Strange: still no mention of Blue Noir at http://www.narcisorodriguez.com/fragrance. I went ‘to him’ just beause I was curious about the man Rodriguez had in mind, if he had one… Yes he had. Narciso Rodriguez: “This fragrance is for the mysterious, modern and elegant man.” Sure. And about the color: “I love blue so dark that it appears black. I like black which takes depths of dusk.” Sure. But why did he choose Bleu Noir instead of Noir Bleu?
The first refers (for me) more to the coolness of water and the infinite sky – in other words: a fresh-airy fragrance with a certain kind of depth. But just by judging the ingredients, I think it would have been more intriguing, if not more appropriate, if Noir would have come first in place. Because the fragrance is (for me) more black then blue – because of the lack of a spright citrus tinkle. Instead a hint of fresh and green cardamon accompanied by a dusty nutmeg. And than the fragrance turns dark.
WHAT DO I SMELL?
Since the launch in 2010 of Bleu de Chanel the couture house leads the way with a ‘new kind of dark’, a new kind dark woody fragrance for men in the masstige (a contraction of mass en prestige) department. Like Miyake’s Nuit d’Issey (2014), like Sauvage (2015) by Dior – already called Blue de Dior. Bleu Noir walks the same path to a dark woody base infused by a slightly salty touch and ‘distant’ smoky-burned accents. But it never gets too dark. Not too black, not too blue.
In fact, the more I smell it, the more I see a grey landscape arise because of the paleness and bleakness of the chosen woods: cedar, ebony, vetiver. Softened with amber and musk – both not adding a warm comforting, but are more straight and upright manly greyish and clean note. Like the ass trail of cigarettes on asphalt. And: Billy Vandendooren is only a few steps away from becoming the first white model who – like Al Johnson once – transforms into an Afro-American…
Door de overflow aan toeristen mijden steeds meer bewoners het centrum van de grote binnensteden. Zoals Amsterdammers. In de Kalverstraat winkelen? WTF why? Include me and part of my Mokum based family (toch elf stuks). De hipster moet er sowieso helemaal niets van hebben: hij doorkruist al (bak)fietsend ‘het kloppende hart’ op weg naar winkels, ‘concept stores’ die in zijn denkraam passen, maar zich nèt buiten het centrum bevinden. Zoals de neo-barbershop – noodzakelijk voor het onderhoud van zijn zorgvuldig gecultiveerde baard. Tevens ontmoetingsplek voor gelijkgestemden én een perfecte hot spot voor verkoop van geuren. Geurengoeroe ruikt nieuwe kansen.
Toen ik ongeveer vijftien jaar geleden na een vakantie uit Nieuw Zeeland terugkwam in het vaderland, werd ik ondanks mijn xxl-lengte niet direct herkend: was mijn baard (nee, niet de eerste maar laatste foto). Had ik een kwartaal laten staan. Neem daarbij de andere haren die ik op mijn hoofd welig had laten voort woekeren: ‘Hé baardaap, terug uit de rimboe?’
Maar deze karakterisering bekte marketingtechnisch toen – ook al – niet lekker. Eveneens de op dat moment in Frankrijk in schwung zijnde prêt-à-porter-typering van de bon sauvage – nobele wilde. Gebaseerd op de verlichtingstheorie van Jean Jacques Rousseau en onder meer gepromoot door Tom Ford met zijn M7 voor Yves Saint Laurent (2001).
En toen gooide de metroseksueel – celebrity-oerversie: David Beckham – roet in het beeld. Die is nu ook al weer een tijdje ingehaald door de door vrouwenglossies gepromote klassieke variaties op de back to basics-man. Beckham paste zich aan dit nieuwe ideaalbeeld aan: zie zijn recente veronderstelde geile underwearcampagnes voor H&M en Armani. De ruwe bolster, blanke pitter dus. Met een buikje, liefst gespierd (dat buikje) mag ook inmiddels. Maar deze echte man is eigenlijk best wel saai, daar hangt niets eigenzinnig, puur, alternatief en ‘woest aantrekkelijk’ aan. Alhoewel (en dat terwijl) veel brave burgermannen juist vaak aan aantrekkelijkheid winnen als ze hun baard laten staan – neem al de hoofdburger van België, koning Filip.
Sommige types alleen kunnen wat kin- en kaaklijn verbergen overdrijven. Verklaart dit de over het algemeen negatieve ontvangst – jaloezie? – van de hipster? Sinds kort het nieuwe ‘rolmodel’ voor de naar houvast zoekende en dolende moderne man. Hoewel naar het schijnt erg actief in de ‘crea-hoek’ en dat erg benadrukkend, vind ík de met zijn ‘overvloedige’ baard pronkende hipster leuk en aantrekkelijk. De daarop inhakende, gelikte campagnes van Van Gils en een Belgisch biermerk – naam schiet me niet te binnen – daargelaten. ‘Eindelijk’ weer een fenomeen dat bestaande conventies over smaak en lifestyle met humor tart. En in feite een terugkeer is – nothing new – naar de ‘facial styling’ van de man rond de vorige eeuwwisseling. Voorbeelden: koning Edward VII van Groot Brittannië, Johannes Brahms, Friedrich Nietszche, Walt Whitman.
Daarnaast zie ik een duidelijke invloed van andere mannen wat ‘baardschap’ betreft. Maar hoe omschrijf je in deze verwarrende tijden ‘vrij en onverveerd’ deze bevolkingsgroep die gelooft dat Moehammad ibn ‘Abd Allah ibn ‘Abd al-Moettalib ibn Hasjim ibn ‘Abd Manaf al-Koeraisji (ca. 570 -632), the one and only profeet en boodschapper van God is. Deze mannen hebben sinds millennia een overdreven aandacht voor de baard gecultiveerd – als detail van hun niet onderhandelbare mannelijkheid. Vandaar in groei en in onderhoud letterlijk tot in de puntjes verzorgd. Geldt ook voor de daarboven trots prijkende snor – nu vaak gepommadeerd comme Hercule Poirot. Wat de hipster hier aan toevoegt: up to date styling. Casual ruig dus: tatoeages, stoere sieraden ter ondersteuning van een strak pak, skinny look of een zorgvuldig samengestelde urban nomad-outfit. Een voorbeeldig exemplaar: Menno de Koning winnaar van Nederland Bakt anno 2015.
