wordt wanneer Jeanne Lanvin het vertaalt in My Sin. In 1927 schrijft Lanvin parfumgeschiedenis met Arpège. De naam betekent samenklang en is geïnspireerd op de toonladders die haar dochter altijd speelde op de piano en is tegelijkertijd het cadeau voor haar 30ste verjaardag.
De flacon is typisch art deco: de beroemde zwarte bol van Sèvresporcelein werd ontworpen door haar ‘huisstylist’ Albert Armand Rateau en versierd met een tekening in goud van Paul Iribe waarop Jeanne haar dochter kledend voor het bal staat afgebeeld. Arpège is tot ver in de jaren zeventig populair. En in Frankrijk in bijna elke parfumerie tot in de jaren tachtig te koop. Begin jaren negentig wordt gestopt met de productie. In 1997, 70 jaar na de lancering, acht L’Oréal (toenmalige eigenaar) de tijd rijp voor een herlancering. En die kun je geslaagd noemen, want het moment was gunstig. De begrippen moesten nog toegepast worden in de parfumwereld, maar Arpège kun je beschouwen als een van de eerste retro- en vintagegeuren. Het had trouwens jaren een prachtige slogan: Promise her anything, but give her…
WAT RUIK IK EIGENLIJK?
Het byzondere aan de relaunch van Arpège: je kunt er authentiek van genieten. Veel beroemde parfums worden ‘aangepast aan de eisen van de tijd’, Arpège wil hier niks van weten. Presentatie en geur zijn onveranderd. Niet iedereen gelooft dat trouwens. Door kenners wordt Arpège gezien als een bijzonder geslaagde interpretatie van N° 5, maar dan iets kruidiger en amberachtiger. Dus een bloemengeur op basis van aldehyden, een synthetisch ingrediënt dat bloemen een enorm krachtige (sommige zeggen ‘vettige’ ) opwaardering geeft.
De eerste samenklang: aldehyden vermengd met bergamot en neroli. Het hart van de geur: ylang-ylang, roos, iris, jasmijn, tuberoos, sering, lelietje-van-dalen en jasmijn. Mooi en heel bloemig, maar ook een beetje ‘saai’. Daarom voor de extra harmonie (of dissonantie eerder) wat koriander, geranium en kruidnagel. De afronding is sterk (patchoeli), vol (vanille) en strak (vetiver, sandelhout, styrax).
RUIK & VERGELIJK
Eens regeerden ze de wereld, nu zijn ze door de ‘geurengekte’ van de laatste twee decennia veroordeeld tot een schaduwbestaan (N°5 en L’Air du Temps uitgezonderd): klassiekers van de couturehuizen. Toch is het echt genieten met deze geuren in deze verwarrende tijden. In vintage of in geadapteerde versie.
Sterker, ze brengen je vaak terug naar de essentie van parfum (ondanks de veranderde formules), want nog niet bezwangerd met jolijtige, lekker gekke en andere hippe smaakmakers waarvan je je af en toe afvraagt wat nu exact de verrijking ervan is.
Ben je al die fruitige-frisse met roze bloemen gevulde geuren van het nieuwe millennium beu, wil je een parfum ontdekken dat daar 100 procent (en al bijna 100 jaar) haaks op staat, probeer Tabac Blond. Het is omgeven door mysteries en lofuitingen. En geldt, door zijn donkere ‘rokerige’ aroma als een van de meest revolutionaire parfums ooit gemaakt.
Nog steeds houdt het parfumliefhebbers bezig. Neem de lyrische omschrijving van mrclmind op de Amerikaanse parfumsite basenotes: ‘To call Tabac Blond a leather scent is like calling Beethoven’s 6th Symphony pretty. Tabac Blond rises above all stereotypes and labels as to scent gender. It’s beyond unisex; a lion of a scent who does not discriminate among any of her pride. Tabac Blond chooses you; you don’t choose her. Once you are one of her initiates, you may never return again from whence you came’.
Zoiets uitgesprokens roept ‘antidote’-reacties op. Zoals die van taliaseki op dezelfde site: ‘Feels like entering a dusky shrine after all dark ritual is done. Incense smoke settled, some rough cut tobacco for hashish rests in a wooden chest, worn our dirty leather carpets. But after half an hour all mystery of smoke, incense, tobacco and leather dissolves, and comes the carnation, amber and musk of the old style. Kind of smell that any one with a moderate nose would tell you that it is old, and anyone over his forties can tell you that it is a kind of frag that around 1950 many men on the world, governors, soldiers, persian merchants and chinese barbershops used to smell’.
