‘KOFFIE-ROOS’ MET VOORSPELBARE AFROMING, AFRONDING
Da’s niet normaal: 150! Het aantal Montalegeuren dat Fragantica vermeld op zijn infosite. Eén daarvan heet Intense Café. Stamt uit 2013. Ik ruilde hem onlangs met nog wat andere geuren omdat ik vind dat ik geen geuren van Montale meer mag kopen omdat het me allemaal te hapsnap, te commercieel en te weet ik niet wat allemaal is.
Ook echt niet normaal: van bijna elke nichegeur die je nu zoekt op internet, verschijnt inmiddels een of meerdere dupes bij de Google-advertenties. Intense Café heet bij Divain 684, bij Cocomora N°124.
Ondanks mijn wel of niet terechte vooroordelen is Intense Café toch leuk. Met name door de koffie – ‘Dûh, daar draait het in deze geur ook om!’ Koffie, in eerste instantie ingezet als mannelijke ‘tegenhanger-noot’ van de gourmandsmaken voor de vrouw. Het begon met Muglers A*Men (1996) en is inmiddels uitgegroeid tot een beyond gender-smaakmaker die je steeds meer, zeg maar heel veel terugruikt in de nasleep van geuren.
Niet echt interessant, maar ik had een tijdje twijfels bij koffie als nieuwe smaakmaker, gourmand-uitgeteld als ik was. Maar ik begin het inmiddels te begrijpen, of me erbij neer te leggen als je denkt dat koffie over een tijdje als goed alternatief wordt gezien voor patchoeli (ook aards, donker, warm, sensueel) dat door het veranderende klimaat (en daardoor grotere kans op misoogsten) steeds schaarser en dus steeds duurder zal worden.
En – mark rutte my words – dus het verschil in parfumgebruik zal definiëren tot welke klasse je behoort: puur natuur voor ‘the wealthy’, synthetisch voor ‘the poor buggers’. Maar dat is een ander onderwerp.
Je krijgt veel te ruiken in Intense Café maar dat geldt voor alle Montale- en Mancerageuren die ik tot nu toe heb geroken. Er zit een soort van booster in die ook Intense Café breed en vrijgevig maakt, tenminste als je de moeite voor neemt om het allemaal in je op te nemen.
Maar ook zonder een diepere interesse zit het wel snor – dan is-ie gewoon ‘lekker’, ‘bijzonder’ en voor de meeste mensen dus niche. Lekker die opening: de geur van verse rozen waardoorheen slierten van koffie slingeren. Je ziet het voor je. Had alleen voor mij wel wat langer mogen duren, het plaatje spat snel uiteen, want het wordt daarna direct voorspelbaar – witte musk (gaap), amber (gaap-gaap) en vanille (gaap-gaap-gaap) die samen met een beetje fantasie voor room en suiker kunnen doorgaan met op de achtergrond de geur van een vertrouwd kopje koffie. Datwasut.
12 Noir Absolu Collection Prestige van JC Parfums is een treffend voorbeeld van hoe ‘echte niche’ steeds moeilijker te onderscheiden lijkt van ‘nepniche’. I love it, want het onderstreept des te meer dat ‘alles’ waar niche zich op beroept – exclusiviteit en allerbeste kwaliteit van ingrediënten en eigenzinnige en gewaagde composities – eigenlijk marketingonzin is. Maar wel een zeer goed geslaagde. Chapeau!
De ‘kenners’ moeten misschien denken aan La Collection Privée van Christian Dior – ik in ieder geval. Hoewel je je natuurlijk kunt afvragen of La Collection Privée wel ‘echte niche’ is, hebben beide merken dezelfde uitstraling. Want hoewel de een zwart, de ander wit gepresenteerd, is de etikettering, omdoos, gewicht van de flacon en dop, en presentatie bijna een laken van hetzelfde pak.
En de geur dan? Flauw (of niet) om te zeggen, maar blind geroken zou ik er – ik gebruik deze omschrijving niet graag in verband met geur, maar het is het eerste wat in me opkwam – in zijn gestonken; ‘Niche!” 12 Noir Absolu is warm, vol, gul en schommelt olfactorisch tussen Ambre Nuit en Patchouly Impérial met een vleugje Oud Isaphan.
Het verhaal achter de geur, klinkt wat vreemd en af en toe onbedoeld grappig, maar dat ligt hoogstwaarschijnlijk aan de vertaling: ‘Dit metaforische sap dompelt je onder in een onverwacht en vreemd concentraat van donkere bossen en witte bloemen. Deze geuren stuwen je soms op een reis naar de donkerste bossen met patchoeli, agarhout, dierlijk hout, zwarte bes, soms in een reis onberispelijk door jasmijn en narcissen. Het hele gebeuren is absoluut verontrustend tot het punt dat het bijna onwerkelijk wordt’. Let op het gebruik van soms.
De opgegeven ingrediënten. Top: zwarte bessensiroop, aquatische noten, hart: cyclaam, narcis, sambacjasmijn, roos, en basis; oud, patchoeli, wierook en benzoïne.
Eerlijk gezegd: het komt er allemaal niet uit wat erin zit. Aan de opening ontbreekt de sprankeling die deze twee kunnen oproepen met name als je zwarte bes onderdompelt in waternoten. Mijn maat der dingen wat frisse zwarte bes betreft: Hermès’ Amazone Eau Fraîcheur. Gebeurt niet.
Het hart is echt ‘spannend’ door de originele combi van (het weinig) gebruikte cyclaam en (dito) narcis. Ik ruik het alleen niet echt. Dus geen patsboem-effect van mierzoete cyclaam (think pink) en supergele, supergeile narcis. Samen moet dat iets ‘meeslepends sensueels’ opleveren. Gebeurt niet echt.
Dat komt voor een groot gedeelte op conto van de basis. De ingrediënten daarvan lijken overgedoseerd waardoor je er als het ware direct mee in aanraking komt, zonder opening en hart mee te krijgen. Dat is vaak de makke met oud-angehauchte geuren, de basis eist te snel de aandacht op.
Maar dat zullen waarschijnlijk – hier volgt een vooroordeel – de meeste gebruikers juist prettig vinden. Die zitten niet echt te wachten op – hier volgt er nog een – een bedwelmende ontmoeting tussen cyclaam en narcis. Wel op een gulle en krachtige geur – en nog een – en dat wordt tegenwoordig geassocieerd met niche.
