Ze zuigt aan een lolly. Likt lekker uitdagend met haar tong over haar lippen. En beleeft euforische momenten, zo naar het lijkt, deze hedendaagse versie van Lolita of ‘Lollyta’. Suggestief? Provocatief? Zeker, helemaal als je weet dat Dsquared2 de producent is. Seks verkoopt nog steeds – of in ieder geval door er in dit geval níet subtiel, zogenaamd suggestief, op te wijzen. Dan kun je dus Want interpreteren als zin hebben in… vul maar in.
Wat ik leuk aan vind aan de naam: Want als de nieuwe hebberig makende kreet voor achter alle trends aan huppelende fashionista’s, als opvolger voor ‘must have’ (of the season) en ‘it’ (zoals de ‘it’-bag).
De lolly vind je terug in de dop. Of althans dat ‘proef’ ik. Nu denk je misschien: de inhoud ruikt vast gourmand, naar kermiszoetheid. Niet dus. Zie ruik & vergelijk. De inspiratie – ‘de veelzijdige, eigentijdse vrouw’ – is bijna teleurstellend, want zo mainstream, so not Dean en Dan Caten – de mannen achter Dsquared2. Want: ‘Ze belichaamt vrouwelijkheid die zowel sterk, glamoureus als gedurfd is. Eenvoudig en vol spontaniteit. Dynamisch en vindingrijk. Haar vastberadenheid maakt haar spannend, authentiek en sexy. Ze is een verzameling van contrasten en al haar facetten zijn adembenemend’. Vandaar niet één foto van Rianne ten Haken, maar ‘een serie portretten uitdagend vastgelegd door Inez en Vinoodh die verschillende emoties oproepen’. Bij wie? Bij mij maar één: vul maar in. En staat Dan nu rechts of links van Rianne (met pruik?)? Of is het nu andersom?
WAT RUIK IK EIGENLIJK?
Wat echt provocatief is aan Want: de inhoud. Die is in verhouding tot de uitstraling zeer klassiek. Geen enkel verrassend of ‘hedendaags’ ingrediënt te bespeuren. Of het moet ‘viooltjeshout’ zijn, maar dat is inmiddels een courante speler in de basis van geuren.
Want opent fris-sprankelend zoet door gember, mandarijn en roze peper. Mooi: de zuiverheid. In het hart straalt de damascena-roos (fruitig zoet met hints van framboos) waarvan de bloemigheid een sensuele ondersteuning krijgt van neroli-absolu. Echt diep-sensueel wordt het niet omdat naast deze bloemen heliotroop bloeit: geliefd om zijn poederige, amandelachtige vanillegeur.
Dat levert een andere sensualiteit op die je met een beetje fantasie gourmand kunt noemen doordat heliotroop in de basis wordt gelinkt aan een overdosis vanille: een variant uit Madagaskar versterkt door een geografisch niet nader geduide vanille-absolu. Eindresultaat: een oosterse bloemengeur (floriental), maar dan wel ‘vanilla driven’. De zoetheid wordt nog versterkt door ‘viooltjeshout’. Ofwel, zacht hout met zoet toets.
Wanneer wordt een geur helemaal ‘exclusief’ voor jezelf? Wetende dat je die met honderdduizenden zo niet miljoenen gelijkgestemden deelt? Nooit dus. Een in de ware zin van het woord exclusieve geur speciaal gemaakt overeenkomstig je wensen, is een op maat-parfum.
Deze haute parfumerie-service biedt Guerlain vanaf € 25.000.00. Nu wil ‘de parel in de kroon van de Franse parfumerie’ dit geprivilegieerde gevoel koppelen aan een masstige-geur. Wat de presentatie betreft dan. Niet de inhoud. Want Mon Exclusif kun je op bepaalde verkooppunten laten graveren met een zelf bedachte naam of je initialen. Of die van je moeder, zus, vriendin en ga zo maar door. Als je daar geen tijd voor of zin in hebt, dan kun je met bij de flacon geleverde plakletters (zie foto) Mon Exclusif je eigen naam maken. Moet je ook tijd voor en zin in hebben…
Guerlain ziet het als ‘a new concept to explore the intimate relationship that a woman can establish with her perfume by giving it a name of her own choosing’. Ik vraag me af of deze manier van ‘customizen’ de exclusieve beleving verhoogt. En of een parfumhuis zich als psychiater moet gedragen: ‘Je hebt weinig met deze geur, zeg je, hoe komt dat, zijn het jeugdherinneringen of ben je gewoon ontevreden met je man – wanneer was het voor het laatst dat hij je een geur gaf. En wat zegt dat over hem, wat zegt dat over jou… ?’
Daarnaast: bij elke hobbywinkel koop je tegenwoordig stickers en emoticons waarmee je van alles en nog wat kunt pimpen. Maar dat is iets voor peuters en kinderen volgens mij. Als ik zelf aan de slag zou gaan; ik vrees dat ik nogal melig zou gaan woordspelen.
De flacon, oorspronkelijk ontworpen door Michel Franck en voor de gelegenheid iets ronder gemaakt, komt uit het archief van Guerlain: ooit zat hier de jus in van Coque d’Or (1937) en Dawamesk (1945) dat eerder in 1942 op de markt werd gebracht onder de naam Kriss.
Coque d’Or is door Jacques Guerlain opgedragen aan en gevormd naar de smokingstrik standvastig gedragen door Serge Diaghilev van Les Ballets Russes en genoemd naar de gelijknamige opera van Nikolai Rimsky-Korsakov uit 1907.
Voor de echte verzamelaars: vorig jaar verscheen in een oplage van 29 stuks een nieuwe parfumversie (niet geroken door Geurengoeroe) door Thierry Wasser (hij is zo dicht mogelijk bij originele chypre-partituur gebleven) gepresenteerd in de originele Baccaratflacon – zie foto onder.
WAT RUIK IK EIGENLIJK?
Met Mon Exclusif poogt Thierry Wasser de typische mannelijke varengeur te verbinden met vrouwelijke allure. Met vintage Jicky (1889) als referentie. Het is niet makkelijk deze spagaat te overbruggen – voor je het weet heb je een hybride als resultaat.
En dat is Mon Exclusif ook: varen versus oosters gourmand. Ruik je de geur blind, dan kom je wellicht in de verleiding te denken dat het een nieuwe variatie is op La Petite Robe Noire (2011): La Petite Robe Violette. Tenminste als je het eerste stadium van de geur hebt laten vervliegen: een enorme prachtige lavendelwolk.
