Dat is toch vreemd, of eerder gezegd bizar: www je voor de geur Calypso dan verschijnt als eerste de site waarvan het verhaal gaat dat ze alleen maar neppers leveren: www.notino.com. Ik heb het er al een keer over gehad in parfumpraatje met www.parfumaria.com. Ook de tweede die verschijnt ‘belooft’ niet veel goeds: www.hbb24.nl. Nooit van gehoord. Pas op de achtste plaats komt www.robertpiguetparfums.
En die weet iets te vermelden wat ik nog niet wist terwijl ik toch enigszins op de hoogte ben van de Griekse en Romeinse goden. Calypso was een nimf (dochter van de Titan Atlas) die resideerde op het mythische eiland Ogygia waar ze Odysseus jarenlang vasthield tijdens zijn omzwervingen na de val van Troje. Niet voor eeuwig, want oppergod Zeus bevool haar hem vrij te laten. Dat doe je dan netjes, wil je zelf niet door de toorn van hem getroffen worden.
En ik maar in mijn onmetelijke wijsheid denken dat calypso in eerste instantie gewoon een lekkere dans was, gelijk een samba en/of rimba. De ‘erfgenamen’ van couturier Robert Piguet, speelden met deze tweeërlei betekenissen in de oorspronkelijke promotiecampagne. Zoals blijkt uit een Spaanse advertentie: ‘Het is geen dans, het is geen mythologische nymf, het is het nieuwe parfum van Robert Piguet’. Kijk, dat noem ik smart en humoristisch, iets waar het de laatste tijd nogal aan ontbreekt in de constant zichzelf feliciterende wereld van niche.
WAT CALYPSO IK EIGENLIJK?
In ieder geval: helaas heb ik de oerversie nooit geroken (doe ik als het me lukt om weer een afspraak te maken in de Osmothèque van Versailles), maar die klinkt op papier interessanter en meer resoluut dan de nieuwe: galbanum en citrusnoten die via een door anjer gestuurd bloemboeket naar een basis afglijdt die wordt gekenmerkt door een über-injectie van dierlijke noten: civet, ambergris en suède.
De nieuwe versie doet volgens mij geen enkele poging om het origineel te benaderen. Wat je krijgt is een voorwaar zeer aangename ambergeur die alleen netjes het nichetraject van nu volgt: enigszins present-opulent – je krijgt een smeuïg, beetje naar ‘benzoïne-gourmand’ neigend parfum dat er gewoon is, zo een waarvan je zegt om iemand te complimenteren met ‘wat ruik je lekker zeg!’ En dan maar hopen dat die geste gewaardeerd wordt. Van Calypso val je niet van je stoel. Nu hoeft dat ook niet, maar gezien de vintage-status van Robert Piguet dan toch weer wel. Zeker in het geval van een herlancering.
En eerlijk gezegd, ik word een beetje amber-gourmand-moe. Hoewel in 2010 gelanceerd, waren er volgens mij toen ook al tig geuren die roos combineren met iris en patchoeli, en eindigen met een velvety touch. Wat Calypso wellicht onderscheidt is de nadruk op suède. Wat ik vooral jammer vind is de niet-opening, terwijl dat nu juist kenmerkend is voor vintage Piguet. Ik bedoel: tegen de green-greener-greenest opening van Bandit (1945) zeg ik nog steeds ‘u’.
En wat www.robertpiguetparfums verder vermeldt, deel ik niet: ‘A composition of exotic character and emotion’. Wat is exotisch aan iets wat al common knowlegde is in de parfumerie: amber/oriëntaalse geuren? De geur wordt uitgeleide gedaan met ‘lively, distinct, and unique, Calypso lingers in the memory like a haunting siren’s call’. Lively: niet echt, de compositie sprankelt in geen enkel opzicht – één en al comfortabele kasjmier-warmte. Unique: hebben we het niet over. Siren’s call: ik snap de link met de mythologie, maar zo gevaarlijk, ‘ruiken op eigen risico’ is Calypso niet. Was het maar waar.
Ik las op www.basenotes.com een anlyse van ‘gimmegreen’ die perfect met mijn bevindingen overeenkomt: ‘Een ‘oud geld’-begin – discreet, gereserveerd. Men denkt: een bloemige delicatesse met lippenstiftondertonen van iris en de zachte streling van suède. Helaas, na korte tijd, blijft er een zo-zo huid-knuffelend zoetig suède achter – en mijn neus moet zich inspannen om dat zelfs te vangen’.
Wat fijn dat er nog neuzen zoals Maria Candida zijn. Een vrouw met een mooi klein bescheiden huis die gewoon prachtige parfums maakt. Ook zo’n neus waarvan je je afvraagt waarom de grote spelers in de markt haar niet eens vragen voor een compositie. Dat levert volgens mij een eigenzinnig, ‘draagbaar’ en ‘trendy’ resultaat op.
Alleen, ze is ook te koop op plekken waar ik het in eerste instantie niet verwacht. Ik was een beetje aan het googelen voor wa extra leuke weetjes omtrent haar; kom ik zo maar of all places op www.parfumoutlet.nl terecht. Hoe komt zíj daar terecht?
Die weet in ieder geval over haar te vermelden dat ‘de fascinatie voor parfums al sinds de kinderjaren bij haar aanwezig was. Toen zij als een klein meisje in de rozentuin van haar familie speelde, zocht zij altijd naar rozenblaadjes waarvan ze eigen rozenwater maakte, die verwerkte ze in flacons en gaf ze cadeau aan familie en andere bekenden’. Ach gossie.