Maar waar koopt deze ‘nieuwe man’ zijn geuren? De hipster wil volgens mij nog niet dood gevonden worden in de ketenparfumerie. Terecht. Hoeft ook niet: hij heeft inmiddels zijn ‘hang out’ gevonden in de nieuwe variatie op de klassieke barbershop. Want die is naast het verzorgen en pimpen van de baard tegelijkertijd een hot spot waar de hipster afspreekt met gelijkgestemden voor een koffie- en/of lunchmeeting.
Niets nieuws eigenlijk onder de horizon, want ‘bij de Arabieren’ – daar doelde ik zonet op – is deze barbershop-functie altijd levend gebleven. Daar is het vanzelfsprekend dat je gezicht tijdens een behandeling (knippen, trimmen en/of, scheren) in de watten (eigenlijk ‘vers’ gestoomde hete handdoeken) wordt gelegd. Vervolgens wordt je gezicht opgeschrikt met een pittige, schurende cologne – hoe heerlijk is dat? En dan ligt het in de lijn der commerciële verwachting dat je die als klant koopt. Ook hier: dat was ‘vroeger’ normaal. Mijn vaste Amsterdamse kapper – ‘Cor’ – die drie jaar geleden helaas zijn scharen en scheermessen aan de wilgen hing, had ook een mini-parfumerie in zijn etablissement.
Wat moet de nieuwe barbershop wat geuren betreft aanbieden? Keuze te over. Ik denk Agonist – voor het meer artistieke. Ik denk Acca Kappa – heeft zijn roots in scheerproducten. Ik denk Acqua di Genova – voor het klassieke cologne-idee. Ik denk Acqua di Parma – idem. Ik denk Czech & Speake – voor de basics. Ik denk Comme des Garçons – voor het vreemde en onverwachte. Ik denk Eight & Bob – voor het verhaal. Ik denk Etro – voor het overzicht van klassieke geurconcepten. Ik denk Hierbas de Ibiza – vanwege de ongecompliceerdheid. Ik denk Histoires de Parfums – voor de ‘geschiedenis’. Ik denk Humiecki & Graef – vanwege de eigenzinnigheid. Ik denk Third Man – presenteert de klassieke eau de cologne hedendaags. Ik denk Von Euserdorff – voor wie klassiek doet, goed ontmoet. Nou vooruit Atkinsons – voor de ‘elegant fun’.
Alleen: veel luxe merken en distributeurs denken niet meer (nog niet) kleinschalig. Terwijl kleinschaligheid juist leeft bij deze ‘nieuwe’ mannensoort. Luxe merken en distributeurs hebben zelden nog een ‘ouderwetse’ vertegenwoordiger in dienst, die in plaats van deze nieuwe eenmanszaken te prikkelen, liever van inkoopafdeling naar inkoopafdeling van de ketens gaat. En dan bestaat er nog een heersend vooroordeel: veel luxe merken vinden geuren aangeboden in dergelijke setting niet chic genoeg. Ik zeg: barbershop is the new chic! Valt heel veel nieuwe omzet te genereren, zeker als je al deze individuele initiatieven – worden er steeds meer – bij elkaar optelt.
Tegenover een bijna religieuze verering van het parfum en de symbolische boodschap die het kan verkondigen – Mona di Orio – staat natuurlijk een dikke middelvinger vol trots omhoog gericht: Moschino. Dat deed de oprichter Franco Moschino (1950-1994) heel graag zelf – op een van zijn populairste T-shirts stond niet geprint Chanel N° 5 maar Channel N° 5. En zijn navolgers zetten deze parodie op het parfum, parfum als gagdet voort. Qua presentatie dan. Want wat beide extreme visies verbindt – geld verdienen – krijg je alleen voor elkaar als de inhoud enigszins klopt, verkoopbaar is.
Een parfum dat echt stinkt in de klassieke ‘beleving’ van het woord is de ultieme middelvinger. Maar daar waagt Jeremy Scott zich niet aan. Terecht. Hoeft ook niet. En daarvoor zijn de belangen te groot. Hij is sinds 2013 artistiek directeur en kreeg de opdracht om het kietelen, plagen en uitdagen voort te zetten. En dat doet hij blijkbaar goed – Moschino wordt als luxe modemerk weer serieus genomen, en vooral bij een nieuwe generatie – de kleding en geuren hebben hoog gimmick- en Instangramgehalte.
Franco Moschino zette voort wat Jean-Charles de Castelbajac ooit in gang zette: mode als ‘bewegende’, mainstream en draagbare pop art. Dus het alledaagse als uitgangspunt nemen. Niet zoals het authentiek burgertrut Libelle-, Margriet- en Happines-cliché (voor bevrijde vrouwen) dat daar ook schoonheid is schuilt – men neme een pointillistische schaduw over een mok verse muntthee in een zomertuin. Maar wel de schreeuwende kleuren en dwingende lelijkheid waarmee we in ons dagelijks leven en streven worden omringd.
Culminerend in de bijna letterlijk niet te vermijden wereld van ‘ordinaire producten’-reclame: bijvoorbeeld die van de schoonmaakmiddelenindustrie. Zeefdrukte Andy Warhol dat verdomde handige keukenhulpje Brillo, Jeremy Scott transformeert een ‘Glassex-spuitfles’ – ‘Handig, maar wat jammer van de strepen die het achterlaat op de ramen’ – tot een echt parfum. De ironische boodschap is duidelijk en wordt versterkt door de naam – Fresh Couture. Kun je tegelijkertijd interpreteren als een frisse kijk op mode en geur. Én slaat natuurlijk op de inhoud.