In eerste instantie fris gemaakt door mooie zuivere nevel van bergamot en mandarijn ‘aangezet’ door coumarine. Als de zoete amandel zich in de compositie mengt krijg je als man even een L’Homme Idéal-associatie – de geur uit 2014. Alleen is deze amandel zoeter en wel heel erg-erg gourmand. En dat wordt alleen maar versterkt in de verdere ontwikkeling. Ondanks de opgevoerde klassieke ‘Guerlainbloemen’ – jasmijn, roos, ylang-ylang – die baden in een zonakkoord met nectarine-effect, zij het zeer ingehouden.
Ze zorgen in ieder geval dat Mon Exclusif niet helemaal wordt ‘vastgezet’ door de verdere gourmandontwikkeling opgeroepen met sandelhout, iris, witte musk, vanille en een toffee-noot. Op het einde resteren de poederige noten van witte musk vermengd met het lactone-accent van sandelhout met op de achtergrond nog steeds een licht zuchtje van de lavendelopening.
Qua compositie is de geur – en dat weet Guerlain ook – niet echt exclusief: het is de zoveelste variatie op het gourmandconcept – ‘binnen’ Guerlain is het een uitwerking van Le Plus Beau Jour de Ma Vie (2015) en de ‘pistache-variatie’ La Petite Robe Noire Eau Fraîche (2015) – die voor mij wel erg dicht in de buurt komt van de nieuwe millennium-gourmandstandaard: Lancôme’s La vie est belle (2012).
Waar ik zit op te wachten: weer eens een Guerlain die niet mee wiegt op parfumtrends, maar de trend zet; nog liever ver vooruit is. En dan denk ik aan een klassieke chypre gemaakt met moderne ingrediënten à la Coque d’Or.
Eens vond ik het ‘reuze boeiend’ wanneer een parfum was geïnspireerd door een literair meesterwerk of wanneer een kunstenaar werd geciteerd om de boodschap nog duidelijker over te brengen. Later viel me pas op dat veel huizen in dezelfde vijver van ‘verdronken kunstenaars’ vissen met altijd de usual suspects aan de haak. Charles Baudelaire met zijn Fleurs du Mal. Marcel Proust wéér met zijn eeuwige madeleine, terwijl al ruikende aan vetiver bij hem ook allerlei jeugdherinneringen naar boven borrelden – daar hoor je niemand over. Pablo Picasso en zijn ‘ik-zoek-niet-maar-ik-vind’-stelregel. Bijna vergeten: William Shakespeare: Shall I compare thee to a summers’ dream?
Als je het goed bekijkt, is het eigenlijk pronken met andermans veren. Het effect van deze toegevoegde waarde is gering, zo niet nihil, en laat je de geur niet anders ervaren volgens mij. En dan is het nog maar de vraag wie deze oudjes überhaupt nog wel iets zegt. ‘Shakespeare? Was dat niet die nieuwe Amsterdamse fitnessketen? Nee, man, dat schrijf je Shakespier – dûh!’
Alexander McQueen heeft met zijn parfumpremière geprobeerd moderne poëzie te integreren in de beleving. Bij Kingdom (2003) zat een ‘begeleidend schrijven’ van Jorie Graham (in 1996 onderscheiden met de Pullitzer Prize voor zijn The Dream Of The Unified Field): de eerste regel van een gedicht dat bij elke lijnextensie zou worden uitgebreid. Het mocht niet zo zijn. In dit geval jammer, want als je teruglezend McQueens dwingende verantwoording in je opneemt, valt op hoe krachtig de boodschap nog steeds is en – tragisch – tegelijkertijd dat het misschien wel een ‘s.o.s in disguise’ door hem verzonden was, gezien zijn zelfgekozen dood in 2010. Bijna zonde om het te linken aan parfum: een ander ‘autonoom’ kunstwerk zou volgens mij meer indruk hebben gemaakt.
Toch kan een vleugje parfumpoëzie geen kwaad als het ‘oprecht’ en geen ‘ideetje’ van de marketingafdeling is. En dan heb je soms aan de naam al genoeg; het geeft je een prachtig perspectief. Zoals Evening Edged in Gold. Ofwel, Avond geëtst in Goud. Dat ‘klinkt als’ een gedicht, als de titel van een roman.
Ook prettig: geen echte verantwoording. Ineke strooit slechts met wat hints: ‘Basking in moonschadows, trumpets of angels greeting the night’. Maar het brengt mijn fantasie in een fast forward-modus van beelden, personen, landschappen… als ik tijd had zou ik zo een aantal hoofdstukken kunnen schrijven. Het boek wordt wel ‘Couperus-geïnspireerd’.
Ja, dat was dus een Nederlands schrijver (1863-1923) geliefd/gehaat om zijn decadente woordspielerei – ‘de meester van het tijdrekken’ – die mij soms amechtig deed verzuchten van ‘tut-tut-tut’, dan weer me direct bij de klauwen greep. Neem de eerste regels uit het eerste hoofdstuk van De Stille Kracht (1900): ‘De volle maan, tragisch dien avond, was reeds vroeg, nog in den laatsten dagschemer opgerezen als een immense, bloedroze bol… in de windstille benauwdheid der avondlucht, als was de matte avond moê van den zonneblakenden dag der Oostmoesson…’ Het is alsof ik Evening Edged in Gold op de achtergrond ruik. Het zindert, het smeult, de nevel druppelt als gouden sterren…
WAT RUIK IK EIGENLIJK?
Hoewel de datura (foto) als oorspronkelijke habitat Zuid-Amerika heeft en zich inmiddels over de hele wereld heeft verspreid, staat de ‘engelentrompet’ in parfumkringen bekend als een exotisch gevaarlijk monster – de plant is zeer giftig – wat uitwerking betreft. Je zou haar de zus van de tuberoos kunnen noemen. Het is volgens mij een combinatie van overgeleverde verhalen en de daadwerkelijke euforische werking van deze kelken die haar lot heeft bepaald: ze wordt zelden in geuren verwerkt. Officieel heet ze Brugmansia, genoemd naar de Nederlandse arts, botanicus en geleerde Sebald Justinus Brugmans (1763-1819).