Vervolgens: ‘En toen Maria moeder was geworden werd het haar duidelijk dat haar ze passie wilde ontwikkelen. Ze besloot ‘Crafting in Grasse’ te leren en werd gecoacht door Carol André – die bracht haar de beheersing van het vak bij en zo werd Candida een waardevol parfumeur. En sinds 2009 lanceerde zij haar eerste parfum’. André is een goede leermeester geweest.
WAT GENTILE IK EIGENLIJK?
Dat blijkt ook uit Gentile, omschreven als ‘understated elegantie gecombineerd met klassieke geurcomponenten, maar verre van saai’. Laatste gaat zeker op omdat ze een mooi spel speelt met vetiver. Ze zegt hierover: ‘Vetiver met zijn typische grassigheid en eigenaardige lichte zoutheid, samen met basilicum en osmanthus roepen het een gewaagde mannelijkheid op. Zachte aroma’s harmoniëren met een delicate pittige scherpte voor een ideale geur voor dagelijks gebruik die de nadruk legt op een zachte mannelijkheid’.
En echt waar, wat zijn de ingrediënten mooi puur in Gentile. Ik haal de basilicum er in eerste instantie niet direct uit omdat – bij mij althans – de sensuele sierlijkheid van osmanthus – beetje rum, beetje fruity in dit geval – direct opvalt. Vervolgens neem ik de rozig-groene geranium waar, die vervolgens mooi fuseren om samen te komen in een wel erg goede kwaliteit vetiver. Alle eigenschappen die het heeft verspreidt ‘hij’ – ‘wortel’, aards, groen, stro, mineraal. En door de originele combi met osmanthus wordt de vetiver zachter en zalvend en daardoor niet ‘typisch mannelijk’.
In vergelijk met Gentile worden de klassieke vetivers – Guerlain, Le Galion, Etro, Tom Ford, Givenchy en ga zo maar door – wel erg eentonig en ‘vintage’. Mijn levenspartner bevestigde het – een diehard vetiverfanatic. Net met een flacon van Lalique’s Encre Noire begonnen, die van Givenchy had hij tot mijn verbazing in no time tot de laatste druppel gebruikt, moest even gaan zitten bij het ruiken van Gentile. Impressed heet zoiets. Staat nu mooi te wezen op zijn badkamerplankje.
Tja, jaren, maar dan ook jaren geleden vond ik het leuk om een merk erop te ‘betrappen’ dat de naam van hun nieuwste geur al eerder was gebruikt. Nu denk ik: ‘Laat maar’, en ben ik in een iets mildere bui, dan: ‘De nieuwe geurmarketeers ontbreekt het aan historisch besef’. Maar dat neemt niet weg dat ik nog steeds spontaan begin te briesen bij het horen van Joy (2018) van Dior – hup de gevangenis is, stelletje no-knowers, stelletje chique marketing parfumpooiers met als extra taakstraf: de benodigde jasmijn- en rozenblaadjes voor het recept van de echte Joy (van Patou) met de hand plukken. Stuk voor stuk. Zal ze leren…
Anyway, over reeds eerder gebruikte namen gesproken, bij deze Nuda (die als cadeautje tussen mijn bestelling bij www.parfumaria.com zat, waarvoor mijn dank, mijn grote dank, ik ben niet waardig enzovoort, enzovoort) verscheen voor mijn ogen die van Emanuel Ungaro. Effe checke: nee, dus. De geur heette Desnuda (uit 2001). Ik kan me daarvan herinneren dat deze geur een soort van niche-toets had door het feit dat bij de edp-versie een kwastje aan de flacon bevestigd zat waarmee je de jus over de ontklede huid kon strijken. Was een enorme flopperdeflop.
Anyway, Nuda als geur heb ik al eerder besproken, en wel die van Nassamoto uit 2010. Toeval of niet, uit hetzelfde jaar stamt ook die van Il Profvmo. Als je weet welke neus achter dit label schuilgaat dan weet je zeker dat Nuda zeer vrouwelijk wordt geïnterpreteerd. Ga maar na, een: ‘Afrodisiacum die stimuleert om van intimiteit te genieten die leidt tot extase en passie’. Tuurlijk. Iets dieper snuffelend op www voor deze geur, kom ik bij Olfactoria’s Travels (die ik een tijdje heb gevolgd) terecht. Wat blijkt? De vrouw achter deze site, heeft de stekker eruit getrokken – al sinds 29 oktober 2015. Vanwege a: een internettrol die haar stalkte, b: een ziekte en c: gewoon geen inspiratie meer, time to move on. Who’s next? Me? Katie Puckrick heeft haar neus ook al aan de wilgen gehangen.
Silvana Casoli vermeldt ook nog dat ‘de inspiratie komt van de geur die alleen de huid van de vrouw kan uitademen in zijn staat van extase. Nuda wordt gedragen als een tweede huid (op de foto door Jennifer Lopez en dat op 49jarige leeftijd, tjonge, tjonge, hoe doet ze het toch)… Nuda werkt als de sleutel tot verleiding en persoonlijkheid. Zijn afrodiserende kracht komt van kruidenferomonen met een vluchtige structuur’.
WAT NUDA IK EIGENLIJK?