Laten we de boel eens omdraaien: wat zou Dior gedaan hebben met deze ingrediënten? Ik vermoed en ik hoop dat het een verzwelgende bloemengeur zou zijn geworden gesmoord door oriëntaals hout. Nog iets: ik denk ook niet dat de liefhebber van La Collection Privée op zoek is naar JC Parfums. Andersom wel. Of is dit ook een vooroordeel?
Lees net dat 12 Noir Absolu is ‘ontleend’ aan Matière Noire van Louis Vuitton. Interessant. Gemaakt door Jacques Cavallier. Nu denk ik dat ik mijn gewenste verzwelgende bloemengeur aangereikt zal krijgen.
OVER WIKIPARFUM, TE VEEL PARFUMS EN TE VEEL PARFUMS
VRIENDELIJKE, PRETTIGE & VOORSPELBARE Oud
Wikiparfum
Ik overweeg het al langer, maar na het doorscrollen van een recente nieuwe infosite die op mijn tijdlijn verscheen – www.wikiparfum.com in samenwerking met Michael Edwards en zo’n beetje alle geurproducenten: van Givaudan tot Takasago – wordt de gedachte sterker: stoppen met www.geurengoeroe.com.
Óf anders alleen nog maar ontwikkelingen en geuren bespreken die echt interessant zijn in (en voor) de wereld van parfums. Want dat die is doorgedraaid (Wikiparfum heeft, alsublieftdankuwel, bijna 20.000 geuren in zijn bestand) staat al langer vast.
Niet de eerste keer dat ik hierover geurzeur. Mag het allemaal – vul in wat je gevoel je ingeeft – een ietsiepietsie, een beetje, heel veel minder worden? Zelfreflectie – wat pietluttige ‘eco’-initiatieven daargelaten – is een deugd die de parfumindustrie vreemd is, of het moet een van de talloze karaktertrekken zijn betreffende de doelgroep voor een nieuwe geur – Calvin Klein of zo.
En om op deze parfumproductie in overdrive alleen maar cynisch commentaar te geven – ook zo makkelijk. De kans daarop wordt trouwens wel steeds groter. Ik was het van plan bij de nieuwste geur van Mona di Orio: Domaine. Tien jaar geleden zou ik onder de indruk zijn geweest, maar nu denk ik: ‘Nóg een lelietje-van-dalen-geur!’ Zal die echt een nieuw licht laten schijn op dit blommeke zo tere, kleine en fijne? Kan me het haast niet indenken; ben ook te lui om me er verder in te verdiepen.
Wat Wikiparfum betreft en de overweging tot stoppen: daar worden veel merken genoemd waarvan ik nog nooit gehoord heb. Moet ik me dan als insider echt zorgen maken? De site leeft gelukkig wel mee met ‘mijn’ twijfel. Ik hou er niet van, maar vooruit, ik laat een ‘persoonlijk’ geurprofiel opstellen. Een paar vraagjes. Favoriete parfum: Nuit Noire Mona di Orio. Nog een: Bandit Robert Piguet. Hun – waarschijnlijk door AI aangedreven – conclusie: ‘You love perfumes of the oriental and leather families. You also love nuances of the floral and woody subfamilies’. Nou, dan heb je bijna het hele spectrum te pakken.
Re-lelietje-van-dalen
De parfums die ze me aanraden: Benjoin 19 Le Labo en Leather Copper Lalique. Grappig: met beide merken heb ik niets (meer). Le Labo met zijn nep-exclusivisme en Lalique die lanceert gewoon too much. Speaking of which: bij Encre Noire Sport ontplofte ik bijna. Waarom in hemelsnaam van een vetiverbom een sportieve versie maken? Verder heeft Wikiparfum nog 48 (!) aanraders voor mij, maar om die te weten te komen moet je je inschrijven. Dikke doei.
Aangezien ik Oud for Glory van Lattafa bespreek – via dezelfde ruil tot me gekomen als Red Tabacco – ging ik bij het alfabetische overzicht van Wikiparfum naar de L om te zien welke andere merken ‘die daarmee beginnen’ me niets zeggen. Van de 65, 16 stuks: nada-niente-niets. Een stuk of 10 ken ik van naam maar het wie, wat, waar en waarom weet ik niet. Van de meesten interesseert het me ook niet. Lionel Richie, ik bedoel me maar – die heeft dus weinig vandoen met Wikiparfums slogan: ‘We bring the art of perfumery to you’. Trouwens – hoe vaak moet ik het nog zeggen! – daar is in 90 procent geen sprake meer van; gewoon commerciële negotie.
Nu dan echt Oud for Glory. Lataffa (anno 2014 opgericht in de Verenigde Arabische Emiraten), een samentrekking van Latif (vriendelijk) en Lateefa (prettig), is een van de vele Arabische merken die meevaren op de koers ooit in gang gezet door Amouage (waardoor dit merk genoodzaakt was om zelf te verhippen, dus met trends moest meegaan, dus lanceringen te versnellen) en later door Montale (2004). Dit was natuurlijk niet gebeurd als de verschillende landen op het Arabische schiereiland, naast olie – eens houdt het op – zich ook op andere inkomstenbronnen waren gaan concentreren – de opkomst van Abu Dhabi als luxe vakantieoord voor de middenklasse is in deze exemplarisch.
Deze opstuwing in de vaart der volkeren heeft ook tot een zekere bewustwording en trots bij de lokale bewoners geresulteerd: het benadrukken van hun eeuwenoude cultuur en kunst. Dat ‘noodzakelijkerwijs’ wel een moderne injectie moest krijgen om de met name westerse toerist een gevoel van sociale acceptatie – ‘Het gaat goed met de vrouwenemancipatie’ – en herkenning te geven – ‘Heb je die wolkenkrabbers gezien, je kunt er ook overdekt skiën!’ – terwijl die zich snikheet zit te vergapen aan de blingbling van de shoppingmalls – ‘heerlijk die airco!’ En aldaar wellicht ook bij de keel wordt gegrepen door doordringende parfums die daar zweven. Misschien valt de trendy toerist wel voor en/of door een creatie van Lataffa. Keuze uit 127 stuks.
My oud, my oud, my kingdom…
Wat ik het leukste aan de geur vind: de naam. Oud for Glory – ik weet helaas niet wat Bade’e Al betekent; Google Translate biedt geen uitkomst – maar het heeft voor mij een soort Shakespeare -achtige wanhopigheid. ‘My horse, my horse, my kingdom for a horse’. ‘My oud, my oud, my kingdom for an oud’. Gaat voor het merk zelf ook op, qua je wanhopig voelen dan, mocht je in de winkel staan omdat je van plan was een geurtje mee naar huis te nemen voor je buurman – ‘Doe maar iets met oudh’.