En de geur die ze verspreidt? Een zware zoete, bijna narcotische geur met eigenlijk geen enkel referentiekader – of misschien alleen de lelie. Dit wetende klinkt Evening Edged in Gold eigenlijk minder bekoorlijk, minder poëtisch. Toch is de geur elegant, maar anders. Niet zwaar, maar vol. Niet donker, maar gloedvol.
Het is niet de zon, maar de die maan schijnt over de ingrediënten, ze in goud etst. Eerst er pruim, of beter gezegd, in likeur gewiegde pruim die de geur een heerlijk zachtzoet alcholollaagje geeft weldra opgenomen door osmanthus die in dit geval een mooi rozijnlaagje heeft. Vervolgens ruim baan voor de datura, de engelentrompet, die de nacht groet: zwaar, zoet en narcotisch dus (en je laat ervaren dat je met een ‘andere’ bloemengeur vandoen hebt). De saffraan geeft de compositie een stroef-kruidige laagje mooi in contrast met het vleugje kaneel.
Eigenlijk is alles mooi aan een Evening Edged in Gold. Het heeft een vanzelfsprekende elegantie die je pas na verloop van tijd doorgrondt. De basis vervolmaakt het geheel. Is eigenlijk geen echte basis, maar een zachte ondergrond waarin in zacht leer verpakt hout het geheel een flou, een souplesse geeft, vloeibaar maakt. De door Ineke als ‘midnight candy’ omschreven gourmandnoot (die doet denken aan karamel) zorgt voor een ingehouden zoete toets zonder dat het plakkerig wordt.
In vergelijk met Serge Lutens’ Datura Noir (2001) is Evening Edged in Gold minder overrompelend, minder bedwelmend en daardoor meer prêt-à-porter. Vaak worden geuren vergeleken met goud, zelden gaat voor mij die vlieger op. Evening Edged in Gold komt met in hetzelfde jaar gelanceerde Oiro van Mona di Orio heel dicht in de buurt.
Zoek je op www naar ‘deconstructed flowers’, dan kom je terecht bij allerlei crea-sites waar op diverse manieren bloemen ontleed worden. Toch in negen van de tien keer: voorzichtig losgetrokken bloemblaadjes – ‘hij houdt wel van me, hij houdt niet van me, hij houdt wel van me…’ – zo gerangschikt waardoor een nieuw arrangement ontstaat (vaak op papier).
Een ander effect krijg je als je bloemen atypisch rangschikt: in plaats van in één vaas wordt een boeket minimalistisch verdeeld over verschillende vazen of verwerkt in objecten. Zoals vaak met ‘nieuwe’ artistieke uitingen gebaseerd op klassieke thema’s is de grens tussen Pinterest-fröbelwerk en een daadwerkelijk originele kijk – Kristen Baumlier en Fon Qi Wei worden in deze zeer serieus genomen – dun.
Het verbaast me dat neuzen/modemerken niet eerder met dit idee aan de slag zijn gegaan – zoals Issey Miyake en Comme des Garçons. Of heb ik iets gemist? En de geuren van Martin Margiela – die als een van de eerste ontwerpers deconstructie in de mode presenteerde – schreeuwen er als het ware om. Want, hoewel het eindresultaat hetzelfde is, staat het zo avant garde en zo bewust haaks op het traditioneel beleven van geur. Dat Odin gedeconstrueerde bloemen in zijn White Line – ‘a bit lighter and more approachable than the Black Line’ (2013) – presenteert mag dus als verrassend worden beschouwd.
WAT RUIK IK EIGENLIJK?
In feite zijn alle bloemen die in geuren worden verwerkt op voorhand gedeconstrueerd – niet de hele bloem wordt verwerkt maar een onderdeel. Als een merk zegt (zoals Cartier) stengel, blad, bloem en stamper te hebben verwerkt (in Baiser Volé uit 2011) moet je dat niet letterlijk nemen. De eerste staat voor houtachtig, de tweede voor groen, de derde voor bloesem en bloem, en de laatste voor een honing-pollenachtige zachtheid. En dit alles hoeft niet van de bedoelde plant/bloem afkomstig te zijn.
In deconstructieve bloemen vloeien minimalistisch en ‘de essentie van’ eigenlijk samen. Maar levert met Efflora, Milieu Rosa en Vert Reseda geen geuren op die totaal anders zijn. Dat kan ook niet gezien de hoeveelheid bloemen per geur gebruikt: dat zou een wedstrijdje ‘wie kan het hardst ruiken?’ worden, want iedere bloem zou dan zijn ‘solifleur’-rol (moeten) opeisen.
Dat gebeurt dus ook niet in Efflora. Is ‘gewoon’ een aangename citrus-bloemengeur die geleidelijk aan een bloemen-citrusgeur wordt. Fris en sprankelend. De mandarijn geeft de ‘quick fit’-noot van oranjebloesem een zoete ondertoon zonder de bloemige en cologne-noot te verliezen.
En die gaat mooi over in het hart waarin ‘roos’ (gespeeld door geranium) samenspeelt met jasmijn die fris blijft door grapefruitbloesem (tenminste in denk dat de lichte toon van het hart hierdoor wordt bepaald).
Leuk dat je de lavendel (foto) er ook uit pikt: zonnig, bloemig en fris. Deze frivole, onstuimige toon blijft gehandhaafd ook als de daling wordt ingezet. Die gaat, gezien de ingrediënten, richting chypre. Maar eikenhout, vetiver, patchoeli, witte mos en sandelhout vormen samen een zachter houtspoor dan je op basis van hun eigenschappen zou verwachten. Efflora heeft voor mij een hoog Dyptique-gevoel door de ongedwongen sierlijkheid en niet moeilijkdoenerij. Ook qua naam trouwens.
En dat geldt ook voor Milieu Rosa. In plaats van deconstructed moet ik eerder denken aan blended. Nog beter: blender. Met name in de opening: zwarte bes en framboos worden luchtig geklopt met (Marokkaanse) roos. De mimosa-bolletjes detecteer ik niet, maar verklaart wellicht de zachtheid van de opening.
De geranium, meiroos en jasmijn gedragen zich erg klassiek, beetje parmantig zelfs. Wat nog eens versterkt wordt door litsea cubeba – goed voor een zeepachtig effect. Als je alles op je laat inwerken, valt op hoe klassiek deze bijna solifleur-roos is. Wordt in de basis versterkt door (Turkse) roos die ingepakt is een zachthoutige nuance van ‘amberhout’, vetiver en eikenblad.