Lang geleden dat ik een geur heb geroken die zo vreemd en ‘onverklaarbaar’ op gang komt. Kan natuurlijk aan moi-même liggen, maar toch. Eerste indruk: deze geur heeft zijn uiterlijke verkoopdatum overschreden – niet meer goed. Tweede ‘gevoelsgolf’: haarlak van moeder – minispritsjes van aldehyden. En dan: iets met bloemen, iets met kruiden gelardeerd met veel zoetigheden, iets hout-poederachtig. En dan uiteindelijk: ‘Koffie, koffie, lekker bakkie koffie, jongens wie wil er een kop?’ Ik had er niet meer naast kunnen zitten. En dan moet je weten dat ik Nuda al twee weken lang achterelkaar op mijn rechterpols spray…
Dit zit er allemaal in: rode bes, braam, druif, gember, honing, iris, wijngaardperzik, opium, musk, eikenmos en pistache. Met deze wetenschap nog een keer opgespoten. Het rode fruit haal ik er echt niet echt uit. Ik bedoel: dat moet je direct in de opening ruiken. Ik herken rode bes in combinatie braam direct – wie niet inmiddels? Wel vanaf het begin de gember die met een beetje fantasie ondergedompeld is honing. Dat poederige? Is dat iris?
En dan, en dan? Heel veel musk die zich alleen heel horizontaal, heel plat manifesteert. En die wordt voor mij niet echt bosachtig (eikenmos). De druif (die in het echt niet echt ruikt) en zijn buur wijngaardperzik – die zouden toch voor een zoetige transparantie moeten zorgen. Niet op mijn huid. Om maar te zwijgen van de pistache. Ik bedoel, dit ‘nouvel gourmand’-ingrediënt moet je toch ruiken, is toch een echte aandachtstrekker. Die werd opgevoerd in Guerlains La Petite Robe Noire Eau Fraîche (2015) en die rook je dus ook.
Nuda is voor mij onbestemd, onduidelijk, in ieder geval geen second skin-ervaring, en zeker geen erotische erupties veroorzakend elixer (om in lijn met Silvana Casoli te blijven). Tenslotte, ik zie op de homesite van Il Profvmo dat Nuda niet meer wordt aangeboden. Ben ik niet de enige die het niet begrepen heeft? En nu heb ik net Blanche Jacinthe van haar besteld omdat ik weer eens zin heb om van een pure hyacintgeur te genieten. Afwachten.
EEN JAARTAL, EEN PRIJS (DIE BIJNA IEDEREEN IN DE BUSISNESS KRIJGT)
HAUTE COUTURE, PRÊT-À-PORTER OF ‘CRUISE’ WITTE MUSK?
Jaar van lancering: 2018/2019
Laatst aangepast: 16/03/19
Je moet een kluizenaar wezen, wil het je zijn ontgaan: Karl is niet meer. Achternaam: Lagerfeld. En die deed er eigenlijk ook niet meer toe. Want hij was onderdeel van het selecte gezelschap mensen waarvan de voornaam voldoet om te zeggen wie je bedoelt. Je hebt natuurlijk meerdere Karls, maar is er maar slechts één… bladibla, bladibla en ga zo maar door. En vond de pers dat Karl toch nog wat lauwerkranstoevoegingen toekwamen, dan kon die nog altijd voor koning, kaiser of Karl Chanel opteren. Terecht bewierookt, alleen op sommige punten kon je toch vragen stellen bij deze voor een groot gedeelte toch zelfbenoemd multi-talent-tasker.
Zoals: waarom maakte hij ook zoveel lelijks voor Chanel met name de laatste jaren? Dat vonden heel veel hoofdredacteuren ook maar schreven dat niet op want… Zoals: hij was geen fotograaf. Hij ‘stijlde’ voor camera ‘voor de vorm’ wat met haren en accessoires, zei wat wisecracks tegen model, fotograaf en de rest van de crew die vervolgens het betoverende plaatje afleverden. Zoals: waarom is het hem niet gelukt om na zijn eerste licentiehouder Unilever nooit meer echt succesvolle parfums af te leveren? Zoveel talent en er dan niet in slagen de juiste mensen om je heen te verzamelen om een overtuigend product af te leveren.
Nu nog het bruggetje, geitenpaadje naar Chanel. Even nadenken. Nou deze: waarom is Chanel nooit zijn geuren gaan maken? Het huis deed het ook in het verleden voor Emanuel Ungaro. Het mogelijke antwoord: te druk met eigen productie. Zoals recent een intense versie van Coco Mademoiselle (Intense 2018), een ‘parfumextract’ van Blue de Chanel, Les Eaux (beide 2018), een nieuwe variatie op Chance Eau Tendre (eau de parfum-versie 2019) en 1957.
Ik las over 1957 heen, want ik dacht dat ik 1954 zag, het jaar waarin Coco Chanel de schaar na 15 jaar weer oppakte. Als dank daarvoor werd haar comebackdefilé neergesabeld in Frankrijk vanwege haar, to put it mildly, niet zo vaderlandslievende stellingname tijdens de oorlog. Laatste word in een nieuwe documentaire van Jean Lauritano – Les guerres de Coco Chanel – pijnlijker dan voorheen duidelijk gemaakt. Met prachtige, voor mij voorheen onbekende beelden en ontluisterende en grappige feiten.
Zoals het ‘bewijs’ dat ze met haar eigen geuren (zie foto helemaal onder) zou komen wanneer de Wertheimers (producenten en huidige eigenaars van het huis Chanel) geen betere licentiepercentages wouden garanderen. Zoals dat Amerikaanse soldaten na de bevrijding van Parijs in 1944 bij haar aan de rue Cambon niet in de rij stonden om parfums te kopen maar gratis drie flacons mochten meenemen voor hun vriendinnen/vrouwen/amants.
Wroeging of calculatie om de goede naam die Chanel in Amerika nog steeds had hiermee subtiel te ‘influencen’? In ieder geval onthaalde Amerika de collectie als eigentijds en modern-minimalistisch (en dus praktisch) én een welkom antwoord op de volgens Coco Chanel en vele Amerikaanse vrouwen terug-in-de-tijd New Look-korsetcreaties van Christian Dior.