Nu de feiten. Le Tabac Blond (de originele naam) werd gemaakt door het in 1904 door Ernest Daltroff (1870-1941) opgerichte parfumhuis Caron dat in zijn hoogtijdagen qua presentatie en innovatie kon wedijveren met Guerlain en Coty.
Na de Eerste Wereldoorlog voelde Ernest Daltroff, net zoals Coco Chanel, dat er een nieuwe vrouw was opgestaan. Hij was door haar gefascineerd en besloot een parfum voor haar te maken dat dat gevoel ’verluchtigde’. Nu het grappige: in eerste instantie was de geur bedoeld voor mannen, maar die bleken het toch iets te revolutionair te vinden. Veel vrouwen daarentegen vonden het verdomd lekker. En zo groeide Le Tabac Blond uit tot symbool voor de kortgerokte, kortgeknipte geëmancipeerde vrouw.
In Frankrijk ook wel garçonne genoemd. Een kenmerk van deze ‘nieuwe’ vrouw was: ze rookte in het openbaar. Niet de zware mannentabak, maar de lichte en zoetere soort uit Virginia. Dat werd het uitgangspunt voor de compositie, die nu weliswaar aangepast, weinig van zijn intens rokerige, overweldigende aura heeft verloren.
WAT RUIK IK EIGENLIJK?
Het interessante aan Tabac Blond: mag in eerste instantie als heftig en zwaar overkomen, maar hoe langer op de huid, des te zachter en zoeter hij wordt.
De geur roept hiermee perfect het gevoel op van zoete tabak (dankzij vanille en patchoeli) terwijl de samenstelling er geen gebruik van maakt. Als je een hele scherpe neus hebt, dan ruik je de lindebloesem in de opening heel even, maar voor je er erg in hebt word je direct naar het hart gesleurd. Daar regeert de anjer met zijn prikkelend, kruidig-zoete geur oppermachtig omringd door vetiver en ylang-ylang. En dan de afronding. Tabac Blond is de eerste geur die het chypreconcept (weliswaar zonder eikenmos). maar wel met heel veel patchoeli, vanille, amber en natuurlijk musk en leer een intens dierlijke finish geeft.
RUIK & VERGELIJK
Tegenwoordig gelden leergeuren met hun ‘rokerige’ karakter als uniseks. En dat is maar goed ook! Ze zijn (nog steeds) niet echt populair, maar in nichekringen zie je meer en meer ‘thank you for smoking’-parfums.
Voor de vergelijking hou ik het bij de oude garde. Met dien verstande, dat op onderstaande geuren de nadruk meer op leer dan het ‘rokerige’ idee ligt. Toch animeren ze geweldig door hun radicale en boute opstelling! Ik zeg: geniet met volle teugen!
Chanel – Les Exclusifs – Cuir de Russie (1924, 1983)
Knize Knize Ten (1924)
Lancôme Cuir (1936, 2007)
Call me old fashioned, call me modern… het gebeurt niet vaak dat een ‘nu’-parfum dezelfde, onbeschrijfelijke gevoelens teweegbrengt. Het is mij overkomen met de volgende geur, hoewel zoeter en bloemiger, brengt hij je toch in een gelijkgestemde vervoering… bijna eng. Wat je daarna ook doet, het enige dat je kunt zeggen:‘the devil did it, or… god’.
In de wereld van de haute couture staat Alix Marton, beter bekend als Madame Grès (1899-1993) alleen. Haar ‘werknaam’ is een omdraaiing van de voornaam van haar Russische man, kunstenaar Serge Czerefkow, over wie weinig bekend is. Geldt eveneens voor haar enig kind, Anne, die ze buiten de publiciteit wist te houden. Ze begon in 1934 als ontwerper voor Maison Alix (predestinatie?) en opende haar eigen salon in 1942. Aan belangstelling had Alix niet te klagen. Ze leende zich altijd graag voor interviews die ze doorspekte met opmerkelijke uitspraken: ‘Een vrouw kan nooit te rijk zijn of te mager’. Ook door haar uiterlijk viel ze op: toen ze vond dat haar haar te dun werd, besloot ze die voortaan te verbergen met een tulban – het werd haar handelsmerk.