Wat ik echt een gemiste kans vind: de spraytechniek. Wil je overtuigen met een vette knipoog dan moet het totaalconcept vanzelfsprekend zijn – god of de duivel schuilt dan in de details. Ik ging er vanuit dat knijpend op de ‘handle’ – of hoe heet zoiets eigenlijk? – de geur tevoorschijn zou sprayen. Nee dus, de ‘handle’ fungeert louter als dop die je er af moet halen om op een gewone spray-knop te drukken. Jammer. Overtuigd daardoor minder.
Dat een ingenieuze spraymogelijkheid het gebruikersgenot kan verhogen, bewijst het schoolvoorbeeld voor mij: Le Classique (1997) van Lolita Lempica: zit in het steeltje van de appelflacon verwerkt. Zou toch leuk zijn als het – waarschijnlijk niet geplande – parfumextract van Fresh Couture hier wel ‘rekening mee zou houden’. Wordt dan direct aangekocht door de zich wereldwijd nog steeds uitbreidende musea van moderne kunst.
WAT RUIK IK EIGENLIJK?
Het verwijt: steeds meer populaire geuren ruiken naar veredelde shampoos. Oorzaak: er worden haast geen natuurlijke ingrediënten meer gebruikt in ‘masstige’-geuren waardoor je de klassieke sensatie mist: een geleidelijke, vanzelfsprekende zich in lagen aandiende olfactorische ontwikkeling.
Het gevolg: ‘gezellige geuren’ die voor ze de eindflacon bereiken door diverse testpanels zijn ‘gecustomized’. Eindresultaat: crowd pleasers. Maar dat is wat anders dan de ‘gemiddelde’ geur die een schoonmaakproduct kenmerkt. Wordt wel eens vergeten: ook dat zijn composities meestal gemaakt door neuzen in opleiding, als voorproefje voor het echte werk.
Met soms wonderlijke resultaten. Een van de vaatafwasmiddelen die ik in mijn Brusselse keuken gebruik, verspreidt een aangename lelietje-van-dalengeur. Het – biologische – witwaspoeder daarentegen maakt een scherp, harde indruk: een overgedoseerde witte musk aangelengd met een ‘soort van’ ambroxan.
Ruik je schoonmaakmiddel in Fresh Couture? Is een kwestie van hoe je tegen geur aankijkt, wat je er van verwacht. Wat ík verwachtte, ruik ik: een door rood fruit aangedreven vriendelijke roze bloemengeur die niet moeilijk doet en waarvan bijna elk populair parfummerk er nu op zijn minst één in de collectie heeft. Ooit begonnen met – laten we het niet vergeten – Yves Saint Laurents Baby Doll (1999) en waarmee nu Marc Jacobs met zijn Daisy Eau so Fresh-variaties volgens mij de meeste – grapje: rode – vruchten van plukt.
Fresh Couture opent met een rood fruitmelange waaruit uiteindelijk de framboos komt bovendrijven omringd door ‘gezoete’ van hun echt schurende en prikkelende effect ontdane citrusvruchten. Maar niet zó fris dat je echt een ‘schoongemaakgevoel’ krijgt, was als knipoog wel zo leuk geweest. En ik wou dat ik ze kon ruiken in het hart: de ylang-ylang (koppig sensueel), pioenroos (als het goed is kruidig-zoet) en osmanthus (liederlijk makend ‘rozijn-rum’-bloemetje). Maar samen leveren ze in dit geval een ‘impressie van’ bloemen op met de nadruk op ‘het idee van’ gezoete pioenroos.
De afronding is vertrouwd en komt in de buurt van een gemiddeld schoonmaakmiddel: fris en clean door loads of witte musk met, als het geheel goed is ingetrokken, een lichte houtnoot, maar ook weer clean en bleek. Wit hout dus: cederhout en een ‘geklaarde’, van zijn kamfernoten ontdane patchoeli.
Eindconclusie: Fresh Couture is geen parfum in de klassieke zin van het woord, maar wel – was ook de bedoeling – ‘parfun’. Ofwel, parfumpret, een ‘gadget-geur’ voor als je nog geen hoge eisen stelt, maar je gewoon een aangenaam, niet heftig-provocerend ‘begeleider van de dag’ wil dragen waar waarschijnlijk niemand vragen over zal gaan stellen. Niet van: ‘Wat draag jij in hemelsnaam?’ Niet van ‘Wat ruik je lekker!’ Het is er gewoon. Zoals zovele roodfruitrozebloemengeuren. Maar de flacon krijgt wel een ereplaats in mijn collectie. Waarom: als gezond antidote-relativering voor alle merken die parfum al te ‘holy holy, I bow to you’ nemen.
WANNEER WORDT PARFUM – NU EENS – ECHT SERIEUS GENOMEN DOOR DE MEDIA?
Popsterren en neuzen hebben meer ‘in common’ dan je in eerste instantie denkt. Jammer alleen dat de laatsten geen, werkelijk serieuze aandacht krijgen in de media. Een gemiste kans. Gesteld Geurengoeroe-doel voor 2016: keren van het tij. Matthijs van Nieuwkerk: “Dank je wel Kim van Kooten voor de toelichting van je eerste, overdonderende, ogen opende roman, maar nu snel over naar Jeroen oude Sogtoen van het parfumhuis Mona di Orio met Nederlands wortels naar ik heb begrepen – ik ben erg benieuwd waarom ‘zijn’ oud bij kenners als de non plus ultra-oud wordt gezien. Jeroen, welkom en je hebt iemand meegenomen die zich Geurengoeroe noemt. Leg uit.”