Grappig detail: Amerikaanse vrouwen gingen zelfs de straat op om hiertegen te protesteren, al was het ‘alleen maar’ vanwege de enorme hoeveelheid stof nodig om zelf zo’n creatie te maken. Hoogtepunt in deze: de actie van de Little-Below-the-Knee Club in Chicago.
Hier valt dus 1957 op zijn plaats. In dat jaar neemt Chanel in Dallas de Neiman Marcus Fashion Award in ontvangst (hij begroet Chanel op bovenstaande foto). Ander grappig detail: tijdens een barbecue waarvoor ze was uitgenodigd als onderdeel van deze feestelijkheden liet ze de haar enorme opgediende steak stiekem onder de tafel verdwijnen – vreselijk zo’n lap volgens haar.
De laatste twee cijfers refereren ook aan de straat waar de eerste Chanelboutique in New York werd geopend: 57th Street. Die werd verbouwd, vertimmerd en vorig jaar heropend (eerste foto). En naar aanleiding daarvan werd 1957 ter plekke onthuld.
Nóg een grappig detail dat Chanel vanzelfsprekend niet vermeld: drie jaar eerder werd de prijs uitgereikt aan de grootste (vooroorlogse) concurrent van Chanel: Elsa Schiaparelli. Het huis van de l’Italienne (zoals Chanel haar noemde) is recent weer heropend (herlanceringen van haar frivole chic-parfums are on their way). En eveneens aan de nu helemaal onterecht vergeten (gezien haar staat van dienst ook op parfumgebied) Lily Daché. Netflix-seriewaardig wat mij betreft, Schiaparelli ook, of als het niet anders kan: Wars of Couture – the rivalry between ‘Schiap’ and ‘Coco’.
We gaan nog door: in 1956 werd de Neiman Marcus Fashion Award (amongst others) uitgereikt aan ‘schoonheidskoningin’ Elizabeth Arden, Clare Plotter (Amerikaans designer) en Carmel Snow (hoofdredacteur van Harper’s Bazaar die de eerste collectie van Dior zijn ‘historische duiding’ heeft gegeven met de opmerking ‘It’s such a new look!’). Dit plaatst Coco’s onderscheiding in een ander perspectief.
Anyway, als Chanels marketingafdeling op deze manier ‘jaren’ in het leven van Coco Chanel gaat gebruiken voor de Les Exclusifs-geuren dan kunnen ze nog even. Ik pik er twee lukraak uit. 1915, blijkt het jaar waarin Chanel haar eerste boetiek in Biarritz opende. 1961 – voor Delphine Seyrig ontwierp Chanel de (echt, echt, echt, prachtige) haute couture voor haar rol in de zwartwit gedraaide l’Année dernière à Marienbad (regisseur Alain Resnais). Voor de fans: deze met de Gouden Leeuw van het Festival van Venetië onderscheiden film is met behulp Chanel vorig jaar gerestaureerd.
WAT 1957 IK EIGENLIJK?
In het persbericht valt te lezen naar aanleiding van de Fashion Neiman Marcus Award: ‘Het talent van Coco Chanel wordt over de hele wereld geprezen. Haar creaties zijn het resultaat van durf om zich meester te maken van zorgvuldig gekozen zeldzame texturen en deze opnieuw uit te vinden en naar een hoger niveau te tillen’.
Ik geloof dat in dit geval toen (in de jaren vijftig) nog niet werd gesproken van texturen in relatie tot mode, maar het is een handig ‘geitenpaadje’ naar de compositie van 1957. Want dat geeft aldus hetzelfde persbericht ‘dit beeld perfect weer; een sensueel en subtiel bewerkt met een akkoord van witte musk’.
Ik moet lachen om ‘zorgvuldig gekozen zeldzame texturen’. Want: onzorgvuldig en veel voorkomende texturen (lees ingrediënten) kunnen óók leiden tot een ‘sensueel akkoord van witte musk, doorregen met bloemige, houtachtige, honingachtige en poederige noten’.
Waarschuwing vooraf: ik ben geen groot liefhebber van witte musk. Het is naast clean (de meest geprezen attributie) ook scherp, bleek, hard en koud. Je moet als neus veel doen om het (voor mij) elegant en ‘volwaardig’ te maken.
Goede geslaagde voorbeelden voor mij: Musc (1970) van Reminiscence en Musc (2010) Mona di Orio. Waarom? Beide zijn vloeiend, zacht en geven een cocon, security blanket-gevoel. Ik zie waarschijnlijk andere over het hoofd – legitiem gezien mijn (voor)oordeel.
Olivier Polge, de neus, laat voor mij musk tussen clean en cocon zweven. Elegant in drie stappen, want vooropgesteld dat is 1957. Eerst musk gehuld een groenig, licht pittige waas (roze peper en koriander). Dan neroli die de musk laat zon-schitteren met een bloemig accent, dan iris die de musk laat ‘verpoederen’, dan in de basis musk ingekaspeld in zoetige, honingachtige noten.
Maar toch het blijft witte musk – ik althans blijf een harde, ‘onaardse’ (lees synthetische) noot ruiken. Is dat erg? Helemaal niet – ik ben niet de gemiddelde consument. Maar millions, billions and zillions houden inmiddels van deze cleane, frisgewassen kijk op parfum. In zoveel geuren kom je in no time in een witte musk-basis terecht (met de nieuwe eau de parfum-versie van Chance Eau Tendre zit je wat dat betreft ook goed).
1957 is de meest toegankelijke dus meest commerciële editie in Les Exclusifs. En dat is mijn probleem: 1957 is geen niche, geen masstige, maar prestige. Geen haute couture, geen prêt-à-porter maar ‘cruise’ (benaming voor ‘tussendoorcollecties’ met een zomers karakter) witte musk. Een niet-verrassend thema dat je al zo lang ruikt in de ketenparfumerie (neem alleen de zich steady uitbreidende Musc-variaties van Narciso Rodriguez) en ver daarbuiten.