Wat opvalt in Vert Reseda zijn de adjectieven die voor de verschillende ingrediënten worden gezet om hun specifieke werking te onderstrepen. De reseda bloeit in Vert Reseda zoals het hoort: bloemig, zonnig. luchtig, helder met een stroeve, houtachtige ondertoon. Laatste wordt versterkt door ‘berggalbanum’. Groeiend in berg of dal maakt voor galbanum niet uit – de geur niet verandert er niet door. Die blijft groen, knisperend, aards en is even verantwoordelijk voor het aangename wortel-, steel- en stengeleffect in de opening.
In het hart neemt de groenheid af en wordt de reseda omringd door wilde pioen en waterige gardenia. Het effect: een nevel van pure ochtenddauw. Ofwel, een mix van kruidig-zachte (zowel pioen als gardenia hebben van oorsprong een kruidige toets) en zoetbloemige noten. Maar waar bloeit deze wilde variant, waar bloeit deze waterige variant?
In de parfumlabs natuurlijk: want de geur van beide bloemen kun je niet aan ze onttrekken. De afronding van ‘wit’ wierook en ‘echt’ sandelhout zorgen voornamelijk voor zachtheid – je ruikt niet echt het hout – in Vert Reseda. Aangenaam maar zoals gezegd, maar niet gedeconstrueerd.
Door de ‘geurentsunami’ die over de vijf continenten blijft denderen, neem ik heel veel golven nog maar met een half oog op. Welke nieuwe geur of welk nieuwe merk mijn aandacht trekt, is steeds meer een kwestie van toeval geworden. Waarom ik bij Arquiste terechtkwam? Door de manier waarop de voornaam – Aleksandr – is geschreven. Trok mijn aandacht, maar ik dacht dus wel dat Aleksander Arquiste de volledige naam was van het in 2012 door Carlos Huber opgerichte huis.
Ik stond op het punt af te haken, toen ik de inspiratiebron vernam. Nee hè, weer een historisch persoon als uitgangspunt (Geurengoeroe is een heel klein beetje veel ‘parfums-noemen-naar-dode-celebs’-moe). Oh, vandaar dat Alexander op z’n ‘Russisch’ is geschreven. Zijn achternaam: Pushkin. Een van grootheden uit de Russische literatuur. Wereldberoemd in bepaalde kringen om zijn roman in verzen Jevgeni Onegin (1833).
Heb je, behalve met Sinterklaas en begrafenissen, niet zoveel met poëzie maar je bent wel benieuwd: luister dan naar het, in de ware zin van het woord, fantastische drama dat door Pyotr Ilyich Tchaikovsky in 1879 in opera werd omgezet. Misschien ga je hierdoor de geur beter begrijpen. Beter: een van Pushkins’ biografieën kopen, en dan snel doorlezen of -bladeren naar de laatste hoofdstukken, want Aleksandr ‘vertelt in geur’ de dag waarop Pushkin het leven liet. Romantisch dat wel: tijdens een duel in 1837.
Voor ik het vergeet: Arquiste is ontwikkeld door architect en ontwerper Carlos Huber. Hij heeft de smaak te pakken: Flor Y Canto, Anima Dulcis, Fleur de Louis, L’Etrog, Infanta en Flor & Aleksandr. Kan nog wel meer bij: Boutonière no. 7 (2012), L’Etrog Acqua, The Architect’s Club (beide 2014) en Nanban (2015). Bijna vergeten: voor J. Crew maakte hij No. 31 en. Zo denkt hij over geur: ‘A scent is a time capsule. It can invoke our most intimate memories and dreams, and open doors to distant worlds’.
De reden dat ik Aleksandr uiteindelijk toch een snuif waardig heb gegund is de inhoud: leer. Een van mijn favoriete ingrediënten die heel stilletjes aan – langzamer dan verwacht dat wel – in de ketenparfumerie zijn rentree maakt: Diors Eau Sauvage Parfum (2012), Pour Homme (2013) van Bottega Veneta en onlangs The Scent (2015) van Hugo Boss. Vreemd dat Gucci en Giorgio Armani nog niet zijn ingestapt.
WAT RUIK IK EIGENLIJK?
Nou en dan sta je dus op, wetende dat vanavond, 27 januari 1837, je laatste uur kan slaan. Was dat nou wel slim om luitenant Georges-Charles de Heeckeren d’Anthès uit te dagen? Ok, hij zat behoorlijk te flirten met je vrouw Nathalia en er werd over geroddeld. Maar hij trouwde toch met haar zus Yekaterina Goncharova, afgelopen 10 januari? So what’s the problem? Wat trots al niet vermag. Even niet aan denken. Nog even genieten van de dag… wassen, toiletteren, je kleden en dan wachten tot de avond is gekomen en je naar de plek des onheils vertrekt.
Dit verloop wordt met Aleksandr opgeroepen. Eerst een frisse douche met een neroli die knispert, spettert en sputtert. Je bent wakker. Vervolgens een enorme zoete golf van viooltjes – ooit het ‘dandy’-bloemetje in betere kringen. Merkwaardig maar wel leuk: soms lijkt bij het opspuiten alsof je eerst viooltje ruikt dan neroli. Het viooltje is van een prachtkwaliteit: niet te scherp, niet te veel zuurtje om zich vervolgens van fris-zoet naar fluweelzoet te ontwikkelen met een poederige einde dat doet denken aan talkpoeder dat op zijn beurt met een beetje fantasie reminiscenties oproept van een smetteloos wit gesteven overhemd.
Maar het blijft zoet. Heel langzaam komt de geur van leer tevoorschijn – denk handschoenen, denk laarzen. Interessant: ondanks zijn Russische achtergrond, ruikt de geur niet naar typisch Russisch leder – denk Knize Ten (1921). Daarvoor is de dosering te beschaafd. Zowel door het door resoneren van het viooltje, zowel door de toevoeging van een groen-harsachtige noot (dennenbalsem) met even het effect van een mentholsnoepje (scherp en hees) waarmee de koude winteravond wordt opgeroepen.
Dit alles maakt het leer minder ‘huid’, minder ‘paard’. En het viooltje is nog steeds te ruiken. Heel langzaam treedt het leer meer op de voorgrond zonder een echt een hoofdrol te gaan spelen, want een ‘algemene’ ambernoot – ik haal er niet specifiek ambrette uit – zorgt voor warmte.