Ik dacht van de week: ‘dus toch maar’ even aandacht besteden aan het verscheiden van David Bowie – ik was ‘vraiment’ verbaasd over de zoveel meer dan gemiddelde likes. Waarvoor mijn dank. Vroeg me ondertussen wel af: ‘Who’s next?’ Want er staan heel wat sterren voor de eindsprint klaar om het tijdelijke met het eeuwige te verwisselen – alleen al puur afgaande op hun leeftijd en lifestyle. En dan kan er ook zo maar een celeb ongevraagd – ‘dat was niet de afspraak!’ – tussenuit glippen. Auto-ongeluk, ‘facelift horribly gone wrong’ en fijne, andere pech onderweg-momenten waar de roddelrubriekredactie van showbizz-programma’s op tv vol ‘ha-ha’ha’-leedvermaak bijna op klaarkomt. Als er niet goed onderling overlegd wordt, moeten we binnenkort wekelijks een ‘held’, ‘ikoon’, ‘trendsetter’, ‘ster’ en dergelijke betreuren. Met als hoogtepunt de serieuze hoogmis (in den Nederlanden geleid door Matthijs van Nieuwkerk) bij DDDD: De Dood Draait Door.
Dit gezeurd hebbend en de link met parfum leggend: het is nog nooit voorgekomen volgens mij dat een neus wereldwijd werd betreurd door miljoenen ontroostbare fans omdat hij naar de andere kant ging. En dat is, als je even doordenkt, vreemd. Want net zoals popsterren, artiesten en andere celebs, geeft hij/zij ook het dagelijks leven vorm puur om het simpele feit dat miljoenen mensen (fans) zijn geuren dragen. En wat is het verschil? Genieten van popklassiekers terwijl je danst, de liefde bedrijft, in een café hangt. Genieten van geuren terwijl je hetzelfde doet. Maar ik zie een gunstige ontwikkeling in deze: want de neus wordt, naast de sterrenkok, geleidelijk aan naar voren geschoven als celeb.
Heeft diverse redenen. Ten eerste: van de meeste ‘klassieke’ parfumhuizen zijn de oprichters dood, dus wordt in plaats daarvan de neus naar voren geschoven tijdens lanceringen en interviews. Soms meer dan één. Licht een parfumeurstrio toe wat de inspiratie was en hoe ze elkaar hebben aangevuld en versterkt om tot een – vooropgesteld – prachtig resultaat te komen. Ten tweede: het aanstellen van een nieuwe huisneus is voor luxe labels sinds een tijdje reden met een officiële persverklaring te komen. Wereldnieuws weliswaar in kleine kring nog steeds, maar meer en meer media die dit bericht oppikken. En dan zijn er nog gewoon neuzen die op een positieve manier pr-perfect zijn zonder pedant te worden – uitzonderingen daargelaten – en graag de wereld rondreizen om hun boodschap te verkondigen. Pierre Guillaume van Parfums Générale, Francis Kurkdjian van zijn gelijknamige maison. Ik zag vorig jaar Chantal Roos op de Franse televisie in een nieuwsrubriek waarin ze serieus werd geïnterviewd. Haar – terechte – staat van dienst werd doorgenomen om het uiteindelijk te hebben over haar ‘parfums d’exception’ van haar nieuwe initiatief Dear Rose.
Het wordt de hoogste tijd dat neuzen – gelijk schrijvers, cabaretiers, kunstenaars en ‘ervaringdeskundigen’ – worden gevraagd hun nieuwe parfum toe te lichten, hierover worden serieus ondervraagd worden in ‘kijkcijferkannonen’ zonder de mallotige cliché-lifestylelink zoals in RTL Boulevard. Want de wereld van geuren is zoveel meer dan ‘een lekker luchie’ – iets waar de gemiddelde koper volgens mij nog geen weet van heeft.
Sterker, ik ben van mening dat 80 procent van de consumenten geen verstand heeft van geuren. Ze kopen een geur vaak aangespoord door de ‘foute’ prikkels: overdonderde campagne, geil model en ‘droom’. Daardoor wordt een geur vaak vanzelfsprekend als direct ‘lekker’ ervaren, zonder dat ze zich afvragen wat ze nu echt aangenaam vinden. Dat laatste is een interessante zoektocht die zeer de moeite waard is en die uiteindelijk leidt tot het echt ‘parfum-dna’ van de drager.
Extra stimulans en aanzet zou zijn, wanneer invloedrijke glossy’s en blogs parfum als zodanig behandelen en niet het tevreden stellen van de adverteerder als uitgangspunt nemen. Daar heb je als ‘dolende parfumzoektochter’ meer aan. Ondertussen: I have a dream: bij het overlijden van een neus (vul in) verschijnt in de parfumerie een limited edition met zijn/haar greatest hits.
DAVID BOWIE: ‘GROUND CONTROL TO OLIVIER CREED, GROUND CONTOL TO…’
Jaar van lancering: 1995
Laatst aangepast: 12/01/16
Neus: Olivier Creed
David Bowie is niet meer. Ja, ik bewonder hem zeer. Wie niet – uiteindelijk? En over de doden niets dan goeds. Van de – toen nog – lp The Rise and Fall of Ziggy Stardust and the Spiders from Mars kende ik de teksten uit mijn hoofd. En ik ben lang meegaan in zijn fascinerende transformaties: van Diamond Dogs (‘as he pulled you out of the oxygen tent, he asked for the latest party’), via Young Americans naar ‘the return of the thin white duke’. Met zijn all time Low (de lp): Always crashing in the same Car. Met de film The Man who fell to Earth en zijn schilderijen tussendoor.
Maar door Let’s Dance en This is not America verloor ik interesse. Vond het wel goed zo: je kunt niet heel je leven grensverleggend zijn en ook niet willen dat fans dat van je verlangen. Niet verder vertellen en hopelijk beledig ik niemand: zijn ‘momento mori’-album Black Star en met name het nummer Lazarus… is voor mij toch een soort van artistieke kitsch: het ligt er zo dik bovenop.
Waar ik ondertussen wel ‘parfumtechnisch’ enigszins nieuwsgierig naar was: als Bowie gevraagd was lid te worden van de CFC (Celeb Frangrances Club), met wat voor een soort geur zou hij gekomen zijn? En hoe zou hij het verpakt en gepresenteerd hebben? Hoewel ik vermoed dat hij voor de eer bedankt zou hebben, zie en ruik ik een geur voor me met een ‘heaven and hell’-dualiteit, zeer conceptueel.