In de modegeschiedenisboeken wordt ze omschreven als een puriste die met haar ‘gebeeldhouwde’ jurken in de buurt van kunst kwam. Niet zo vreemd, gezien haar achtergrond als beeldhouwster. Haar mooiste creaties drapeerde ze met hand, spelden en schaar rondom het lichaam, waardoor de associatie met de klassieke oudheid zich opdringt. Haar kleding leende zich uitstekend voor de vervreemdende fotografie waarmee de surrealisten in de jaren dertig furore maakten, wat de link met Madame Grès en kunst vergrootte.
Het aandeel van Madame Grès in de parfumwereld is bescheiden: maar één geur waar ze tijdens haar actieve carrière bij betrokken was, heeft de tand des tijds doorstaan: Cabochard. Het is de geschiedenis ingegaan als een klassieker. Zeer terecht. Het is een zeer donkere interpretatie van het bloemig-dierlijke chypreconcept waar de nadruk vooral ligt op de basis van eikenmos en patchoeli.
Op hoge leeftijd bleef Alix doorgaan met ontwerpen. Haar bedrijf was wel inmiddels overgenomen door een investeringsmaatschappij die op z’n zachtst gezegd een beetje vreemd met haar overlijden is omgesprongen: pas een jaar na haar dood werd dit ‘nieuws’ bekendgemaakt. Sindsdien leidt het huis een dolende koers. Zowel op kleding- als op parfumgebied.
Wat het laatste betreft: van de ene kant serieus met Ambre Gris uit 2008, van de andere kant merkwaardig commercieel met de hommage in trio-parfumvorm op Marlene Dietrich (2008) en Greta Garbo (2009).
WAT RUIK IK EIGENLIJK?
De geur begint met een stevige dosis aldehyden met bergamot, mandarijn en het intens fris-groene-sensuele galbanum. Het effect: een wrange frisheid die wordt doorgegeven aan het hart vol van Bulgaarse roos, ylang-ylang en jasmijn vermengd met kruidnagel en salie. Deze twee kruiden geven Cabochard zijn merkwaardige extra bruine-groene intensiteit.
De afronding is zoals een dierlijk chypre moet zijn: naast eikenmos, patchoeli, iris, vetiver, sandelhout en cistus labdanum zijn dat rokerig-zoet tabak, dierlijk leer en animaal-‘vies’ castoreum (ook bekend als bevergeil – tekening). Eindeffect: donker, zwoel, kruidig en toch bloemig.
Om te weten 1: Niet iedere vrouw houdt van dierlijke chypres, wel eens als omschreven als mannelijk. Weet dan dat Cabochard Estée Lauder heeft geïnspireerd tot haar klassieke mannengeur Aramis uit 1965 (niet geheel ontoevallig door dezelfde neus samengesteld).
Om te weten 2: Het parfum Cabochard, Frans voor koppig, is geïnspireerd op Robert Piguets Bandit (1945), beschouwd als het meest animale parfum ooit gemaakt.
Om te weten 3: Het parfum is in de loop der jaren steeds minder dierlijk geworden. Van wild-ruig, naar beschaafd-chic. En dat was volgens de nieuwe eigenaren nog te sterk. Daarom verscheen in 2000 Un Air de Cabochard.
RUIK & VERGELIJK
Dierlijke chypres zoals Cabochard worden tegenwoordig zelden gemaakt. De eerste reden: een nieuwe generatie consumenten vindt ze te zwaar, te uitgesproken. De tweede reden: door een uitspraak van de Europese Commissie is het percentage eikenmos – een van de bepalende smaakmakers voor een chypre – in geuren verlaagd tot een minimum: 1ml op 100ml. Hierdoor verminderd de kans op huidirritaties. Maar ook het ervaren van de ware chypre-essentie. Ook nadelig: typische dierlijk chypre-ingrediënten als civet en castoreum zijn ook in de ban en verplicht vervangen door synthetische alternatieven. Een van de gevolgen hiervan is dat Cabochard en Bandit ‘dichter tot elkaar zijn gekomen’.