Eigenlijk is Aleksandr een viooltje van leer. Elegant, old school gedistingeerd en misschien daardoor wellicht gedateerd… ik bedoel: de dandyeske man, prince charming met of zonder gesoigneerde baard is nu niet echt salonfähig in modekringen. En hij kan ook snel potsierlijk worden – denk Jort Kelder in vol ornaat. De hipster en/of de ‘Viking’ rulen nu: ruig van top tot teen, met in al hun woestheid vaak een even potsierlijk effect. Draagt hij Aleksandr dan is dat echt stoer en heeft – daardoor – wel uit te leggen aan zijn gelijkgestemden.
Ontwerp tegenwoordig maar eens een parfumflacon die onderscheidend is, die verder gaat dan het rechthoek- en cilindermodel en alle variaties daar tussen, en toch niet ‘vermoeiend’ en vergezocht oogt. Die van Agent Provocateur was het in 2000. Voor het oog net even anders. Inspiratiebron het ei – symbool van het leven. De feel helemaal: gemaakt van ‘ouderwets’ porselein.
En de kleur zachtroze werd onvoorzien de standaard voor een nieuwe geurencategorie: de roze chypre. Ook wel neo-chypre genoemd. Dat kwam natuurlijk ook door de inhoud van het roze ei: Agent Provocateur is een van de eerste nieuwe chypres die zonder eikenmos toch dicht in de buurt kwam van de klassieke chypre en je dus dat rijke, gelaagde en zo tevredenstellende gevoel geeft van ‘ja zo hoort het’. Houden zo, hoop je dan. Dus niet. Want de nieuwe geuren zitten in een nieuwe flacon die wel heel erg cliché en ‘has been’-boudoir de beleving van luxe benadrukt. Heeft niets van doen met de ‘beheerste’ geile allure van het ‘naughty-but-never-tacky’-lingeriemerk die iets te nadrukkelijk in een recente promoclip wordt benadrukt en waarmee Pénolope Cruz zich verre van een origineel regisseur toont. Ik vergeef het haar; vele ‘echte’ grote Hollywoodregisseurs doen met hun clips voor de parfumbranche niet voor haar onder.
Komt deze koerswijziging doordat de oprichters – Joseph Corré en Serena Rees – de succesvolle keten (anno 1994) na hun scheiding van tafel, bed en winkel in 2007 verkochten aan private equity investeerders? En die willen, zo gaat de mare, snel veel meer geld zien. Natuurlijk ziet Agent Provocateur deze wending van niche naar mass-niche anders: ‘Het ontwerp – flacon en verpakking dus – is een ode aan de Film Noir, een moderne interpretatie van raffinement met retrotintje dat getuigt van een onconventioneel gevoel voor creativiteit, vrijheid en schoonheid’. Dat vind ik dus niet. De uitstraling komt nu wel erg dicht in de buurt van de concurrentie. Wat conventionaliteit betreft bij La Perla, wat ‘ordi’ betreft bij Victoria’s Secret met een toefje Juicy Couture.
De ‘rest’ – geur en sfeer – laat je delen in de duistere wereld van de Hollywood femme fatale die in de jaren veertig en vijftig van de vorige eeuw het symbool was voor donkere en gevaarlijke glamour. Als je als man maar één oogwenk van haar beantwoordde of haar één vuurtje gaf, dan wist je: fasten your seat belts, it’s going be a bumpy ride. En dat gevaar kun je naar nu vertalen, en vervolgens struikelt Agent Provocateur ook over de verleidingsclichés: ‘seduction, allure, sensuality, mystery, confidence, desire’.
WAT RUIK IK EIGENLIJK?
Flauw om te beweren, want je kunt het van zoveel andere geuren beweren: Fatale smells familiar. Natuurlijk is dat niet echt erg, maar wel ‘een beetje’ voor Agent Provocateur omdat die tot nu tot eigenlijk boven trends stond en zijn eigen koers bepaalde.
De neus Jean-Marc Chaillan is een parfumpatisseur die voor Fatale zijn neus heel diep steekt in een fonduepan waarin cacao, vanille en musk pruttelen op een laag pitje. Wat toe te voegen om het recept meer parfum te laten zijn? Eerst roze peper, dan zwarte bes en dan mango.
Oeps, valt deze gepeperde fruitige exotica zo maar direct in de pan. Het effect: om van te watertanden als je het lekker vindt. Vruchtenbonbon. Al vaker vermeld: ‘chocolate gourmand addiction’-geuren kunnen bloemen laten verdrinken in hun onstuimige gulheid. Ik ruik een nuance van onbestemde witte bloemen in plaats van duidelijk gardenia. Soort van origineel om die eens aan gourmand te linken, maar de typische licht gekruide fluweligheid komt niet echt herkenbaar tot ontplooiing.
Wel de iris – die legt op een gegeven moment een laagje stof over de vloeibare chocolade die daardoor stolt. Maar dat neemt niet weg dat de fruit-chocoladenoten blijven overheersen. En ondanks de toevoeging van cistus labdanum en patchoeli verankert Fatale niet echt, krijgt het geen aardse noot.
Het is eigenlijk een ‘fruitchouli’ – denk in de lijn van Lancôme’s La Vie est Belle (2012), Yves Saint Laurents Black Opium (2013). Maar hier meer fruit dan chouly – want daarvoor is de ‘patchoeli’ te bleek. Je kunt je afvragen of de ware Agent Provoxateur-fan hierop zit, ligt, hangt te wachten. Die verwacht al paaldansend en stripteasend volgens mij geuren die voor de fragrance-fanfare uit lopen, meer distinctie, meer durf hebben.
En hoe zit het dan met Pink Fatale? Die trouwens dezelfde slogan/lokroep en campagneshoot heeft als Fatale: Flirt with danger. Nou, als ik schrijf dat die werd gemaakt met de Aziatische markt in gedachte (en de campagne dus gekuist is)…
Hij verrast in ieder geval wel meer omdat de compositie níet gourmand is en omdat de weinig gebruikte datura – moeilijk om de geur te beschrijven: vol, wit, exotisch zeker, beetje etherisch bedwelmend – het hart doet kloppen waar omheen een ‘bedauwde’ krans van citrusvruchten is gevlochten.