Wat een absurde hoeveelheid. En we gaan nog niet naar huis, nog lange niet, nog lange niet: Ameer Al Oud,Ameer Al Intense Oud, Amwaaj Oud, Chic Oud, Chic Oud Summer, Danhal Oud Kambodi, Deen Al Oud Al Ameeri, Just Oud, Just Oud Boulevard, Khurafi Oud, Lubb Al Oud, Mukhallat Oudh, Nakahat Al Oud, Night Oud, Oud Al Sahraa, Oud Mood, Oud Mood Elixir, Oud Mood Silver, Oud Salama, Oudain, Rouat Al Oud, Velvet Oud, Bade’e Al Oud Amethyst, Eternal Oud, Blue Oud, Opulent Oud.
Ach waarom niet, de ‘verantwoording’ bij de geur: ‘Een nieuwe dag, een nieuwe kans om uitdagingen aan te gaan. Badee Al Oud Oud for Glory verfrist je geest en zorgt dat je onbevreesd je instincten kan volgen. Ga elke dag het avontuur tegemoet’. Doen we.
Grappig, de opening: kan je op het verkeerde been zetten. Is het nu alleen saffraan wat ik ruik of resoneert op de achtergrond ook een volle roos? Wel origineel en onverwacht die combi met nootmuskaat. Het tempert de zoetheid van de saffraan, die voor mijn gevoel in geuren anders ruikt dan in de keuken. En dan: oud, of beter omschreven: ‘rook van agarhout’. Is dat niet hetzelfde dan? Het levert in ieder geval geen andere kijk op oud op. Want die is in Oud for Glory vriendelijk, prettig & voorspelbaar. Bijna gaap-gaap. Daar verandert de patchoeli ook niet echt veel aan. Ook al wordt dit herhaald in de basis: dus nog een keer ‘rook van agarhout’ en patchoeli uitgeleide gedaan door (een beetje zoete) musk.
Stel je het allerbeste adelaarshout (die hoop ik ooit nog eens in het echt te ruiken) voor gelayerd met pure patchoeli, en je krijgt volgen mij een intense eerst sompige, steeds droger wordende sensueel-warme houtbeleving die je naar adem doet snakken.
Het merk interesseert me eigenlijk geen mallemoer; de verleiding om me erin te verdiepen is nihil. Maar het is dat ik een Red Tobacco via een ruil – door een samenloop van omstandigheden voor het eerst gedaan via Marktplaats – kreeg toegestuurd. Dus moest ik me wel even verdiepen in het merk. Er zijn leukere dingen in het leven.
Let wel, het is tegenwoordig niet makkelijk om het ware ontstaan van parfumhuizen te vinden op internet. Zelfs, of juist meer, moet je twijfelen aan het ‘waarheidsgehalte’ op de officiële homepagina’s en de – ‘about us’ – van merken. Zo ook die van Mancera.
Eigenlijk maakt het me ook niet uit. Het doet maar, net zoals met zijn geuren – die draaien als een dolle wat productie betreft. Op mij komt het allemaal ongeïnspireerd over ondanks de veronderstelde boeiende storytelling. We’re only in it for the money, dat gevoel overheerst bij mij. Dat natuurlijk geldt voor bijna elk menselijk handelen, maar toch.
Dit maakt Google Translate van hun ‘about Mancera’ (door mij ingedikt): opgericht door Pierre Montale (ja die de man die met Montale Parfums oudh in 2004 in Europa introduceerde) in 2008. Mancera is een cadeautje aan zijn dochter, Amélie. Resulterend – hier begint de overdrijving – in een ‘unieke samenwerking tussen een vader en zijn dochter’. In 2017 wordt Amélie artistiek directeur ‘van dit multi-generatieproject’.
Pierre wordt omschreven als: ‘Een vertrouwd reiziger van het Verre Oosten, met een ouderlijke kennis aan hem overgedragen in de donkerste hoekjes van de workshops van meesterparfumeurs’. Amélie als: ‘Fotograaf en visionair visueel kunstenaar, gepassioneerd door art deco en verliefd op de geuren waarin ze is opgegroeid’.
Pierre
Amélie
Nou nog een zelfvoldane liefdesverklaring en dan vind ik het wel goed zo: ‘Mancera overstijgt westerse en oostelijke inspiratie waar vier handen aan het werk zijn. Deze familiesonate produceert een visuele en olfactorische dans, een reis naar de randen van afgelegen landen waar mythen worden geboren en de toekomst wordt gemaakt’.
Red Tobacco is een van de – ik ben gestopt met tellen – geuren van Mancera. Ik had liever een dikke vette oudh van ze gehad, kijken hoe die verschilt van mijn favoriete MontaleBlack Aoud.
Red Tobacco is een ‘van-alle-marktenthuis’-geur en je krijgt de volle mep, en – moet gezegd – waar voor je geld. Dus: beetje gourmand, beetje oud, beetje aromatisch, en iets meer oosters en iets meer oosters-kruidig. Wat die volle mep betreft: het lijkt wel of in de geur een soort van ve-tsin zit, het geheel wordt aangestuurd door iets waardoor de geur knalt, waardoor je het gevoel krijgt écht met een eau de parfum vandoen te hebben. Wat ik met heel veel geuren met dergelijke concentraties veel minder heb: zoals de Lancôme’s, de Armani’s van deze wereld.
Pats boem is de opening, een prettige wervelwind van zoet, zoete kruiden, exotisch, fruitig. Opgegeven smaakmakers: saffraan, kaneel, nootmuskaat, witte peer (of was het nu perzik?) en groene appel. Ik kan ze er niet stuk voor stuk uitpikken. Wel: een oudh-accent met iets rokerigs. Land van herkomst: Nepal (wist niet dat dit land ook een oudhproducent is).
Het hart klopt door patchoeli en jasmijn. Ook dat ik ervaar ik niet echt. Dat komt door het wervelwind-idee: je ruikt zoveel dat je neus in de war raakt. Ruik ik nu op de achtergrond een – gladde – patchoeli die opgaat in een tevens – gladde – tabak? Wil zeggen: ik ruik iets donkers, maar niet de typische aardse noten van beide – eerder een gepolijste versie. Dat moet haast wel op het conto komen van de toevoegingen: amber, vanille en witte musk (hier wel erg zoet gedoseerd) ondersteund door guaiac en vetiver. Maar het doet me allemaal niets.