1957 zal dus heel succesvol worden. Of niet, zijn er ‘ook nog’ mensen die olfactorisch meer van Chanel verwachten, dat het de weg wijst. Een niche-musk anno nu is ook dirty, speelt, verwondert, heeft meer lagen, en laat de klant twijfelen en uiteindelijk overtuigen dat wat zij/hij eigenlijk ‘stiekem’ vies vindt, eigenlijk best wel lekker is.
Is de Replica-lijn niche? Inhoudelijk zeg ik masstige – een samentrekking van mass en niche. Want ook te koop bij de ketenparfumerie. Qua invulling zeer zeker, zij het dat het nu wel voorspelbaar aan het worden is. Maar toch: mag ook wel (nog) een keer worden geschreven: Maison Margiela is een van de eersten die het de in übernichekringen ontstane storytelling – denk Serge Lutens, denk Comme des Garçons- naar een breder, toegankelijker horizon heeft geplaatst.
Ga maar na: de meeste succesvolle geuren van nu – om binnen het L’Oréal Luxesegment te blijven die ook de licentie van Maison Margiela heeft: Flowerbomb, Black Opium, La vie est belle – dragen zo’n beetje dezelfde boodschap uit. Romantiek en vrouwelijkheid verpakt met een inmiddels verplichte empowerde boodschap. Bij de een voel je je bevrijd, bij de ander ga je de uitdaging aan en ga zo maar door. Dat snapt bijna iedereen.
Bij storytelling ligt het iets ‘moeilijker’, wordt iets meer fantasie toegevoegd en dus meer gevraagd van de koper die, dat dan weer wel, juist op zoek is naar iets anders, minder mainstream.
Maison Margiela verwoordde het als volgt in 2012 bij het eerste Replica-trio:‘Beelden en impressies van herinneringen die wij samen delen in ons gemeenschappelijke onderbewustzijn die bij anderen weer nieuwe ervaringen oproepen. Elke Replica-geur vangt een dergelijk olfactief moment die positieve emoties reflecteren’.
Maison Margiela gaat er dus vanuit dat een bezoek aan de bloemenmarkt (Flower Market 2012), een wandeling langs het strand (Beach Walk 2012), een avondje naar de kermis (Funfair Evening 2012), luieren in het weekend (Lazy Sunday Morning 2013), een tuinbezoek (Promenade in the Gardens 2013), een avondje jammen (Jazz Club 2013), naar de kapper (At he Barber’s 2014), theedrinken op niveau (Tea Escape 2014), een ‘boudoir-ritueel’ (Lipstick On 2015), rondom de openhaard (By the Fireplace 2015), een soort van balletvoorstelling aanschouwen (Dancing on the Moon 2016), een off the track roadtrip ervaren (Across Sands 2016), diep in het bos zijn (Soul of the Forest 2016), je gewichtloos voelen (Flying 2016), een zeilscheeptochtje boeken (Sailing Day 2017), high worden op een popfestival (Music Festival 2017) voor iedere gebruiker hetzelfde is of er dezelfde positieve herinnering aan heeft overgehouden.
Ik hou bijvoorbeeld niet van (modern) ballet en muziekfestivals. Ik ken iemand die een hekel heeft aan het strand. Daar ga je al. En negatief gedacht: op deze manier ‘dwing’ je gebruikers dezelfde gevoelens over dezelfde ervaringen te hebben en op dezelfde manier te uiten. Noem het de Instagram-dwangmatigheid van leuk, leuker, leukerst. Iets wat dan weer haaks staat op de filosofie van maison Margiela afgaande op de extreme, bewust not crowd pleasing confectie en bewust tegendraadse haute couture.
Met name bij het laatste vraag je je af: ‘Wie koopt het, behalve musea?’, ‘Hoeveel eindigt er in de versnippaar?’ en ‘Is huidig creative director John Galliano wel of niet van de partydrugs af?’ En: ‘Wat ik zie zou ik ook wel eens vertaald willen ruiken in een Maison Margiela-geur’. Mutiny (2018) doet het voor mij in ieder geval niet. We dwalen af.
WAT UNDER THE LEMON TREES & IK EIGENLIJK?
Feit blijft dat de Replica-serie een slimme manier is om populaire geurconcepten te verpakken op een andere, meer belevende, storytelling manier. Neem Under the Lemon Trees (het verhaal is grappig genoeg heel summier; de naam zegt bijna alles behalve de geografische aanduiding).
Dit is een meer dan klasssieke citrusgeur die qua natuurlijkheid balanceert tussen de extreme frisheid in de opening van sommige Blu Mediterraneo-geuren en de ‘matte’ colognes van Marc Jacobs. Iets langer duurt dit relaxte genot, maar toch ook kortstondig.
En dat is een beetje het probleem en misschien wel de bedoeling. De overgang van fris-groen, groen-fris naar de basis verloopt sneller dan verwacht. Je geniet eigenlijk meer van het ‘warme’ hout dan van de vruchten van de – citaat – ‘zonnige citroenstruiken van Palermo’ die bijna zwichten onder hun gewicht. De injectie van witte musk – voor het katoenschone gevoel – is sterk maar niet hinderlijk aanwezig. Dat komt omdat die wordt gebalanceerd door (niet vermelde) cistus labdanum; zorgt hier voor een mooie, elegante aardse warmte. Hoe dieper je in de geur zit, des te meer andere groene en houtachtige sensaties je waarneemt. Had ik eigenlijk niet verwacht.