Het effect: eerst een citruswaternevel van mandarijn, peer en yuzu. Laatste is ondergedompeld in slagroom. Klinkt lekker en tegelijkertijd bizar, maar verdomd; je ruikt een lactone-achtige noot op de achtergrond. Een transparante introductie voor de datura die om haar gevaarlijke werking te temperen is omringd met lotus die ‘voor de styling’ roze is gekleurd. Maar daar verandert het aroma niet door: waterig-transparant en ‘kristal-breekbaar’. Waarom de camelia hier naast groeit is me een raadsel. Ook voor de sier? Ook voor de styling? Om het fragiele aspect van de geur te benadrukken waarschijnlijk want de bloem is ‘reukstom’. Althans, ik heb nog nooit aan een geur verspreidende camelia geroken. Correct me if I’m wrong.
De afronding blijft zweverig, want slechts een enkele basisnoot die het geheel vasthoudt: musk. Die is – vreemd – niet roze gestyled. Blijft wit en verklaart het heldere, schone effect als de bloemen zijn uitgebloeid. Versterkt door een ‘bamboe-scheut’ en – verbaasd op het eind aan te treffen – ‘zwarte’ saffraan. Ruik ik niet echt. Eerlijk gezegd: ik vraag me af of de gemiddelde consument het er allemaal ‘uit ruikt’ want de algemene indruk is toch een transparante fruity-flowery geur met cleane nasleep ver verwijderd van de hard core parfumbusiness van Agent Provocateur.
De vloeiende zachtheid van zijde wordt in de wereld van beauty vaak gebruikt om het tactiele effect van crème op de huid te verwoorden. Ik denk dan: logisch, vanzelfsprekend en dus overbodig. Gras is groen. Zoiets. Zijde vertalen als parfum is wat anders – maar hetzelfde beeld rijst op. Een geur die zich als zijde over je – reeds door een crème zijdezachte geworden – huid glijdt.
Stof vertalen in een geur is iets dat parfum- en cosmeticahuizen (en dus neuzen) om de zoveel tijd bezighoudt. In den beginne alleen maar chic spul: kant, organza, jersey, kasjmier, fluweel, mousseline. In modernere tijden ook katoen en linnen. Niet dat het resultaat altijd begrepen wordt. Het met veel tamtam gelanceerde premièreparfum – Le Parfum (2004) van MaxMara – was voor vijftig procent geïnspireerd door zijde. Zou het ontbreken van succes hebben gelegen aan het feit dat het Italiaanse label in eerste instantie wordt geassocieerd met camel(stof) – de andere vijftig procent (vertaald met ‘kasjmier’) van Le Parfum.
Dat Sensai voor de ‘Zijderoute’ kiest klinkt logischer: een belangrijk bestanddeel van de cosmetica van dit Japanse huis bestaat uit koishimaru-zijde. Volgens de Sensai-site ‘een bijzondere vezel ooit voorbehouden aan de keizerlijke familie. Doordat het de productie van hyaluronzuur stimuleert voorziet het huidcellen van een eindeloze oceaan aan vocht – een levenskrachtige omgeving waarin de huid wordt gevoed en gehydrateerd’. Dit is voor mij teveel beauty-acacadabra waarin ik niet geloof. En een eindeloze oceaan lijkt me ook niet echt een pretje.
Doet er ook niet toe. Wat ik interessanter vind: in de meer dan duizend jaar oude parfumcultuur van Japan, aldus Sensai, parfumeerde de adel – zowel de vrouwelijke als mannelijke leden – zich niet direct op de reine en zuivere huid; geuren in paleizen en dergelijke stroomden via een soort perfume diffusers avant la lettre door de zijden kleding. Sensai: ‘de schoonheid van de huid die door de pure zijde schemerde, werd in haar zinnelijkheid hierdoor versterkt’.
Deze andere kijk op parfum ‘aanbrengen’ wordt nu op moderne wijze geïnterpreteerd met de eerste geur van Sensai: The Silk. Of eigenlijk twee. Lanceren de meeste merken in de ketenparfumerie eerst een eau de parfum en een seizoen of jaar later een eau de toilette-versie, Sensai doet het in een keer.
Is wel beschouwd leuker voor de consument en lucratiever voor Sensai deze keuzemogelijkheid, want meer kans op verkoop. Interessant aan het verschil tussen de eau de toilette en eau de parfum van The Silk: de ingrediënten zijn hetzelfde alleen zijn de onderlinge verhoudingen anders gedoseerd.
Over de flacon is de ontwerper heel serieus – zie hem eens echt schetsen op de promovideo. Gwenael Nicolas, de ontwerper: “Het eerste beeld dat bij me opkwam, was iemand die iets kostbaars in zijn handen houdt. Iets dat teer, breekbaar en uniek is als een filigraine zijdecocon die zich aan de vorm van de hand aanpast.” Als je goed kijkt, kun je in de flacon inderdaad een geabstraheerde vorm van een zijdevlindercocon zien.
WAT RUIK IK EIGENLIJK?
Het idee: een geur zo zacht, zo transparant en zo subtiel als een glanzende sluier van zijde. De interpretatie van de neus Marie Salamagne: “Mijn associatie met zijde is een extreem licht materiaal – teer en geraffineerd. De uitdaging was de perfecte balans te vinden; een geur te creëren die zowel transparant als warm is.” Op de promotieclip heeft ze het over ‘sensualité retenue’, ofwel: teruggehouden sensualiteit. Vind ik mooi omschreven. The Silk is een floriental – de bloemen in het hart krijgen een sensuele ondergrond door warme en omhullende ambernoten – die zich presenteert in drie voiles.
De eerste wordt opgeroepen met een fris-pittige combinatie van bergamot en roze peper fruitig-zacht gemaakt door peer en voorzien door knisperend randje van viooltjesblad. Het effect: een zuiver en ‘vrij’ gevoel. Heel langzaam openbaart zich de tweede voile: een boeket van zachtzoete pioenroos, fris-groen lelietje-van-dalen en de licht naar chocolade ruikende sharry baby-orchidee. Laatste geeft de geur een bescheiden gourmandtoets die mooi samengaat met de onderste voile The Silk: een warm-romige amberbasis versterkt door tonkaboon en voorzien met poederige toetsen van musk.
Alleen voor een premièreparfum vind ik The Silk, te modaal, te gewoon, te ‘teruggehouden’, teveel meelopend met de huidige trends. Zeker voor een high end-label als Sensai. Ik heb het al eerder geroken alleen in andere verhoudingen. Het lijkt wel of splinternieuwe merken in de ketenparfumerie tegenwoordig steeds minder daadwerkelijk durven te verrassen en te verbazen.