Volgens Mancera is Red Tobacco ‘warm’ – kan ik in meegaan – ‘betoverend’ – niet echt – en ‘ongelooflijk potent en sexy’. Helemaal niet dus. Red Tobacco is, hoe omschrijf je het netjes, ‘middle-of-the-road’-niche waarvan de prijs-kwaliteitverhouding klopt. Maar voor de rest? Zal wel. Zie eerste zin.
Kwam – net zoals Van Der Zotte – ook voorbij op mijn tijdslijn, en niet één keer, maar tig: Cliff Vintage. Ik naar de site, tester-set aangevraagd die binnen no time bij mij op de deurmat viel. Niet zo vreemd. Cliff Vintage komt uit Emmen zie ik op het postadres en ik woon in Gees. Ziet er goed en helemaal nu uit: niets is van plastic behalve de sluiters van de proefjes.
Storytelling: ‘Twee hartsvrienden zaten in een bar singel malt whisky te drinken, mijmerend over de fijnere dingen in het leven en pratend over de goeie oude tijd. Een beleving, toen de geur van de gerijpte whisky hen herinnerde aan het vervlogen tijdperk. Het bracht hen op het lumineuze idee om de perfecte gentlemen’s parfum te creëren met diezelfde beleving. Een goed product dat niet gaat over smaak of geur maar gebaseerd is op een levensstijl. In ieder geval een geur waarbij de vrouw des huizes vraagt: waar was jij? En zo geschiede.’
Ik kan het niet laten, zal wel met mijn ‘investigate journalism’- en eindredactie-achtergrond te maken hebben: hier slechts een paar kanttekeningen. Het is toch single en geen singel? En zo geschiedde? Het is niet de, maar het parfum. Wat is ‘het vervlogen tijdperk’? Alsof je over de tijd van, pak’m beet, Willem van Oranje praat. Graag zag ik de levensstijl gedefinieerd. Want een levensstijl kan ook fout zijn. Nu krijg ik hatemail want ik denk dan direct aan Gordon. En kan eveneens als onaantrekkelijk ervaren worden – ik heb bijvoorbeeld niets met de levensstijl van Conny Witteman.
Tja, ‘de vrouw des huizes’, dat doet een beetje-behoorlijk belegen aan. Zo van onder ons gesproken en gezwegen, ‘die heeft thuis de broek aan’. Hierop voortbordurend: gezellig rolbevestigend bezig Cliff Vintage. Whiskey is een echt mannending. Not! Ik ken ‘genoeg’ vrouwen die het drinken. Met en zonder ijs.
Verrassender dan je zou vermoeden
En deze gebrekkige storytelling is allemaal niet echt nodig omdat de geuren gewoon goed zijn. Maar voor ik die bespreek, iets anders. ‘In de wereld van parfums’ is whisk(e)y al vaker een inspiratiebron geweest. Maar dan meestal in een chique, soort van vintage Givenchy Gentleman-achtige allure of connotaties hebbend met ‘those were the days’ mannensociëteiten en -clubs in Londen. Vaak resulterend in houtachtige geuren met een flinke vanille-injectie, kruiden en andere zoetmakers.
Maar dat is nu veranderd: zoals cognac on the rocks drie decennia geleden werd ontdekt door de hiphop en r&b-scene in Amerika, zo wordt whisk(e)y nu anders beleefd. Het heeft zijn chique, country-ambiance verlaten en is marketingtechnisch klaargestoomd voor blokes, lads en gewone hardwerkend kerels die rondom het zelf aangestoken haardvuur, zittend op steigerhout-gestylde meubels (die soms per ongeluk ook voor brandhout worden aangezien) het reuze oer-gezellig en smaak hebben. Sommigen laten natuurlijk hun baard staan en laten die nauwkeurig bijwerken bij de lokale barbershop – en daar wordt nog net geen whisky geschonken (maar Cliff Vintage soms wel verkocht).
WAT RUIK IK EIGENLIJK?
Grappig. Bij Silver heb ik een puur vintage-gevoel. En dat voelt lekker aan. Doet me denken aan mannelijke chypres uit midden jaren zeventig met groene noten en eikenmos-ondertoon – zowel in de opening als doorlopend naar de drydown. Zij het alleen wat minder scherp en knallend (toch ervaar ik ook een lichte terpentijn-noot). Ik herken de opgegeven ingrediënten als zodanig niet, de roos uitgezonderd, want daarvoor zit je te snel in de basis van aangenaam ‘warm-sensueel’ hout. Maar Silver komt, zoals je wil, aardig dicht in de buurt van whiskybeleving.
Dat heb ik dus totaal niet met de Gold-variatie. Is voor mij het tegenovergestelde van ‘mannelijk’ en ‘tough guy’. Ik ervaar een overload aan witte bloemen waarvan de indolen gekieteld lijken te worden door mijn fetish-ingrediënt: civet. Subtiel aanwezig. Mooi is het verloop van de compositie: langzaam worden de bloemen overgoten door honing die daarna als het ware worden opgezogen door het leer. En bijzonder: je krijgt het gevoel alsof de zon schijnt ‘de hele geur door’. Gold associeer ik met chic, ‘vrouwelijk’ en klassiek. En Jasmin & Cigarette van Etat Libre Orange dwarrelt door mijn hoofd. Deze ga ik bestellen.
Platina: alsof je je hoofd soort van in een houten whiskyvat stopt. Uiterst aangenaam. De neroli is heerlijk bloemig, de amber kleurt en geurt als whisky, en het cederhout houdt het geheel mooi strak (in het vat). De geur is voor mijn gevoel het meest ‘mannelijk’; dus het meest toegankelijk voor de beoogde doelgroep dan. En lekker, sommigen interpreteren het als vies, maar ik moet ook een beetje denken aan de klassieke schoenenpoets – kan ook zo heerlijk smeuïg ‘zoethout’-achtig ruiken.
Ik zeg het niet vaak, omdat het te vaak wordt gezegd: ik ben aangenaam verrast. En net zoals Van Der Zotte is dit trio origineler – zowel in compositie als in ‘aanpak’ – dan de gemiddelde mannengeur die je nu treft op de schappen van de ketenparfumerie. En je koopt ook nog eens lokaal. En de geuren blijven inderdaad lekker lang hangen. Ben benieuwd naar de neus, zal toch niet… ?
De naam La Closerie des Parfums doet iets eeuwenouds vermoeden. 1600, 1700 nog wat. Komt met name door la closerie. Google Translate vertaalt het met closerie. Daar hebben we niet veel aan, maar doorwereldwijdwebbend kom je erachter dat het een boerderij kan zijn, maar ook een hofstede, een domein, een tuin, een park.