In de eerste plaats niet om ‘klassiek’ van te genieten, maar meer schurend, krassend, vals, niet mooi willen zijn. De grens van wat parfum is oprekkend, wat parfum ook ‘anders’ kan betekenen. Zoals hij muzikaal bijvoorbeeld deed met het bewust vals gitaargestemde openingsnummer – It’s no game – van zijn lp Scary Monsters: ‘Draw the blinds on yesterday, and it’s al so much scarier. Put a bullet in my brain and it makes al the papers – shut up, shut up’.
Voor de zekerheid toch maar even ‘ge-www-ed’: welke bestaande geur gebruikte hij? Hoewel je de betrouwbaarheid van Famous People and their Favorite Perfumes-sites over het algemeen in twijfel kunt trekken, melden de meeste Silver Mountain Water van Creed. Check and double check: Olivier Creed bevestigt dit tijdens een online-interview in 2013 met The Independent.
WAT RUIK IK EIGENLIJK?
Leuk om te horen, heb ik nog meer gemeen met Bowie dan ik dacht: want Silver Mountain Water ontdekte ik begin 2000 (gekocht in de Parijse Creed-boetiek) en tijdens de daarop volgende vakantie in Duitsland tot bijna op de bodem geledigd. Vreemd maar waar: de geur heb ik nog nooit besproken en toch kan ik dit zilveren bergwater nu nog steeds in mijn gedachten ruiken. Voor de reality check heb ik nog een bodempje.
Het idee: waterstromen oproepen – rivieren, beekjes, meren – die vanuit de Zwitserse bergen hun weg zoeken naar het dal. De geur is zowel koud als warm: alsof je tijdens zomer kijkt naar de bergen, de toppen bekleed met ‘eeuwige sneeuw’. Wat me altijd bij is gebleven: de slimme toepassing van de toen net ontdekte groene thee – op de foto, zien we David Bowie in retreat? – als vernieuwend ingrediënt in geuren. Die begeleidt de compositie fris-klaterend als een cascade van top naar dal – geeft een groen-waterige onderstroom. Heb het ‘bodempje’ er weer even bij gepakt. Weer valt me op: de ontspannen chic van het geheel. De mandarijn verspreidt zijn zoet-zonnige noten nog steeds even frivool, dartel lichtjes aangetikt door bergamot.
In Silver Mountain Water ruik je ook hoe lekker zwarte bes toch eigenlijk is: een mooie volle, fluwelige fruitnoot – beeld: Olivier Creed samen met ‘Ziggy’ (Iman aan zijn zijde) nippend aan een kir royal tijdens de après-ski – zonder de plakkerigheid van rood fruit. En door het te combineren met fris-groen, zalvend-warm groen galbanum, weet je dat Olivier Creed zijn vak verstaat. Als al dit prettigs richting dal is gemeanderd, wordt het opgenomen in een zacht-warme basis van musk en sandelhout zonder dat de geur zijn ‘éclat’ en frisse allure verliest. Zonder al te clean te worden. Hiervoor mede verantwoordelijk: de reeds vermelde groene thee. De vermelde petitgrain ontgaat me in de basis.
Anyway, was dus al bekend: Bowie had smaak. Wordt met Silver Mountain Water ‘ontspannen’ bevestigd. Daarnaast schijnt hij volgens http://perfumeshrine.blogspot.be ook Paloma Picasso’s Minotaure (1992) en diverse geuren van http://www.florislondon.com te hebben gebruikt.
Roem is vergankelijk. You can’t Stay (zie clip boven uit de Dinah Shore Show uit 1976) for ever. Ook David Bowie zal het ‘bewijzen’. En ondertussen fantaseer ik hoe David Bowie, zijn (samen met John Lennon gecomponeerde) Fame al zingende, de gelijknamige geur van Lady Gaga (2012) en haar ‘more artist than entertainer’-filosofie al bestraffende in lucht doet…
Aan sommige, jezelf gedane beloftes – niet alleen rondom het nieuwe jaar – is het nog niet zo makkelijk je daar aan te houden. Zoals mijn verbod om nog een oud-geur te bespreken. Daar blijven er zoveel van verschijnen dat Geurengoeroe, of welke geurenblogger dan ook, daar een aparte blog aan kan wijden. Maar soms sluipt het toeval in je wereld. Ongevraagd. Onverwacht.
Dus moet ik onlangs aan een ‘net opgedane’ vriend vragen of ik tijdens ons cafébezoek even discreet met mijn neus in zijn hals mocht verdwijnen. Want ik rook iets prettigs, dat me doet denken aan – inderdaad – oud. Het blijkt de versie van Reminiscence te zijn. Vooropgesteld: Reminiscence’s Oud is niet ontstaan uit een intens en diep verlangen een geur te creëren helemaal passend bij het DNA van het semi-juweliersmerk (zoals Patchouly uit 1970), maar is meer ingegeven door marketing. Niets mis mee. Want: every perfume label should now have at least one oud. En voor Reminiscence is het menens: Oud werd bij lancering direct ondergebracht in de serie Les Classiques.
Is dat gerechtvaardigd? Ja, want de geur is goed, heeft als je even door snuift eigenzinnige details. Droog, pittig, strak overlopend in een warme omhelzing voorzien – voor de liefhebbers – van een subtiel gourmand laklaagje en zelfs – voor de liefhebbers – een licht vilein animale injectie.
WAT RUIK IK EIGENLIJK?
Een ‘krasse’ interpretatie van oud. Met dien verstande dat in de meeste Europese oud-geuren geen druppel echte oud zit. De reden: omdat ‘the real stuff’ zijn gewicht meer waard is dan goud – ondanks het feit dat de wereldprijs daarvan enorm is gekelderd.
Zo wist Gérard Ghislain van Histoires de Parfums mij onlangs te vertellen dat nu de elite van Arabië parfumhuizen in Grasse opdracht geeft voor een oud-compositie. Die wordt dan zonder oud naar de opdrachtgever gestuurd die er vervolgens de door de neus voorgeschreven hoeveelheid echte oud-olie aan toevoegt. En zoals al eerder vermeld: je kunt oud nu imiteren door het gebruik van verschillende – synthetische – houtsoorten vermengd met dito musk.