WAT REPLICA WHISPERS IN THE LIBRARY IK EIGENLIJK?
Is natuurlijk een ander verhaal. Hiermee ga je als het ware terug in de tijd, toen je voor je boeken naar die bib ging. En die je nog ‘met de hand’ las in plaats van met de iPad. Bijna iedereen weet wat hij ‘geurtechnisch’ bij een met name oude bibliotheek moet voorstellen.
Dit is de storytelling: ‘Gefluister in de bibliotheek roept de herinnering aan een mysterieuze bibliotheek op, gemaakt van antiek houtwerk, perfect geboend. Het vertragen van de tijd tussen boeken en het gefluister van het omslaan van pagina’s. Geïnspireerd door de geur van washout en papier, roept de combinatie van pepertonen met houtachtige en warme tonen van ceder en vanille de atmosfeer op van een voorouderlijke bibliotheek’.
Vele andere merken gingen Maison Margiela in deze voor: het is ‘populair’ thema. Kan niet direct op de namen komen, maar Hugo Boss, Paul Smith, Bottega Veneta ‘biebten’ ook. En Amouage noemt zijn niche-lijn The Library Collection.
Alleen, alleen, ik zie mezelf bij het ruiken van de geur niet in oude bibliotheek rondsnuffelen en -bladeren. Of die moet ergens in Arabië zijn gehuisvest. Dat peperachtige klopt. Blijft door het hele geurtraject present. Lekker. Maar het sterke hout ondergedompeld in vanille roept bij mij andere, warme associaties op – gesmolten amber. Dus een ‘omarmende’ sensualiteit en – als je het cliché wilt gebruiken – verleiding. Hugo Boss-verleiding als je snapt wat ik bedoel.
Dat maak je tegenwoordig niet vaak mee: het op www niet kunnen vinden van de betekenis van een naam. Sofron is in dit geval, wat mij betreft, nog meer misleidend omdat ik ervan uitging ‘dat het wel’ saffraan zou zijn, maar dit in nichekringen vaak toegepaste ingrediënt om een soort van suèdegevoel op te roepen of te versterken, ruik ik niet in deze geur en is in het Italiaans zafferano. Tik je sofron, dan is de eerste die verschijnt István Sofron, een blijkbaar beroemde Hongaarse ijshockeyspeler. En sofron kan ook een familienaam zijn. En dan verschijnt Sofron van Farmacia SS Annunziata. Verder geen info. Nou, dan gaan we ‘er maar’ vanuit dat het in dit geval een fantasienaam is.
WAT SOFRON IK EIGENLIJK?
Is een van die geuren die ik al jaren op de plank heb staan, flink heb gebruikt maar nog niet besproken. De laatste dagen ruik ik’m aan een stuk door en dat komt door mijn onlangs besproken Méchant Loup(1997) van L’Artisan Parfumeur. Zit zo: ik heb bij Sofron het gevoel dat Méchant Loup eigenlijk zo had moeten ruiken omdat ik hierin meer hazelnoot en harsen meen te herkennen.
Geroosterde hazelnoot is natuurlijk een melange van verschillende geurmoleculen (ik denk aan hout, vanille, wierook, mirre) en die ruik ik overtuigender in – inderdaad – Sofron. Maar dat is natuurlijk niet de bedoeling. Maar toch ook hier: een gourmandsensatie terwijl dat misschien ook niet de intentie was en de gebruikte ingrediënten er eveneens niet naar zijn. Of zou het de mix van abrikoos, mirre en sandelhout zijn?
Anyway, de overall impression: warmte, behaaglijk richting met z’n allen rondom de openhaard tijdens de herfst of nu, wanneer het naderende voorjaar de winter aanspoort te vertrekken. Dat gevoel is er niet direct. Eerst een lenteachtig gevoel met appel en perzik in een halo van citrusnoten, vervolgens wordt het geleidelijk aan donkerder door groenige en kruidige noten die al snel in de ‘security blanket’-basis overgaan.
Elegant is de link tussen sandelhout en mirre, beide melkachtig warm ‘gedragen’ door een sterke houtnoot – ceder en patchoeli. En toch dat gourmandgevoel, terwijl de hiervoor benodigde smaakmakers ontbreken. Wonderlijk. Maar tegelijkertijd – lanceringsjaar is mij onbekend – ik weet niet of je de compositie an sich typisch of nog niche kunt noemen, omdat je dergelijke ‘geurgewaarwordingen’ inmiddels ook mainstream kunt ervaren. Ook weer opvallend: Sofron heeft een cleane basis, maar dat zou ook kunnen doordat de sandelhout en patchoeli synthetisch van aard zijn.
Nou vooruit, nog een dingetje: Sofron is voor mij eerder een ambiancegeur dan een voor ‘persoonlijk gebruik’. Ik schrijf nadrukkelijk voor mij, want voor je het weet vormt zich een leger van internettrollen die me shit, hel en verdoemenis toewensen omdat die het toch echt anders ziet.
Ik sprak onlangs aan een gerespecteerd persoon in de cosmeticawereld – hij vroeg mij zijn anonimiteit te garanderen in verband met een mogelijk ophanden zijnde Nederlandse samenwerking in de ‘parfumsfeer’ met Duitsland die ik met hem besprak. Hij vroeg tevens wat er zoal in Nederland gebeurde wat niche betreft. Ik ging het riedeltje af: Mona di Orio, Nasomatto, Hiram Green en Baruti. ‘Hollandse huizen’ met op de een of andere manier een buitenlandse link.