De overeenkomst: ze zijn allemaal omringd door een muur. Zoiets heeft iets verfijnds, rustigs, verzorgd en chiques. De muren van La Closerie des Parfums zijn pas in 1972 opgetrokken. En wat daarachter allemaal is gebeurd, klinkt vaag. Iets van twee broers – Antoine en Hervé Madrid – grote parfumliefhebbers en ‘vivre à la Française’ die, ja hoor, traditie aan innovatie koppelen. Ze waren met name succesvol in Amerika en kochten daarnaast diverse beautyhuizen op en bliezen die nieuw leven in. Er volgen geen ‘bewijzen’, er volgen geen namen. Lekker makkelijk.
En dan komt Hervé’s dochter Valérie om de hoek kijken. Zij schudt de boel lekker flink op. Haar bedoeling: de terugkeer naar de essentie van Franse parfumkunst. Pardon? ‘Bedankt voor niets pa, bedankt voor niets oompie, move over!’
Ze huppeltut: ‘Voor mij is het idee van ‘la closerie’ ideaal. Ten eerste omdat het een tuin is die mooie essences bewaart. Maar ook omdat je er heen gaat voor een verandering van omgeving. Onze geuren zijn ontworpen vanuit deze dualiteit. Altijd het bekende met het onbekende mengen. Een delicate Parijse herinnering combineren met de verleidelijke beloften van verre landen. Ik kom oorspronkelijk uit Bordeaux, het beroemde kruidencentrum, en ik droom graag van andere horizonten. Met La Closerie kan ik mijn smaak voor exotisme combineren met de traditionele Franse parfumerie.’ Applaus. Nog een dooddoener: ‘Onze parfums nodigen uit tot reizen en het verlangen naar elders.’ Ook ontroerend: ‘La Closerie is een bevoorrechte deur tot de verbeelding’.
Valérie heeft het samengevat in een rekensom: een kostbare basis + variaties aan specerijen = duizend bestemmingen. Conclusie volgens mij: doe waar je goed in bent en laat de pr over aan mensen die er verstand van hebben.
Je ruikt Valérie’s nieuwe beleid terug in vier lijnen: Iris, Patchouli, Oud en Rose. Van laatste ontving ik een proefpakketje: Suède Rose Canelle, Pétale RoseCardomome en Bois Rose Muscade. Direct twee associaties. De eerste doet denken aan Kelly Calèche van Hermès, maar dan iets zwaarder. De derde aan Rose Absolue uit de nichelijn van Yves Rocher door de kruidige toets.
Moet gezegd: de basis – roos – van de geuren is mooi, rond en vol, richting fluweel. De toegevoegde ingrediënten die je naar ‘duizend bestemmingen’ brengt, zorgen – moet ook – voor de nuanceveranderingen. Zo ruik je de kaneel in Suède Rose Canelle elegant, zonder te veel op de voorgrond te treden, en zit een honingspoor in het geheel die ervoor zorgt dat het suède lekker zacht blijft en achterblijft in een warme amberbasis.
In Pétale RoseCardomome zorgt inderdaad kardemom voor een frisse dauwachtige toets, geeft een lentegevoel aan het geheel en dan kom je, qua vergelijking, al snel in een van de meer dan niet ommuurde 25 tuinen van Yves Saint Laurents Paris Premières Roses terecht – alleen blijft hier de ‘fluweelroos’ duidelijker op de voorgrond. Bois Rose Muscade is voor mij een ‘basisroos’ van goede kwaliteit – that’s it.
Vermeng je alle drie dan ben je ‘zo mooi als een roos’. Deze flauwiteit daargelaten, La Closerie des Parfums valt in de categorie instap-niche en zal in de smaak vallen bij mensen die moeite hebben met al die ‘moeilijke, artistieke en quasi-intellectuele merken van tegenwoordig’, maar toch de overstap van doorsnee naar ‘iets verfijnder’ willen maken. Ben dan ook benieuwd hoe La Closerie des Parfums de iris, de patchoeli en de oud hebben behandeld. Natuurlijk niet door Antoine en Hervé Madrid. Valérie lijkt ze met pensioen te hebben gestuurd. Voor de nieuwe creaties zocht ze contact met negen verschillende neuzen.
Ik vind het knap: een idee, een gedachte zo oud als de weg naar Grasse, te presenteren als iets nieuws. Zoals: ‘Een zoektocht naar een nieuwe olfactorische elegantie en een nieuw begrip van luxe’. Ik zeg: vul de concurrenten maar in, of ga langs de (niche)merken met hun hun eigen plankje in de parfumerie met daarop een collectie met basis-ingrediënten van de parfumerie die een veredelingsproces hebben ondergaan. To name a few: Guerlain, Acqua di Parma, Mona di Orio, Hermès, Reminiscence, Grandiflora, Prada, Jo Malone.
Dit klinkt ook verdomde bekend in de oren: ‘Luxe ingebed in eenvoud rekening houdend met milieukwesties’. Kan er ook nog wel bij: ‘Onze parfums zijn modern en weerspiegelen een samenleving die bestaat uit nieuwe consumenten zich bewust van de wereld om hen heen, veeleisend en op zoek naar onderscheidende geuren’. Als laatste: ‘Onze parfums passen ook bij de garderobe en levensstijl van vandaag: eenvoudig, hoogwaardig, origineel en casual’.
Dit lees je allemaal op de openingspagina van www.obviousparfums.com, maar had natuurlijk door veel andere merken bedacht kunnen worden. Ik kan alle bovenstaande uitgangspunten wel ontleden, maar daar is geen beginnen aan. Ik hou het op: ‘Been there, done that’. Wat daarbij komt: je struikelt tegenwoordig over de goede inclusieve bedoelingen van exclusieve merken. De boodschap loud & clear: koop onze producten dan gaat het in alle opzichten de goede kant op de met wereld’.
Nog knapper: oprichter David Frossard heeft via crowdfunding zijn parfumproject voor elkaar gekregen. Want Obvious is en blijft toch een bekende variatie op een zeer bekend thema (‘onlangs’ ook gedaan door www.matière-premiè.com en eerder door www.nomenclature.nyc en heb er zeker een of twee over het hoofd gezien). Alsof de parfumwereld niet wordt gekenmerkt door overproductie. Wat dát voor een impact heeft op het milieu (over goede bedoelingen en commitment gesproken) daar hoor je bijna niemand over. Ik ken een aantal jonge creatievelingen die het ook hebben geprobeerd, maar zagen hun ‘parfumdroom’ stranden, vanwege gebrek aan belangstelling bij crowdfunders.