Robert Piguet Bandit (1945)
Balmain Jolie Madame (1953)
Balmain Miss Balmain (1968)
Rochas Mystère (1978)
DE GARCONNE DIE AU FOND VROUWELIJKER IS DAN DE FEMME FATALE
GELUK HET MEEST KOSTBARE TER WERELD
Jaar van lancering: 1930
Laatst bijgewerkt: 04/04/09
Neus: Henri Alméras
Flaconontwerp: Louis Süe
De Parisienne die in de jaren twintig geld, humor en durf had én sportief was, kon niet om couturier Jean Patou (1880-1936) heen. Patou kleedde naar eigen zeggen het liefst de vrouw die haar eigen automobiel bestuurt met 120 km per uur, die golft, rookt en graag het casino en de paardenraces bezoekt. Vooral al deze gelegenheden had Patou de passende kleding én het juiste parfum.
Dat hij de tijdsgeest van de gay twenties goed aanvoelde, blijkt uit de namen van zijn parfums:Que sais-je?,Adieu SagesseenAmour Amour(alle drie uit 1925).Le Sien(1929) prees hij aan als een mannelijk parfum voor de vrouw die zich met eerdergenoemde bezigheden onledig hield.
Midden in de economische crisis van de jaren dertig presenteert PatouJoydat in de loop der jaren is uitgegroeid tot een onbetwiste klassieker en de omschrijving ‘le plus chèr du monde’ meekreeg. Mooie woordspeling – want is geluk nu ‘het meest dierbare ter wereld’ en of ‘het duurste ter wereld’? Kostbaar wasJoyin ieder geval. Niet alleen door de ingrediënten maar ook door de zorgvuldig en rijk, met bladgoud uitgevoerde flacon en verpakking ontworpen door architect Louis Süe (1875-1968).
Tot midden jaren zeventig verkochtJoy door de illustere naam en nieuwe campagnes zich als het ware vanzelf – vooral in Frankrijk en Amerika. Daarna raakt het langzaam in de vergetelheid. Dit moet veranderen met het in dienst treden van de ‘jonge god’ Christian Lacroix die in 1986 hoofdontwerper van het ingeslapen couturehuis wordt. Hij vervult zijn taak glansrijk, maar dat was helaas niet te merken aan de parfumomzet, vooral wanneer Lacroix wordt weggekocht door de concurrentie.
In 2001 neemt cosmeticagigant Procter & Gamble Patou over. Wat velen vreesden, gebeurde niet. Patou gaat niet in de uitverkoop. Sterker, onder de invloed van opkomende nichemerken opent Patou in Parijs zelfs een nieuwe boetiek – aan de rue de Castiglione waar naast gewone parfums alsJoyte koop zijn, maar je ook parfums op maat kunt laten maken.
In 2002 verscheen een moderne versie. Doel: een jonge generatie kennis laten maken met de rijke wereld van Patou. Naam:EnJoy. Voor de echteJoy-fans: Patou heeft een speciale versie in een 30ml flacon van Baccarat. Prijs: schommelend rond de 1000 €.
WAT RUIK IK EIGENLIJK?
De opbouw vanJoywordt vergeleken met het maken van couture. Niet zo vreemd: voor de inhoud wordt voor een groot deel met natuurlijke ingrediënten gewerkt en die zijn ook nog eens van de allerbeste kwaliteit.
InJoywerd voor het eerst zo’n grote hoeveelheid jasmijn en roos (rose de mai) verwerkt afkomstig van de door Patou zelf beheerde bloemenvelden in Grasse. De overige smaakmakers: aldehyden, perzik en bladgroen in de opening, ylang-ylang en tuberoos in het het hart, en sandelhout, musk (de echte naar wordt beweerd) en civet (idem dito) in de basis. Heerlijk ouderwets vol, rijk en gelaagd.
RUIK & VERGELIJK
Paul Poiret (1879-1943) richtte als eerste couturier in 1911 zijn eigen parfumfabriek op: Parfums Rosine, genoemd naar zijn dochter. Omdat hij de eerste was die mode en parfum met elkaar verenigde, wordt Poiret wel de uitvinder van het coutureparfum genoemd.
Zijn collega’s volgen hem in de jaren twintig. Veel van die geuren zijn inmiddels vervlogen – wie kent nog de parfums Molyneux, Madame Vionnet en Lucien Lelong? – andere blijven langer hanger en slechts enkele beklijven. Ze blijken achteraf echte coutureklassiekers. WaaronderJoyen:
In het kader van de vintage-trend zet ook Lancôme zijn onderzoek voort naar ‘vergeten’ klassiekers uit het eigen archief. De naam voor deze exclusieve reeks heet La Collection en kende al Magie (1950), Sikkim (1971), Climat (1973), Sagamore (1985) en Mille et une Roses (1999).