Reminiscence’s Oud gedraagt zich als een racewagen op Formule 1-race-circuit: alle ingrediënten gaan samen van start zo lijkt het wel. Ieder heeft eerst zijn eigen baan, maar ‘scheuren’ vervolgens in verschillende snelheden alle kanten op, langs elkaar heen, over elkaar heen om uiteindelijk in volle harmonie samen te finishen.
De opening met bergamot, roze peper en kardemon is als een druppel op gloeiend asfalt (gemaakt) van ‘oud’ die goed door de bocht scheurt, maar eerst de nu bijna klassieke oud-combi in het hart (zoete roos en ‘zoet-stroef’ saffraan – foto) alle kans geeft zich te ontwikkelen.
De oud in Oud is een mix van sandelhout (romig), cypriol (droog-verbrand), guaiac (rokerig), ‘kasjmierhout’ (zacht) en patchoeli (warm, strak en smeulend). Boeiend om hier ook weer te ruiken dat patchoeli omringd met de juiste noten ook een chocolade-noot heeft en samen met sandelhout voor het gourmand-effect (versterkt door tonkaboon) zorgt zonder dat het de overhand neemt.
Resultaat: een zoete oud die – gelukkig – door het vele hout niet veranderd in een oud-bonbon. En leuk, dat licht vileine ondertoontje zwevend tussen bevergeil, musk en leer. Tenslotte: door de evenwichtige balans tussen hout, ‘oud’ en zoet is deze Oud gender free. En leuk voor Reminiscence-diehards: Oud laat zich heel ‘magisch en duizend-en-een-nacht’ mengen met de andere geuren uit Les Classiques.
Het zou vanzelfsprekend moeten zijn: bij parfum komt de inhoud op de eerste plaats. Kwaliteit dus. Maar dat is voor veel gebruikers nog niet genoeg: die laten zich maar wat graag extra verleiden door pr-parfumpraatjes. Wordt nu story telling genoemd. Ik vraag me vaak af: wordt daardoor de geur nu meer (over)gewaardeerd? Of misschien juist minder? Want staat je een model, een flacon, een campagne niet aan; ervaar je dan de geur nog wel als ‘puur’?
Hier heb je bij Scent Bar in ieder geval geen last van. Credo van het merk: ‘Perfume is the protagonist…the packaging is very simple and classical’. Wie het bedacht heeft? De informatiefolder geeft niet veel info. Een naam wordt genoemd: Viola Pompili. Geen site – chic anno nu! Wel een straat en plaatsnaam: Corso Mazzini 42 Cesena. We googelen de naam. Ze zit dus op instagram: https://www.instagram.com/violapompili/, op Facebook: https://www.facebook.com/search/more/?q=Viola+Pompili&init=public en komen haar tegen op Youtube. Ook al ben je het Italiaans niet echt machtig, de basisintentie van Viola kun je er uit destilleren.
Op papier zegt ze: ‘The Scent Bar project was born in collaboration with a small handcraft laboratory of high quality perfumery. After several years of experience in a perfumery, constantly in contact with customers wishes and needs, the idea of creating a line of natural fragrances to satisfy every demand, finally come up.’ Klinkt helemaal zoals we het anno nu wil horen: handarbeid, kwaliteit en consumentencontact. Alleen: je kunt niet aan elke behoefte voldoen, dat valt eerder in de categorie: de wens is de vader van de gedachte.
WAT RUIK IK EIGENLIJK?
Wat krijg je? ‘Very characteristic scents that differentiate to the high concentration of natural best quality components’. Dat houdt dus in dat een gedeelte van de inhoud dat laatste niet heeft. Maar ik ga er vanuit dat Viola doelt op de synthetische geurverschaffers, zoals rood fruit, vijg, zout, musk. Maar het moet gezegd: die vormen inderdaad een minderheid.
Impressie: natural, relaxed en de kwaliteit is goed. Niet de ‘allergoedste’, maar voldoende om de term niche te rechtvaardigen. Met als toevoeging: toegankelijke. Dat komt door de eenvoud van de formules – gebaseerd op drie hoofdingrediënten – afgezien van enkele ‘solifleurs’ zoals een patchoeli- en vanillegeur.
Enkele geuren vallen op door hun krachtige signatuur. 100 is opgebouwd uit jeneverbes, leer en wierook, 111 uit iris, roos en opoponax. Beide niet geroken. De tien die daar tussen zitten zijn voor het grootste gedeelte ingegeven door huidige parfumtrends.
Zoals 101, 102 en 103. Waarvan 101 richting gourmand gaat. Na een onbestemde frisse golf die overloopt in vijgenbladgroen, kom je een warm-romig bad terecht van amandelmelk en kokos. Waarvan het ‘plakkerige’ en stroperige effect wordt versterkt door de hoge concentratie aan parfumolie. Ik zou 101 niet alleen willen kwalificeren als een volledige ‘echte’ geur – eerder een stemming, een begin van een geur zonder ongelaagd te zijn en die meer aan karakter wint als je hem bijvoorbeeld combineert met 102. Dat is een onverwachte en zeer aangename ontmoeting tussen zout, tiaré en mirte. Interessant om te ruiken hoe de tiaré haar zoet-zwoele noten laat wiegen tussen zilte zeegolven en het ‘harde groen’ van mirte (tekening). Hoe langer je ruikt hoe krachtiger de geur. Met name de mirte die geleidelijk aan droger wordt alsof achterna gezeten door krullende wierookslierten.