Nog iets over Frossard. Ik heb soms het idee, dat investeerders/zakenmensen met ‘een passie voor parfums’, voor nieuwe merken op zoek gaan naar hippe, aantrekkelijke mannen (liefst getatoeëerd, veel haar, een woest-aantrekkelijke uitstraling en literaire inslag) die het gezicht en oprichter worden van het merk. Ik had het onlangs bij Leo Crabtree van Beaufort, de allereerste keer bij Ben Gorham van ByRedo. Frossard past ook perfect in deze mal. Maar al www-ende, lees ik dat hij ‘daarnaast’ ook zakenman is. Ik dacht al: ‘Wat komt mij dit gezicht bekend voor’.
Blijkt: hij is de man achter het parfumlabel Liquides Imaginaires dat weer onderdeel is van het door hem opgerichte bedrijf Différentes Latitudes met inmiddels een eigen ‘bar à parfums’ – nieuwe naam voor winkel – aan de rue de Normandie 9 en inmiddels ook een ‘dépendance’ – nieuwe naam voor corner – in de Bon Marché (beide Parijs) waar je kunt kennismaken met al zijn ‘onafhankelijke’ merken die hij als distributeur voert; waaronder Frapin Parfums, Andrea Maack, Parfum d’Empire, Carine Roitfeld.
Frossard: een man van deze tijd: de edele wilde, de wilde edele.
Kan er niets doen: maar Obvious doet me het meest denken aan die stalletjes met parfums in Zuid-Frankrijk op van die gezellige toeristenmarkten. Ik kocht ooit, rond 2000, in Perpignan ‘Une Verveine’, ‘Un Musc’ en ‘Une Fique’. 100 ml € 12,00. Heb nog steeds spijt dat ik niet alle geuren heb gekocht. Anyway, Obvious doet hetzelfde maar veredelt het principe, maakt het ‘Made in Paris’. Kekke verpakking, kekke boodschap.
En het merk zal het wel goed doen – ik weet dat www.parfumaria.com de geuren heeft ingekocht en dat ze Une Verveine goed vindt. De reden tot inkoop: makkelijk, niet moeilijk, leuke kennismaking met niche, alhoewel ze vindt dat daar hier niet echt sprake van is – valt eerder onder de categorie ‘prestige’.
Hè, hè. Nu eindelijk de analyse: Un Patchouli zoals patchoeli is bedoeld. Ik rook ongeveer tegelijkertijd Patchouly Ardente van Guerlain – die is smeuïger, neigend naar gourmand. En dat kenmerkt Un Patchouli ook. Gelukkig geen vertrouwde citrusopening: je zit er direct in. Want naast het ‘stroeve’ dat deze patchoeli kenmerkt in de opening (wil zeggen: naast het hout, ruik je ook de typische kamfernoten) wordt de geur wel een behoorlijk zoete sfeer ingetrokken door een soort van overdosis van tonkaboon die aan diepte wint door tolubalsem (met zijn diepdonkere vanille-ondertoon maar dan aromatischer, minder vlak).
Ik vrees alleen dat een ‘ouwe hippie’ de geur te gepolijst zal vinden, het ruwe randje (kamfer) is daarvoor te veel gevijld als het ware. Te clean, te weinig vies. Ik hoop dat door ‘een nieuwe generatie’ deze klassieke kijk op patchoeli goed ontvangen wordt. Want witte patchoeli – echte patchoeli ontdaan van zijn kamfer – geeft toch een vertekend beeld van de kracht van dit kruid, want dat blijft ontegenzeggelijk indrukwekkend.
Het fijne van dergelijke ‘solifleurs’: je kunt ze mengen. Als je dat doet, dan ben je de gewenste consument van nu. Obvious adviseert: Un Patchouli + Un Poivre = ‘een combinatie die houtachtige en wierookfacetten onthult voor een ultradroge en licht rokerige geur’. Un Patchouli + Une Rose = ‘de patchoeli maakt de roos vintage, klassiek en oriëntaals met een cacaofacet’. Un Patchouli + Une Vanille = ‘een gourmandparfum waarbij de vanille de tonkaboon van de patchoeli versterkt en nog zachter maakt. Het leren facet stijgt en roept lichtjes de rokerige en leerachtige vanillestok op’.
En met Un Musc wordt de patchoeli volgens mij poederiger, zachter en cocon-achtig. Wil je dit zelf ondergaan, dan raad ik aan de discoveryset te kopen. Ben je klaar voor € 15,00. Persoonlijk vind ik € 110,00 voor 100 ml per flacon aan de pittige kant voor affordable niche.
De nieuwe Jacques Fath heeft natuurlijk niets met de oude, de echte vandoen. Wie de eigenaar van de huidige licenties is: staat op de flacon: www.panouge.com. Is het belangrijk? Nope. Maar ik ben – van historisch oogpunt gezien – altijd benieuwd naar de omzwervingen van deze licenties na de dood van de naamdrager.
Wel weer wat geleerd, Jacques Fath (1912-1954) de couturier, in de vintage parfumwereld heldenstatus genietend vanwege zijn Iris Gris (1946) en Green Water (1947) lanceerde zijn eerste parfum vlak na de bevrijding, die niet in tegenstelling tot geuren van de concurrent de vrede vierde – Patou: L’Heure Attendue, Shiaparelli: Le Roy Soleil, Balmain Vent Vert, Nina Ricci Coeur Joie – maar vreemd genoeg Chasuble. Betekenis: kazuifel. Ofwel, voor diegenen die geen link what so ever hebben met de katholieke eredienst; mouwloos opperkleed gedragen door de priester tijdens de eucharistie. Vreemd, ludiek en zou nu ook niet misstaan als parfumnaam van een indy label. Opvallend: toen ‘ook al’ te koop in Canada zoals op oude advertenties te zien is.
Anyway, het merk als parfumlabel is sinds 2016 serieus weer terug met Faith’s Essentials. Het is een toonbeeld van AN 2.0: Affordable Niche 2.0. Kloeke flacons, met een klassieke look die uitstraalt dat het merk al ‘best lang’ bestaat, af en toe benadrukt door een geur waarvan de naam refereert aan oude bekende: L’Iris de Fath (2018).