En nu Cuir. Werd voor het eerst gelanceerd in 1936 door Lancôme’s oprichter Armand Petitjean. Alleen onder een andere naam: Révolte. Maar gezien de politieke onrust wereldwijd in die jaren, werd besloten tot een minder tot sociale verandering oproepende en opruiende naam.
Opvallend aan leergeuren: typisch mannelijk. Sterker: honderd procent macho. Chanel is in 1924 de eerste die met Cuir de Russie leer een vrouwelijke toets gaf.
Er gaat het verhaal dat ze op het idee voor haar leergeur is gekomen toen ze van haar amant de Russische graaf Dimitri Pavlovitch (die ze begin jaren twintig had) hoorde dat kozakken altijd hun leren laarzen extra glans te geven die inwreven met de bast van berkenbomen. Samen gaf dat een intens, dierlijke en viriele noot die we nu kennen als Russisch leder. Cuir van Lancôme is ook ambigu: het wordt noch als mannelijk, noch als vrouwelijk omschreven. Het is gewoon voor de liefhebber. De neus Caliche Becker, die ook de klassieker Vent Vert van Balmain uit 1945, opnieuw en zeer getrouw interpreteerde, nam het originele Cuir-recept als uitgangspunt.
Wat opvalt: de hoge concentratie aan natuurlijke ingrediënten – met name in de basis – die je het gevoel geven dat je puur leer ruikt. Jammer alleen dat de geur snel van de markt is verdwenen, en de dop heel snel(bij mij althans) het loodje legde. De reden voor het eerste naar wordt beweerd: de hoge concentratie aan natuurlijke ingrediënten. Die waren te duur. Rare reden. Weet je van tevoren toch? Of was de vraag naar de geur onverwacht hoog? Leuke bijkomstigheid: Cuir wordt voor de geef aangeboden op internet.
WAT RUIK IK EIGENLIJK?
Eerste indruk: zoetig, zacht, beetje bloemig, beetje poederig. Kan dit zich wel kan ontwikkelen tot een echte leergeur. Reken maar. Zodra de eerste noten zijn vervlogen, de bloemen zijn uitgebloeid, ruik je leer en nog eens leer. De opening wordt opgelicht door bergamot en mandarijn. Maar door toevoeging van warm en ‘stroef’ saffraan (gaat mooi samen met de mandarijn en het leer) wordt direct duidelijk dat Cuir iets anders van plan is…
De toon is gezet. Dan het hart: bloemig-sensueel door ylang-ylang, meidoorn en jasmijn (dat van zichzelf al een dierlijke noot kan hebben). In de basis voegen deze bloemen zich met poederig iris, berk (afkomstig uit Noord Amerika), een ‘overdosis’ benzoïne (balsemachtige hars van de styraxboom met zijn natuurlijke leernoot) en patchoeli.
Er is zelfs sprake van de toevoeging van castoreum, ofwel bevergeil. Maar of dat ook de echte is… Maakt niet uit, het versterkt de sensuele noot van leer (benzoïne en berk dus). Ook mooi is de toevoeging van meidoorn, de bloem met een sterk houtig karakter. Versterkt ook op de een of andere manier het leergevoel.
RUIK & VERGELIJK
Liefhebbers van leergeuren komen steeds meer aan hun trekken. Niet alleen worden klassiekers opnieuw in roulatie gebracht, ook een nieuwe generatie neuzen raakt gefascineerd door het complexe gevoel dat leer – warm, viriel, barbaars, balsemachtig – weet op te roepen.