En natuurlijk Francesca Bianchi: Italiaans van oorsprong maar sinds een aantal jaren met haar laboratorium gevestigd in Amsterdam. Ik ontmoette haar een, twee, of is het nu alweer drie jaar geleden, tijdens de introductie van haar geuren bij www.parfumaria.comen een tijdje later heel – kort hoogzwanger – bij www.perfumelounge.nl.
Op de een of andere manier is ze door mijn geheugen geglipt en dat terwijl ik haar geuren stuk voor stuk interessant vindt. Ik heb ze onthouden. Goede, ‘diepe’ geuren, mooi van opbouw maar toch ontspannen. En, ze heeft als je daarvan kunt/mag spreken een vrouwelijke visie op geuren. Daar kun je natuurlijk een boom over opzetten (al een paar maal gedaan) over het verschil tussen de mannelijke en een vrouwelijke blik. Zoals op sensualiteit bijvoorbeeld. Ik vind het steeds meer aanmatigend worden wanneer een mannelijke neus ‘bepaalt’ hoe een vrouw sensueel/sexy/verleidelijk/geil kan ruiken. En dat dacht ik al toen van #metoo nog geen sprake was!
In ieder geval, toen ik de namen van haar eerste drie geuren hoorde – Angel’s Dust, The Dark Side, Sex and the Sea; ik loop inmiddels twee achter – werd ik het meest door de laatste aangetrokken. Vreemd, hoe komt het toch dat ik dacht dat de geur Sex on the Beach heette? Komt dat door dat gelijknamige hitje van T-spoon long way back in 1997? Onbewust verlangen?
WAT SEX AND THE SEAIK EIGENLIJK?
Mijn vriend, die mij iets wou uitleggen (net een nieuwe desktop) en dus over mijn nek was gebogen, vroeg ‘wat ruik ik?’ Ik reik mijn pols naar hem uit en hij antwoordt met ‘iets medicinaals’. ‘Zal Bianchi niet blij mee zijn’, grapte ik, en het geeft maar weer eens aan hoe totaal verschillend iedereen geur ervaart. Ik denk dat hij het verwarde met kokosnoot dat hij altijd chemisch vindt ruiken in zonproducten en dat dus weer linkt aan de zee, zilte noot. Anyway, ik ben wel gecharmeerd.
En vooral door de combi van mimosa en ananas in de aanzet. Dat geeft direct een eigenaardige (in de goede zin van het woord) zomers gevoel: de gele warmte van de bloesems vermengd met de gele zoetheid van ananas waarachter een exotisch strandgevoel zit, opgeroepen met kokos die gourmand wordt gemaakt door strobloem, en door de bloemen in het hart heen -roos en iris die ik eerlijk gezegd niet echt goed weet te detecteren, meer een fijn bloemengevoel -samensmelten in de amberbasis die eerst een ‘algemene’ indruk maakt. Om daarna als een soort van spectrum verschillende andere nuances prijs te geven die de amber voller en rijker maakt. De hoofdrolspelers: sandelhout, mirre, labdanum, benzoïne, ambergris, civet en vanille. Niet stuk voor stuk echt te onderscheiden, maar eerder een som der delen. Warm, coconachtig, intiem, erotisch.
Wat maakt Sex and the Sea niche? Ik zeg: in vergelijk met Estée Lauder tig-varaties op Bronze Goddess (de 2019-versie is net uit), vaak gezien als een soort standaard voor amber-gestuurde ‘strandparfums’, ruikt Sex and the Sea minder cliché, minder aqua, minder (in dit geval geen) tiaré, minder vanille. In plaats daarvan: een geur die meer op een subtiele manier, ook een onderliggende erotische toets heeft. Voor mijn gevoel opgeroepen met mirre, labdanum en civet. En hierdoor een ambigu-parfum in plaats van typisch vrouwelijk. Toch denk ik dat mannen deze geur niet zo snel voor zichzelf zullen kopen. Waarvan de stemmingsfoto getuigd.
Er zijn van die geuren waarvan ik denk dat ik ze heb, dat ik ze in gedachten kan ruiken alleen al bij het uitspreken, zien of horen omdat de naam zo vertrouwd klinkt. Zoals Méchant Loup (spreek uit mee.sjean lou) van L’Artisan Parfumeur. Die naam hè, hoe verzin je het. Méchant Loup betekent Boze Wolf- ja inderdaad, die van de sprookjes. De bekendste bruutste vertegenwoordiger in deze: die uit Roodkapje van de gebroeders Grimm.
Het hele idee van de geur ademt niche. Let wel in een periode dat deze verkoopmodule als zodanig nog uitgevonden moest worden. Je moe(s)t over veel fantasie beschikken om je enige voorstelling van de inhoud te maken. Ook leuk, wel of niet bewust bedoeld: L’Artisan Parfumeur interpreteert – goddank – een ‘sprookjesgeur’ een keer anders, tegen het cliché in. Geen door een toverbos verdwaald te duurbetaald model terwijl bloesems ronddwarrelen en vlinders rondjongleren.
Maar hoe interpreteer je de grote wolf? Als gevaarlijk wezen, als dierlijke geur? Als een verleider pur sang die het gemunt heeft op onschuldig-onnozele kleine meisjes die op visite gaan bij hun zieke grootomaatjes? Als een ‘omgevingsgeur’ – dus de habitat waar de wolf ‘over het algemeen’ verblijft? Dus een platte-landelijke omgeving, veel weilanden (met schapen) en bossen waar de natuur nog meester is, niet gestuurd door menselijk ingrijpen.