Fath heeft de smaak in ieder geval te pakken: Rosso Epicureo, L’Orée du Bois, Les Frivoltés & Lilas Exquis(allemaal 2017), Red Shoes, Velours Boisé, Le Loden & Tempête d’Automne (allemaal 2018). Ook leuk: een 15-ml-variatie in het assortiment – zouden meer merken moeten doen.
Omdat ik geuren meestal at random koop – uitgangspunt: ben benieuwd, verras me maar, of: ik heb weer zin in een bepaald soort geur – werd het Lilas Exquis, omdat ik zin had in een seringgeur. Had ik me er dieper in verdiept, dan had ik Le Loden gekocht – na even denken schoot me het weer te binnen – naam van de gelijknamige dikke wollen waterdichte stof. Hoe vertaal je dat in geur? Een wollen trui die geperst wordt? Ik ga de importeur om een proefje vragen.
In Attar AT sprak ik het ‘verlangen’ uit om weer eens uit om getrakteerd te worden op een weldadig boeket. Ik moet zeggen: Lilas Exquis komt aardig in de buurt. Drie redenen: je ruikt de sering goed – moet natuurlijk ook. Zoet, poederig, zonnig en een ietsiepietsie gekruid. Twee: originele toevoegingen aan het boeket: (wilde) hyacint, lindenbloesem. Drie: de volle afronding. Grappig: de eerste indruk doet ‘rood-fruitig’ aan, maar dieper inhalerend ruik je twee blommekes die zo lekker het begin van de lente weet uit te drukken: hyacint en wilde hyacint (blue bells) met een flinke scheut bergamot erbij. In het hart ís het lente: een volle, beetje gekruide sering die vervolgens een luchtig-fris component krijgt door magnolia en – daar-is-ie – lindebloesems met haar mooie warme honig-hooiachtige noot. Je ziet het boeket in een vaas voor je. Het viooltjes-room-akkoord kan ik niet echt plaatsen, of het moet de onderliggende zoetheid zijn. Lekker hoor die basis met ambrette (mooi warm, met zijn ‘natuurlijk’ muskachtige noot) die ook garandeert dat de witte musk, ambroxan en ‘houtzijde’ niet de overhand krijgen, dus geen scherp laundry-effect in the end.
Alleen: Lilas Exquis wordt verkocht als parfum, dus niet eau de parfum. Dát gaat er bij mij niet in: hoe lekker ook; ik heb een ‘eau de toiette-gevoel’. Een parfum/extract moet voller, gelaagder en indrukwekkender zijn.
Ik had de laatste tijd een, discussie is een groot woord, gedachtewisseling met www.parfumaria.com over La Collection Particulière de Christian Dior. Dit naar aanleiding van Vanilla Diorama (2021). Zijn deze geuren nog als niche te omschrijven? Moeilijk. Moeilijk. Ja: gezien de kwaliteit aan ingrediënten. Nee: gezien, het wel heel erg breed uitzetten van deze lijn op socials en winkelvloeren van luxe warenhuizen. Drie jaar geleden zag ik bij Macy’s New York dat zelfs de liften van top tot teen driedimensionaal met flat screens ‘gevuld’ waren met daarop de diverse geuren volop in ‘bloeiende’ beweging‘. Indrukwekkend.
Maar moet dat nu? Ik vind, misschien old school gedacht, dat je niche zelf moet ontdekken. En dat je je hierbij niet direct door grote namen moet laten leiden. En dat is met Dior natuurlijk onmogelijk. Die kom je werkelijk overal tegen tegenwoordig. Online en ook in het echt – as we speak is er wel ergens een mega-expositie waarin de wereld van Dior in full splendor wordt geëtaleerd.
Met zo’n naam – die bij een heel groot publiek garant staat voor vertrouwd, zekerheid en kwaliteit – kun je wat geuren betreft niet helemaal losgaan. Zegt men. Moet je toch binnen het klassieke kader blijven. Vind men. Het grote publiek mag het dan als niche zien, voor perfume insiders blijft het categorie prestige.
Wat me opvalt: de spagaat in de naamgeving bij La Collection Particulière. Van de ene kant poëtisch en daardoor sort of nieuwsgierigmakend: Balade Sauvage, Belle de Jour, Jardin des Anges, Rose Gipsy, Sakura en Souffle de Soi. Van de andere kant: niet moeilijk doen, gewoon sec bij de naam noemen: Purple Oud, Santal Noir en Thé Cachemire (allemaal uit 20217). En dan af en toe een geur die met de naam speelt en/of aan het leven van de couturier refereert: Diorissima (idem). Wat is de toegevoegde waarde van de laatste? We hadden toch al Dioramaen Diorissimo?
Imaginair toetje
In deze categorie valt ook Vanilla Diorama. In verband met een journalistiek artikel ‘moest’ ik ooit twee boeken over het leven van monsieur Dior lezen, maar het is me niet bijgebleven dat VanillaDiorama een van zijn favoriete desserts was. Misschien heb ik er wel overheen gelezen want: er niet echt op naar zoek. Hij schijnt zo te zijn dat het restaurant Maxim’s Paris dit dessert speciaal voor hem heeft gemaakt.
Alleen – hoe kan dat nou? – er bestaat volgens Dior geen afbeelding of gedetailleerde beschrijving. Vind ik op zijn zachtst gezegd vreemd. Een restaurant met zo’n reputatie en legendarische clientèle, die bewaart uit trots en historisch besef toch al zijn ‘geheimen’? Ik zou zeggen: dieper graven. Anyway, de geur haakt slim op de nog steeds populaire gourmandtrend.
En de storytelling begrijpt iedereen. Terzijde: ik weet het niet meer, maar wordt het bij de counters in de parfumerie nog gedaan – een ontstaansverhaal vertellen? Onmogelijk volgens mij. Neem alleen de verhalen van alle Diorgeuren. Je kunt je afvragen of klanten nog geïnteresseerd zijn. Het is volgens mij eerder een dingetje waar de marketingafdeling geen afscheid van kan nemen. Want het staat anders zo kaal voor de pers en influencers.
Une amuse gueule pour monsieur Dior
Vanilla Diorama is precies hoe vanille als een prestige/niche-geur moet ruiken: zoet, zeer zoet, royaal, romig, smeuïg met een houtaccent om niet te glad, te plat en te eendimensionaal te eindigen. Leuk de opening: alsof je door een lichte citrusregen van sinaasappel en citroen heen, de vanille ruikt. Maar gelukkig ruik je meer: kardemon en roze peper geven een extra kickstart.