Oud leer:
Santa Maria Novella Peau d’Espagne (1901)
Chanel – Les Exclusifs – Cuir de Russie (1924, 1983)
Knize Knize Ten (1924)
L.T. Piver Cuir de Russie (18??, 1939, 2003)
Hermès Eau d’Hermès (1951)
Nieuw leer:
Serge Lutens Cuir Mauresque (1996)
Giorgio Armani – Armani Privé Cuir – Améthyste (2004)
Guerlain – L’Art et la Matière – Cuir Beluga (2005)
LIEF KLEIN TEER BLOEMEKE DAT BLOEIT IN DE DALEN SLECHTS DRIE DAGEN IN MEI
Jaar van lancering: 1956
Laatst aangepast: 24/03/2010
Neus: Edmond Roudnitska (1956), François Demachy (2009)
Flaconontwerp: Christian Dior
Illustraties: René Gruau
Denk je aan de couturier Christian Dior en aan bloemen, dan zeg je lelietje-van-dalen. Zijn voorliefde voor dit tere, klokvormige bloempje was zo groot dat Christian het zelfs tot ‘officiële bloem’ van zijn huis uitriep. Met zijn vierde parfum brengt hij in 1956 een ode aan zijn muguet, de Franse benaming. De naam die Christian bedacht, maakt duidelijk dat we hier met het ultieme Dior-gevoel te maken hebben: Diorissimo. Vrouwelijk, delicaat, romantisch en zorgenloos. Vooral in de door Christian ontworpen, kristallen amfoor (Baccarat) heeft de geur een legendarische status gekregen.
Let op: het couturehuis Dior houdt de nagedachtenis aan zijn oprichter ook op geurengebied levend. Hiervan getuigen de diverse lelietje-van-dalengeuren die om de zoveel tijd als limited editions worden gepresenteerd, waaronder: Lily Dior (2003). En in 2009 verscheen een nieuwe eau de parfumversie (in een nieuwe flacon en in diezelfde flacon werd ook de eau de toilette gestopt) in de serie Les Créations de Monsieur Dior gemaakt door de huidige huisneus.
WAT RUIK IK EIGENLIJK?
Diorissimo is als een romantisch bloemenboeket waar – vanzelfsprekend – de nadruk op het lelietje-van-dalen ligt. Alleen nu het wonderlijke: het lelietje-van-dalen is een ‘stom’ bloempje. Dat wil zeggen de frisgroene geur die voor velen ruikt naar voorjaar laat zich niet – meer – extraheren. Vroeger wel door het in dierlijk vet te stoppen en later dat vet via de Florentijnse fles te destilleren. Alleen te arbeidsintensief en dus te duur. Wat doe je dan? Als neus ga je op zoek naar bloemen die samen het lentegevoel van muguet oproepen.
Interessant om te vermelden is dat Edmond Roudnitska een geur wou die contrasteerde met de zware parfums op dat moment in zwang. En daarin is hij uitzonderlijk goed geslaagd. Vooral in de eau de toilette krijg je het idee van een lelietje-van-dalen bloeiend in een bos waar zachtjes de zon overheen schijnt en dauwdruppels de geur ervan versterken.
In de oude eau de toilette-versie van Diorissimo was dat een zeer elegante mix van groene noten gecombineerd met fris-bloemig bergamot, in dit geval zwoel jasmijn, fris rozenhout, boronia (houtig met een zweem van roos), amaryllis (eigenlijk hippeastrum met zijn zoete geur), koppig-zwoel ylang-ylang, stralend sandelhout en zelfs animaal civet. Deze extreme verfijning is er nu wel uitgefilterd.
Want in de 2009-versie van de eau de toilette spreekt François Demachy van het oproepen van een bosgevoel en de beschaduwde plek daarin waar het lelietje-van-dalen bloeit. Met andere woorden jasmijn dat een beetje nat is, groen met hier en daar een rozentoets. In de nieuwe eau de parfum-versie spreekt François Demachy van een absoluut rondom roos en jasmijn dat ‘zich hecht aan groen dat meer naar blad ruikt dan naar de stengel’. En toch, raar maar waar: ik meen me zo de oude Diorissimo te herinneren. Dat is knap, met minder meer, en doen je de povere bewerkingen van de afgelopen jaren – met het dieptepunt in 1999 – snel vergeten.
Let op: in het parfumextract van Diorissimo valt op dat het lelietje-van-dalen, of beter gezegd jasmijn, niet alleen fris, maar ook intens en enigszins zwoel met een dierlijke toets kan ruiken. Komt door indool (ruikt lichtjes naar feces) van nature in jasmijn aanwezig en een extra dosis civet. Diorissimo is trouwens de geschiedenis ingegaan als een van de mooiste lelietjes-van-dalen-geuren ooit. Roudnitska dacht daar anders over. Voor hem was dat Muguet du Bonheur van Caron (1952).