Zou je 102 clichématig kunnen rubriceren als mannelijk, dan is 103 net zoals 101 vrouwelijk, of beter gezegd: girly. Dit is een van de vele Marc Jacobs Daisy-zomerversies. Maar dan op niveau. Het rode fruit is net wat krachtiger met een prikkelend fruit-zurig aura en net wat fluweliger en – daardoor – minder aqua. Interessant dat rood fruit tegenwoordig bijna een apart ingrediënt is geworden dat staat voor fruitig, fris-zurig en zoet, maar waarvan de diverse soorten fruit met moeite apart of naast elkaar te onderscheiden zijn. Het effect: roodfruitlimonadesiroop die in 103 superzoet wordt gemaakt met suiker en vanille.
Je hebt stiefdochters in de parfumerie. Maar ook stiefzonen: geuren die in de loop der jaren op steeds lager geplaatste plankjes terechtkomen, bijna uit het zicht: alleen de vaste fans weten hem te vinden. De ‘rest’ gaat voor nieuw-nieuwer-nieuwst. De merken zelf trouwens ook. Waaronder Kenzo: voor de man verschenen de laatste ‘drie à vier jaar’ meer dan acht geuren waarvan enkele niet eens de ketens haalden.
En dan ‘ineens’ ontdekt ook Kenzo dat je je klassiekers moet koesteren. Voor de vrouw is dat Flower (2000), voor de man is dat dus Homme – inmiddels rustend op het bijna onderste parfumplankje. Vanaf nu zal deze geur het weer hoger op kunnen zoeken, want Homme bestaat 25 jaar – inmiddels een uitzonderlijke prestatie.
Reden voor een feestje. Dat betekent geen feesteditie, maar een eau de parfumconcentratie om tot de essentie van de geur door te dringen, om er diepte aan te geven. Want ondanks dat Homme door zijn houtbasis als eau de toilette beklijft, blijft het toch een oceanische ozongeur. Opvallend wat styling betreft: de ambassadeurs zijn er in de loop der jaren niet bepaald ouder op geworden. Het huidige model Nicolas Cazale – acteur, regisseur, surfer, kunstenaar – oogt als een broekie terwijl het verhaal achter Homme altijd de nadruk heeft gelegd op de meer volwassen man.
WAT RUIK IK EIGENLIJK?
In het begin de herkenning dat redelijk snel verdwijnt in Homme Eau de Parfum. En daar mogen we blij mee zijn. Want de eau de toilette doet nu een beetje ‘has been’ aan. Zeegeuren zijn te bekend geworden: op een gegeven moment rook je ‘ze’ zelfs in Hema-aftershaves op de achtergrond.
Wat ik – helaas – niet meer ruik: de markante opening met venkel die Homme zo’n aangenaam anders fris-groene impressie gaf. Die is nu overschaduwd, overwoekerd door munt besprenkeld met kardemon – die drijven op het water voor ze als in een vortex naar beneden naar de bodem van de zee worden getrokken. Daar verankerd in het zand, laat het hout zich gelden. De combinatie van cederhout en vetiver transformeren het zeewater tot een ‘houtwater’, tot ‘puur’ hout. Met name als vetiver het stokje overneemt. Die is rokerig, ‘verbrand’, maakt van de compositie een ruig geheel zonder door te slaan – Homme Eau de Parfum blijft tenslotte een masstige-geur.
Maar het geeft wel wat heel veel mannen onder een stoere geur verstaan, zonder het te linken de parfumclichés verleiding en sensualiteit. En over bodem gesproken: het lijkt ook alsof je zand ruikt, warm zand – het gevoel alsof je aan het strand ligt. Waar gelukkig geen sprake van is: zout. Ook has been. Het ‘kleine beetje’ water dat je ruikt in Homme Eau de Parfum doet niet zilt aan maar zoet.
Heel belangrijk nieuws: de redacties van diverse nieuwsrubrieken zijn gisteren naar verre streken in het noorden van de Lage Landen afgereisd om kond te doen dat koning winter nu echt, maar dan ook echt is gearriveerd. Alsof hij een slapende vulkaan is die een keer per eeuw spuwt. Tjonge, tjonge: zonde van de energie. Voordeel: de verhalen over de daadwerkelijke climate change zijn nu even gaan liggen, als tijdelijke stilte voor de storm. En toch: merkwaardige visioenen kruipen door mijn hoofd.
Hoe lang zal het nog duren voor de oranjebloesem en het meer edele familielid van ‘onze’ boerenjasmijn – Jasminum grandiflorum – hun gelukzalige makende aroma’s ‘bij ons in de Jordaan’ echt gaan verspreiden. Is de ylang-ylang ook te porren een emigratie te overwegen? En – please, please – de tuberoos as well? Want reken er maar op: bij het warmer worden komen er nòg twee vluchtelingenstromen op gang; die van de nu nog exotische fauna en de flora. Kun je, als het even meezit, de ingrediënten van Notte à Taif in je eigen achtertuin kweken zonder bescherming van een oranjerie.
Maar wat een getut weer uitgesproken door Laura Tonatto! Als je je klanten alleen maar met (ook nog eens niet) originele sprookjes lastig valt, geuit in Jip en Janneke-taal, dan neem je die intellectueel niet serieus en je eigen olfactieve vaardigheden ook niet – waar het toch om zou moeten gaan.
Alsof je in de ketenparfumerie de ‘romantische’ boodschap van een Dolce & Gabbana-geur krijgt uitgelegd: ‘Everything changes. An ancient world made of olfactive traditions apparently far away from ours, with its time and flavours’.
Hier zeg je alles en niets mee. Vervang olfactive met wat dan ook en die vlieger gaat ook op. En dan: ‘Everything is transformed when wearing Notte a Taif’. Dus niet. Moet je ook niet willen. Als neus, als draagster. ‘The notes of this bouquet, made of honey rose, change into suggestion when diffused on the skin, creating a feminine nocturne, in the garden of desire’. Een roos die een suggestie wordt? Come again? De nocturne; moet dan maar. Maar hellup: de tuin der lusten? Moet dat nu weer? Waarom?
Al deze clichés sturen je in de verkeerde richting: op het verleidingspad van het parfum. Ook Tonatto wekt de suggestie dat als je hier over wandelt, je als vrouw transformeert tot een ‘object of desire’. Niet tot een persoon met hersens op zoek naar een voor haar aangename geur. Dit geurgeleut zal voorlopig nog wel aanhouden. Maar ik moest het effe kwijt.