Het houtaccent in dit geval is patchoeli en sandelhout. Samen resulteert dat in een mooie warme amber-ondertoon die ervoor zorgt dat de zoetheid niet uit de bocht vliegt en die op het eind een poederig effect garandeert. Ik bespeur ook een lichte rum-noot (of is dit verbeelding?) Het geeft het geheel een licht tropisch zwoel effect zonder dat het te tropical, te Escada-zomergeurcocktail wordt.
Conclusie: het klopt allemaal, maar het geheel is ook saai en braaf. Maar dat is typisch François Demachy, ‘de ambtenaar’ onder de neuzen. Hij verstaat zijn vak, maar het gaat allemaal langs de lijnen der geleidelijkheid, volgens beproefd recept.
Daarom ben ik benieuwd naar de opvolger van Demachy – hij gaat met pensioen: Francis Kurkdjian. Wordt hij schatbewaarder of krijgt hij kans om zijn creatieve kant te benadrukken en écht te verbazen? Met dien verstande dat parfumcreatie nu wel zijn beperkingen en grenzen heeft bereikt (van AI moet wat dat betreft ook niet te veel verwacht worden). Innovatie en vernieuwing in parfumcreatie is nu vooral een kwestie van hoe je naar het metier kijkt. Ooit zette Dior de trend in plaats van ze te volgen. Hopelijk krijgt Kurkdjian ook die kans.
Ben ik weer keer. As we speak, participeer ik voor twee dagen in een web-seminar georganiseerd door StadsMuseum Berlijn en Odeuropa. Laatste is een stichting die als doel heeft om historische geuren – weer – tot leven brengen. Ik weet nog niet wat ik ervan moet vinden: decadent, overbodig of noodzakelijk? Komt nog wel. De Europese Commissie vond het in ieder geval een goed plan en ondersteunt dit initiatief met een paar miljoen. Denk bij ‘tot leven brengen’ niet aan oude, in vergetelheid geraakte geuren van reeds eeuwenlang gesloten parfumhuizen, maar aan geuren die we in het dagelijkse leven ervaren, of beter gezegd: die mensen ooit hebben geroken.
Want, de focus van deze twee dagen behandelt niet ‘gezellige’ geuren, maar geuren die worden geassocieerd met dood en bederf. Denk stinkende grachten, ziekenhuizen, kerken, oorlogen en andere plekken waar op olfactief gebied de duivel als het ware om de hoek keek – stank werd vaak geassocieerd met hel en ander onheil, afgeroepen van ‘boven’. Het seminar heet dan ook Malodours a Cultural Heritage? Ik doe ook mee, omdat ik bezig met een project met als codes: civet, grachtenpanden, Amsterdam, stank of stralend? Misschien kan ik een bijdrage lospeuteren bij Odeuropa. Fingers crossed.
En ondertussen gaat The Merchants Of Venice maar door met het – laten we in de stankcontext blijven – het schijten van geuren. Opgericht in 2013. De teller staat nu op 85. Een van de meest recente is: Flamant Rose Eau de Parfum Concentrée. Net geen parfumextract dus.
Waarom ben ik zo grof? Ik kom op schijten, omdat me dit doet denken aan de brievencorrespondentie tussen de schrijvers Gustave Flaubert en George Sand. Hij omschrijft zijn stijl als het groeiproces van een perzik: van ontluikende bloesem in het voorjaar tot een vrucht rijp om geplukt te worden in het najaar. Dat duurt dus maanden. Sand daarentegen produceerde volgens Flaubert boeken alsof ze diarree had.
Zou Flaubert het persbericht van deze geur hebben kunnen beschrijven? Oordeel zelf: ‘Een vlammende veer die de huid streelt met de gratie van een van de meest elegante wezens ter wereld: de roze flamingo. Symbool van harmonie en positiviteit; met zijn kleurrijke en stralende verenkleed, is deze prachtige vogel de inspirerende muze van The Merchant of Venice’s Flamant Rose, Eau De Parfum Concentrèe. Een geur die delicatesse en extravagantie in perfecte balans combineert. Een kostbare en omhullende geur, ondergedompeld in de warme en heldere koraaltinten van de flacon die herinneren aan de iconische kleuren van de flamingo’. Commentaar van Geurengoeroe: sinds wanneer zijn de kleuren van de flamingo iconisch? Wat een ge… (vul naar believen in).
Dan de geur. Ik lees op ergens anders op www: ‘Herinnert aan de sensaties van een wandeling bij zonsondergang’. Das fijn, maar dat is natuurlijk wel afhankelijk waar je deze ondergang ervaart: aan de Amsterdamse grachten, beneden de Sahara, boven ergens in Scandinavië? Ik bedoel maar. Het is in ieder geval geen geur waarmee je je (schoon)moeder, vrouw, geregistreerde partner, vriendin, amant, nou vooruit, de buurvrouw nemen we ook mee, beledigt. Is een van deze personen een parfumsnob, dan zal die FlamantRose ‘wel aardig’ vinden. Is ze een ‘doorsnee-vrouw’ die een geurtje nog grotendeels als een cadeautje beschouwt, dan vindt ze Flamant Rose waarschijnlijk heerlijk, ‘wat aardig, wat lief van je, bedankt!’ Echt vies kun je hem niet vinden. Echt niet.
Wil zeggen: Flamant Rose is duidelijk, ruikt naar kwaliteit, heeft de allure van niche maar is het niet echt. Maar wat dan wel? Laten we het houden op masstige – een samentrekking van massa en prestige.
De elegantie zit’m in de ondertoon. Een behaaglijke wolk zwevend tussen fluweel en suède. En die ondertoon voert eigenlijk direct de boventoon: want, aldus het persbericht, ‘het citrusachtige en sprankelende vertrek van petitgrain en verbena’ is snel vervlogen ook al ‘bedwelmt die de zintuigen’. Dan is het raak; de oranjebloesem staat direct in volle bloei, op en top sensueel van aard, en ziet haar bloemige noten versterkt-verfrist door geranium. Abrikoos zorgt voor fruitige souplesse en geeft de geur zijn ‘verzachtende omstandigheden’. De afhandeling voert je naar het Nabije Oosten: een superzachte en warme noot met poederachtige accenten geleverd door musk (vrij van laundry-effect) en tonkaboon.
Zijn dit nu de sensaties van een wandeling bij zonsondergang? En, voor ik het vergeet: wat een ontzettende romantische, perfect gemaakte promotieclip… slechts 114 kijkers op YouTube. Hoe is het mogelijk? Oh ja, de prijs, mooi afgerond: 100 ml € 250,00.