RUIK & VERGELIJK
Parfumeurs beginnen de charme van het lelietje-van-dalen weer op zijn waarde te schatten. En dan niet als ingrediënt dat altijd goed is voor een voorjaarsfrisse ondersteuning van een parfum. Ook als ‘puur’ bloempje. En weet dat bij Guerlain alleen op 1 mei en alleen in Parijs een speciale editie van hun klassieke Muguet wordt verkocht.
Als je een echt muguet-fan bent, plan dan je lentevakantie rondom die dagen en zorg dat je in (de omgeving van) Parijs vertoeft. Ook leuk om te vermelden: Début van Delrea werd gemaakt door de zoon van Edmond Roudnitska – Michel – en is een ode op… Diorissimo!
Door het aanhoudende succes van de vintage-trend ontdekken ook steeds meer parfumhuizen hun eigen roots. En dat juichen we toe. Want in hun ‘geheime, verloren gewaande geurengarderobe’ liggen parfums opgeslagen die voor een nieuwe generatie beslist de moeite van het ruiken waard zijn. Het Parijse cosmeticahuis doet het met vijf prachtparfums getiteld La Collection.
Lancôme was trouwens een van de eerste: de collectie bestaat al sinds 1995 en werd gelanceerd ter gelegenheid van het feit dat Lancôme 60 jaar in de parfumbusiness zat en was toen zelfs een tijdje te koop bij de Bijenkorf. Vervolgens alleen weer in het hoofdkantoor aan de Faubourg St. Honoré in Parijs, maar sinds 2005 ook via hun site en op enkele exclusieve punten in de wereld.
Waaronder trendsetwinkel Colette in Parijs (aan dezelfde Faubourg St. Honoré) en wederom de Bijenkorf in Nederland. Het vintage-kwintet in 2005 bestond naast Clîmat uit Magie (1950), Sikkim (1971), Sagamore (1985) en Mille et une Roses (1999). Helaas werd niet gekozen voor de originele verpakking en flacons van de verschillende geuren: alle vijf zitten in een chique basisflacon (inmiddels vier keer aangepast zowel in dop als in flacon) die het klassieke, dus tijdloze karakter van de geuren moet onderstrepen. Inmiddels zijn daar Cuir (2007) en Peut-Etre (2008) bij gekomen.
Sinds 2011 heet de collectie Maison Lancôme en was de concentratie geen eau de parfum maar een eau de toilette en gebotteld in een minder klassieke standaardflacon. Die kennen we namelijk al van onder andere (nog steeds) Magie Noire (1978) en Clîmat (niet meer). En helaas hebben niet alle geuren deze transitie gered. Vooralsnog. Waaronder Clîmat.
De gedachte achter Clîmat: een symbiose van klimaten en stemmingen. Hiervoor werden bloemen verzameld die voornamelijk in subtropische klimaten gedijen overgoten door koele aldehyden. Het effect: een ontwakende voorjaarstuin, samengesteld zoals een schilder zijn doek bewerkt met ruwe toetsen. Zonnig, groen, geel, zwoel en toch fris door de onderliggende groene laag.
WAT RUIK IK EIGENLIJK?
Clîmat is een goed voorbeeld van een klassieke bloemige aldehyde zoals die veel in de jaren zestig van de vorige eeuw werden gemaakt. De nadruk ligt, in vergelijk met de aldehydenparfums van de jaren twintig en dertig, meer op de groene-houtachtige noten dan op de sensuele weelde van bloemen. De opening doet denken aan gekneusde bladeren en takken waarop gardenia samen in volle euforie met het lelietje-van-dalen bloeit.
Hierover de, in dit geval, verfrissende aldehydenwolk die in de basis neerdalen op vetiver en animale noten van civet (tekening) en ambergris. De laatste twee verlenen Clîmat een subtiele, niet overheersende sensualiteit. Een toonbeeld van statige jaren zestig elegantie.
RUIK & VERGELIJK
Hopelijk is dit de definitieve naam en flacon van de vintagegeuren van Lancôme. Door het constant veranderen, lijkt het wel of het cosmeticahuis zelf nog niet weet waar zijn rijke geurengeschiedenis nu eigenlijk voor staat. In ieder geval, konden in 2011 er drie de toets der vintage-kritiek doorstaan.
Lancôme – Maison Lancôme – Peut-Etre (1937)
Lancôme – Maison Lancôme – Balafre (1967)
Lancôme – Maison Lancôme – Mille et une Roses (1999)