Nog even de naam – zou Laura Tonatto er ooit geweest zijn? En wanneer? Of alleen in haar dromen. Reality check Laura! Want sinds afgelopen weekend zou ik als vrouw, als man, als koppel er niet echt naar verlangen – als je het al van plan was. De stad waarnaar de tuin der lusten-geur verwijst ligt in Saoedi-Arabië ‘even’ ten oosten van Mekka.
WAT RUIK IK EIGENLIJK?
Dit is een van die geuren waarvan ik denk: ‘zouden meer in de ketenparfumerie verkocht moeten worden’. Want met Notte à Taif ervaar je op toegankelijke wijze de verfijning van geuren. En: hoe overrompelend die kunnen zijn zonder in het extreme te vervallen.
Dat zal voorlopig niet gebeuren. Waarom? Omdat de tuberoos zo overvloedig in Notte à Taif bloeit. En dat wil de gemiddelde ketenparfumeriekoopster niet: alle recent tuberoos-geïnspireerde geuren werden na een enthousiaste onthaal al snel stiefdochters en muurbloempjes.
Alles draait in Notte à Taif om de ‘heilige drie eenheid’ van roos, jasmijn en tuberoos (foto). De eerste zorgt voor een bloemige zoetheid, de tweede voor een dito luchtigheid die ‘voorkomt’ dat de tuberoos full blown haar botergeile boodschap kan verspreiden. Ik schrijf bewust botergeil omdat deze tuberoos erg romig is, met een kokos-ondertoon, maar zonder zonnebrandcrème-associatie. Bergamot en oranjebloesem in de opening vormen samen een kortstondige regenboog over de bloemen waarvan de roos tijdens het geurverloop af en toe bloemig-zoet over de tuberoos heen springt. De amber en vanille in de basis doen ook hun werk: braaf en beschaafd balancerend tussen sensueel en warm. Notte à Taif: elegant en easy, een vol-bloemige geur voor koude contreien die in tropische gebieden zijn erotische charme nog natuurlijker, dus intenser, zal verspreiden.
Wordt beweerd en ik vind het een humoristische verklaring: het gourmandgeurconcept is ooit bedacht door graatmagere Parijse pr-meisjes in de cosmeticabranche met – hier volgt een lifestylecliché – een ‘craving for chocolate’ en andere – nog een – ‘guilty pleasures’.
Deze petites Parisiennes zien de patisserie niet als een – de laatste – ‘candy store’. Wel als verboden terrein. Want één ding moet ze blijven: graatmager. Staat beter voor de beautybranche. Het is daar nog steeds wachten op de eerste generatie ‘pondjes meer’-modellen als blijvende factor, niet als fotogenieke eendags-hashtag zoals tot nu het geval.
Blijft vreemd: de mens wordt steeds ‘obeser’, de beautybranche groeit in deze niet mee. Of zou het zo zijn dat ‘gezellige dikkerds’ bij aankoop in de parfumerie niet willen geïnspireerd willen worden door vrouwen en ‘sisters’ – lotgevallen met een gezamenlijk lijden van de vrouwelijke soort noemen zich vaak zo – die evenveel gewicht in de schaal leggen. Ik bedoel Julia Roberts in XF-formaat die La vie est grasse promoot, gaat dat werken? Ik ga Adele – ‘Hello’ – even bellen…
Maar net zoals deze pr-meisjes ‘kennen we allemaal dit gevoel’: als je niet toegeeft aan je verlangens raak je frusti en uitgeblusti en ga je op zoek naar ersatz. Geen taart en bonbons? Dan blijkt koning Alcohol vaak een vast vriendje te worden waarmee je maar niet kunt breken. Voor je het weet verblijf je in een Betty Ford Clinic, moet je je inschrijven voor een AA-meeting. En dan heb je als parfumpromotrice ech-nie helemaal geen zin meer om geuren te promoten die overlopen van de alcohol, zoals Laura Tonatto’s Plaisir. Heeft dan hetzelfde effect als het opsnuiven van de geur van alcohol na een kater. De beste remedie volgens sommigen: counter attacken met een nieuw glas alcohol. Zou het…
WAT RUIK IK EIGENLIJK?
Maar vrouwen die zoeken naar een gecombineerde gourmand- en een alcoholgeur zonder aan gewichtsverlies- of toename te denken, beleven veel plezier aan deze geur. Alhoewel de overeenkomsten met Thierry Muglers Angel (1992) en alle zijn variaties daarop, wel erg groot zijn. En wat een beetje ontbreekt, tenminste als je vindt dat ook een gourmandgeur – ik vind niet het geboortejaar van Plaisir – met zijn tijd moet meegaan, is de smeuïge toets. Gourmandgeuren van nu zijn voller en romiger in de basis: een combi van rijke harsen, ‘volle’ musksoorten en lactone-elementen.
Voor ‘de rest’ is het er allemaal. Plaisir is een gestolde vanille-karamelreep gevuld met partjes gekonfijte sinaasappel- en grapefruitschil en snufjes specerijen: kaneel, nootmuskaat en kruidnagel voorzien van een scheut alcohol die zweeft tussen cognac en Amaretto. De geur is er in een keer: de basis van amber- en musksoorten, en wat ‘vage’ houtnoten proef je eigenlijk ook direct. De ‘rozentinctuur’ gaat er bij mij niet echt in, is meer een vermoeden van. En als je dit weet en dan dus ruikt, of denkt te ruiken; tant mieux, des te beter. Niet vaag is die andere houtnoot: patchoeli. Die ‘bevestigt’ weer eens dat de eerst gefermenteerde, daarna gedroogde en uiteindelijk tot essentiële olie verwerkte bladeren van de patchoeli-struik een cacao-nuance hebben.
Lekker, plezier, vol genot is Plaisir. Maar al vaker van gesnoept ‘zullen we dan maar zeggen’.