Je zag het ook met Jimmy Choo en Swarovski: waarmee deze namen wereldberoemd zijn geworden, zie en ruik je niet echt terug in de geuren. Terwijl dergelijke merken hun postmoderne excentriciteit gecombineerd met ouderwets vakmanschap dit juist moeten benadrukken om op te vallen in de parfumerie. Helemaal gezien de concurrentie ‘van boven’. Niche dus.
Best wel stoer. Best wel arrogant: je nieuwe geur dé geur noemen. Ook gevaarlijk: als ‘men’ het er niet mee is… hoon is je aandeel. Hugo Boss doet het met The Scent. Is tevens de aanleiding voor – here we go again – de introductie van een nieuwe man. Niet zozeer in het algemeen, maar meer ‘binnen’ Hugo Boss.
Want vanaf nu en zo lang het duurt: ‘Hugo Boss gelooft in een ander soort verleiding. Langzaam maar gestaag en vol spanning over wat er komen gaat. De Boss-manier van verleiden is een kunst waarbij zelfvertrouwen en nonchalance perfect in balans zijn. Inspelend op wat vrouwen echt willen, worden alle zintuigen op meesterlijke wijze op scherp gezet. Dit is een vorm van verleiden die een diepe, blijvende indrukt maakt’. Tjonge, tjonge… dat zie ik de gemiddelde Boss-man nog niet zo snel doen. En zitten ‘Boss-vrouwen’ hier op te wachten? Of is het meer een ‘voel-wat-ik-bedoel’-gevoel dat onder Hugo Boss’ marketingmensen leeft?
Ik heb het blijkbaar verkeerd of nog niet gezien, want: ‘The Scent onthult een ander aspect van de Boss-man. Het is een ode aan zijn persoonlijke prestaties in plaats van zijn zakelijke’. Zoiets heet groei, volwassen worden. Maar voor beide geldt: ‘zijn succes is altijd verleidelijk gebleken’. Kijk maar naar ‘zijn uitstraling, de snit van zijn pak en zijn zelfverzekerde charisma’. U raadde het al: deze ‘eigenschappen’ zitten ook verwerkt in de nieuwe geur waarin het meer om emotionele dan om intellectuele intelligentie’. Ik zeg: het eerste merk dat iq en eq laat samensmelten in geur, creëert The Super Scent.
WAT RUIK IK EIGENLIJK?
Ruik je steeds meer: luxemerken die door hun nichegeuren hun masstige-geuren een inhoudelijke opwaardering geven. Meer kwaliteit, meer diepgang, meer rijkdom die eigenlijk meer gesuggereerd wordt, maar voor gemiddelde consument wel zo overkomt gezien die alleen maar gewend is aan ‘licht spul’. Maar hoe geef je tegenwoordig een gemiddelde geur meer dan een of twee ‘geurgenotslagen’?
Is niet alleen per definitie een kwestie van kwaliteit. Ook originaliteit en het kiezen van ingrediënten die synoniem staan voor niche. Bij mannen (minder bij vrouwen) is dat zonder meer leer.
Staat voor beschaafd animaal, staat voor geile chic, staat voor – in verbinding met de Hugo Boss-man – niet direct uit de kleren, maar voor aandacht. Niet ‘ram-bam-thank-you-mam’-seks, maar slow, langzaam opbouwen. Cocktail, dinner, naborrelen in de bar, dan naar huis of hotelkamer voor de openhaard, kaarsen, nog meer cognac en whisky, en alles in een stemmig-warme ambergloed. Dat werk. Je zou bijna in slaap vallen. Maar dan is er nog altijd de morning after…
Hugo Boss is origineel door de leerbasis vooraf te laten gaan door een voor de parfumindustrie nieuw ontdekt ingrediënt, en exclusief en voor het eerst voor The Scent gebruikt: maninka-fruit (foto). Afkomstig uit West Afrika en genoemd naar een gelijknamige bevolkingsgroep die de vrucht veel gebruikt. Zweeft volgens Boss qua geursensatie tussen passievrucht en rum.
Waarom dat dan direct een afrodisiacum moet zijn? Je wordt er – mocht je maninka kunnen eten – eerder dronken dan high van. En het is natuurlijk de vraag of je geur aan de vrucht kunt onttrekken. Ik denk van niet, anders had de industrie dat al eerder gedaan, want die heeft inmiddels alle flora waar ter wereld ook al gescand op olfactorische bruikbaarheid. Is volgens mij meer een kwestie van het samenvoegen van geurmoleculen – waar onder die van passievrucht en rum – die samen maninka ‘maken’.
Zoet-exotisch fruit is trouwens een minitrend in mannengeuren – denk aan stervrucht, denk aan papaya. Ook de opening valt in een trend: in plaats van een pure en luchtige citrusexplosie wordt deze frisheid geleverd door gember: ook fris, ook zonnig, maar met een scherper, pikanter en aardser randje.
Moet gezegd: het eindresultaat is eigenzinniger dan verwacht voor een Hugo Boss-geur en heeft een goede flow: de gember gaat mooi onder in het fruit, begeleid door lavendel, dat zich weer mooi hecht aan het leer. dat je een tijd lang goed kunt ruiken Maar nog steeds binnen de lijnen van de ketenparfumerie. Dus niet al te moeilijk: je hebt The Scent ‘zo door’. Voor een meer gelaagde geur moet je toch The Collection (sinds 2010) van Hugo Boss raadplegen.
Een van de voordelen van nichelabels: ze zijn ‘waarden- en oordeelvrij’ en gezichtsloos. Dat wil zeggen: ze hebben, hoewel niet altijd, een duidelijke filosofie, een visie en een ‘verhaal’, maar dringen die niet echt op. Kwaliteit spreekt voor zich zelf, moet voor zichzelf spreken. Het, hoewel niet altijd, gaat om de inhoud.
Niet om de toeters en bellen. Nichelabels weren dus de platgetreden ‘wake me up before you go, go’-inspiratiebronnen: de romantische verwikkelingen, glamourbeleving, ambities, goede bedoelingen en aanhankelijkheidsverklaringen waarmee de parfumambassadrices en -ambassadeurs van de parfumerieketengeuren mee opgedirkt worden.
Met sommige nichehuizen gaat het zo goed dat ze worden gekocht door beautymultinationals. En dan zie je heel geleidelijk hoe de ‘onzichtbare’ status wordt ingewisseld door een visuele sfeer en beleving. Doel: niche minder afstandelijk maken, dichter ‘bij huis’ brengen bij de nieuwe doelgroep. Want fans van het eerste uur haken meestal af, gaan op zoek naar nieuwe nichemerken (die worden daarin trouwens goed bediend: ze verspreiden zich als een inktvlek over de nichebranche).
Een passend voorbeeld: de nieuwe geur van Jo Malone Mimosa & Cardamom. De presentatie is eigenlijk meer mode dan parfum. Had zo gemaakt kunnen worden voor een fashionshoot – thema: urban gipsy – voor de onder de echte modebijbels (Vogue, L’Officiel en Harper’s Bazar) bungelende glossies: Elle, Marie Claire, JAN (tien jaar dit jaar!). De flacon is slechts een klein detail in een, zoals dat heet, sfeervol en smaakvol übergestyled portret van een model in gedachten…
WAT RUIK IK EIGENLIJK?
… het hoofdingrediënt niet: twee (of drie?) vazen met wilde en lange mimosatakken die je niet in de gemiddelde bloemenboetiek kunt kopen. Op het tafeltje de overige smaakmakers. Natuurlijk de tweede hoofdrolspeler – kardemom – omringd door steranijs en een potpourri van met het blote oog niet duidelijk te bepalen zaden en korrels.
Het voordeel van duidelijk in de naam benoemde ‘twee-in-een’-geuren: de duidelijke boodschap: this is what get. Geen moeilijkdoenerij. De kardemom ruik je met name in de opening: het laat je deze peul in zijn meest fris-intense vorm ervaren: groen, beetje wrang met een frisse ondertoon. Hierachter ruik je direct de mimosa: vol, zonnig, pollen-honingachtig en met een groene zweem die door de kardemom even wordt benadrukt.
Het is trouwens geen ‘full blown sun’-mimosa uit Zuid Frankrijk, daarvoor is Mimosa & Cardamom te zacht en bepoederd. Wordt geleverd door romig sandelhout vermengd met – goed ruiken! – een hazelnoot-nuance, rumachtig tonkaboon en vanille-achtig heliotroop (waardoor je de roos er ook niet echt uit kunt pikken). Daarnaast neem ik ook een lichte saffraannoot waar die op een wonderlijke manier de gele gloed van mimosa voorziet van een stroef-zoete toets. Eigenlijk is Mimosa & Cardamom mimosabolletjes besprenkeld met een ‘poederpotpourri’ en door tonkaboon voorzien van een subtiele gourmandnoot. Aangename low key niche.
Acqua di Parma is op zoek naar een nieuw, nog chiquer kader voor zijn geuren en kwam terecht bij ‘het ontspannen klimaat van de elegante sportclub met het interieur van een oud landhuis, een karaktervol verblijf op het platteland’. Dat is ‘de ideale omgeving voor een briljante, actieve en dynamische man die zijn vrije tijd graag besteedt aan zijn meest authentieke passies en waar hij andere gepassioneerde, gelijkgestemde mannen kan ontmoeten’.
Geurengoeroe voelt zich aangesproken. Want he loves ‘bewuste socialiteit’ en ‘prikkelende conversaties’. Colonia Club wordt voor Geurengoeroe nog prikkelender gezien Acqua di Parma ook nog een link legt met een andere nobele passie die Geurengoeroe alleen passief belijdt door er naar te kijken: dressuur. Acqua di Parma: ‘een van de meest adembenemende en betoverende sportdisciplines, een plechtstatige sport bij uitstek, de hoogst ontwikkelde expressie van de paardrijdkunst’.
De Fransen hebben daar een woord voor waardoor de beleving nog chiquer wordt: équitation. In gedachten is dit prachtig om te zien, zoals Acqua di Parma het moment omschrijft voor de dressuur begint: ‘het paard wacht met nerveuze elegantie in manege, de etiquette vereist een onberispelijke outfit van de ruiter…’. Dan de ‘opeenvolging van de figuren, de tastbare harmonie met het paard bij elke vaartverandering… unieke bevredigende momenten die voortaan het gezelschap krijgen van een nieuwe, originele geur. Een parfum met een naam die klinkt als een verklaring’.
WAT RUIK IK EIGENLIJK?
Je ontkomt er bijna niet aan: door de bossen verschijnt de ruiter te paard van Guerlain gekleed in zijn Habit Rouge (1965). In zijn voorbijgaan ruik je een intens oosters parfum. Geen ‘voeten in de aarde’, varen, gras en bladgroen in een spoor van lichte, fris-tintelende noten. Dat ruik je wel in Colonia Club. Het verspreidt deze noten niet in een wilde, bosachtige setting – zoals in Guerlains Vétiver (1959) , maar eerder gestructureerd en ‘gedresseerd’. Net zoals de ruiter in strakke lijnen tijdens zijn plechtmatige parcours zijn paard leidt.
De opening roept herinneringen op aan de klassieke eau de cologne-signatuur van Acqua di Parma alleen ‘ritselt’ de hesperidenmix van bergamot, citroen, petitgrain en mandarijn meer – is minder ‘vintage’. Dat wordt versterkt door munt en galbanum in het hart die het klassieke eau de cologne-ingrediënt neroli een mooie, heldergroene omlijsting geven – noem het nerveuze elegantie. Voor de verzachting van het geheel, om de cologne minder een cologne te laten zijn worden hiervoor klassieke ‘mannenbloemen’ in stelling gebracht: zoet-zonnig lavendel en geranium met zijn roosachtig karakter.
De afronding, een beschaafde balans tussen ruig (ambergrijs) en schoon (witte musk) zorgt ervoor dat de groene vetiver minder aards zijn noten kan verspreiden. Eigenlijk als je goed doorruikt, is Colonia Club de meest toegankelijke geur tot nu toe van Acqua di Parma binnen het mannensegment – de Blu Mediterrano’s buiten beschouwing gelaten – door deze clean-frisse finish. Wil je dat Colonia Club meer het paardenelement accentueert, layer dan de geur met Colonia Leather (2014). Verhouding 1 op 4. Nog niet dirty-donker genoeg, nog niet ‘paardenstallen’ genoeg, pak dan Colonia Itensa Oud (2012). Verhouding: 3, 1, 1.