In ieder geval… ik zag Méchant Loup bij www.parfumaria.com voorbijkomen in het ‘aanbiedingenhoekje’. Reden voor de geile korting: de zoveelste restyling/upgrading van het merk. Dus in plaats van zo rond de € 115,00 (100 ml) € 52,00 neergeteld. Kom ik er potjandorie achter dat-ie bij www.parfumcenter.nl vier euri’s cheaper is – #hoevindjedie? Bij L’Artisan Parfumeur betaal je nu na de restyling £105.00. Omgerekend ongeveer € 120,00. Ik bedoel maar. Restyling prima. Maar moet je daar als klant financieel bij betrokken worden?
WAT MÉCHANT LOUP IK EIGENLIJK?
Ik lees op de site van de producent: ‘Méchant Loup is een slim spel van verwachtingen, een abstracte reis door een bosrijk bos. De Boze Wolf verleidt met een bitterzoet akkoord van hars, geroosterde hazelnoot, bonbon en zoethout. Terwijl Roodkapje wegloopt van de Boze Wolf, stapt ze op twijgen en gedroogde herfstbladeren; de lucht is rijk aan de geur van droge aardachtige tonen, vochtige houtsoorten en sap dat op bast droogt’. Aha! Het is dus een geur die – jonge – meisjes wil verleiden. Of interpreteer ik nu ‘ins Blaue hinein’?
Ben’m nu al een week aan het proberen. Mijn eerste en laatste indruk? Een beetje tam, behoorlijk bescheiden. Hoe komt dat? Isse simpel. Angel (1992) en A*Men (1996) van Thierry Mugler. Deze twee hebben de toon gezet wat gourmand betreft, en gaan in overdrive. In vergelijk daarmee is Méchant Loup wel erg subtiel. Meer sfeer, dan een daadwerkelijke ‘echte’ geur. Ik snap de voorwaar originele combi (zeker voor die tijd) van zoethout (drop-effect), hazelnoot (ruik je hier goed deze geurmoleculen-combi die het samen oproept), honing en bonbon die uiteindelijk op een bedje van hout tot rust komen.
Maar het had van mij meer ‘wham, bam right in the face’ gemogen – we hebben het hier wel over de Grote Boze Wolf die aan het versieren is, niet Roodkapje. Ik twijfelde door deze geurvaagheid aan mijn reukvermogen; als check nam ik even een spray van L’Artisan Parfumeurs Al Oudh (2009) – ‘wham, bam! Die komt nog steeds binnen zoals ze dat tegenwoordig zeggen.
Wat in the end resteert is een subtiele houtgeur met smeltende gourmandnoten. Wat Grand Méchant Loup wil oproepen heb ik duidelijker ervaren – de geur schoot me in ene weer te binnen – en wel in Au Masculin (2000) van Lolita Lempicka. Zelfde stemming, zelfde boodschap maar duidelijker waar te nemen.
Zou dat nu ook een verschil zijn tussen prestige (Mugler, Lempicka) en niche? Dat de eerste altijd een krachtige, onontkoombare injectie toevoegt die je direct ruikt en die je als gebruiker het ‘waar-voor-je-geld’-gevoel geeft. Dat niche het (toen) meer van de subtiliteit, verfijning moet hebben?
Misschien komt er ooit een extreme/intense versie. Qua naam hoeft L’Artisan Parfumeur alleen maar ‘grand’ toe te voegen: Grand Méchant Loup, Grote Boze Wolf.
Amouage is een perfect voorbeeld van wat het uiteindelijke doel is van een zorgvuldig opgebouwde naam: cashen. Dat wil niet direct zeggen verkopen aan de hoogstbiedende, maar het merk geleidelijk aan meer en meer downgraden. Niet zo zeer in kwaliteit, maar in bereikbaarheid. Laatste kun je op twee manieren doen. Meer verkooppunten en/of geuren lanceren met steeds kleinere tussenpozen waarvan sommige zeer toegankelijk zijn in de zin van ‘instapniche’ – zowel qua naam als qua inhoud. Plus laat ik niet vergeten: meedoen met geurtrends. Alle drie gebeurt bij Amouage.
Wat het eerste betreft: hier heb ik veel klachten over gehoord bij zelfstandige parfumerieën: op te veel punten verkrijgbaar – dag exclusiviteit. Wat het tweede betreft: zie de namen van recente geuren. In chronologische volgorde: Fate, Interlude, Beloved, Sunshine, Journey (in vrouwelijke en mannelijke versie), Lilac Love, Blossom Love (‘Ladies Only’), Imitation en Beach Hut. En wat die trend betreft, ik schrijf slechts: Tuberose Love – Maison Margiela, Miu Miu en Stella McCartney gingen Amouage net voor in de ‘neo-tuberose’-hippigheid. Allemaal verschenen sinds 2012. Dus gemiddeld twee per jaar, de zes nieuwe Opus-geuren niet mee gerekend. Best wel veel – ook een klacht van niet alleen de zelfstandige parfumerieën.
Noem me gek, besmeur me met pek en veren, maar Amouage is ‘een soort van’ Christian Dior geworden, maar dan een treetje hoger voor ‘al die mensen’ die vinden dat Dior eigenlijk nu een beetje te ordi en te goedkoop is (zowel in prijs, zowel in uitstraling).
Anyway, in de woorden van Amouage vertelt Beach Hut Man ‘het verhaal van een iriserende aromatische idylle die zich ontvouwt in de geurige, wilde tuin van een strandhut, waar uitgestrekte zandduinen de zee ontmoeten. Het maakt de zintuigen los en ontketent emoties terwijl het het bedwelmende sublieme van de kustlijn verkent tijdens de fascinerende zonsondergang’. Toe maar! Het bedwelmende sublieme. Je moet er maar op komen. Iets anders: volgens mij is juist de charme van een strandhut dat je géén tuin hebt…
WAT BEACH HUT MAN IK EIGENLIJK?
Gewoon een goede geur. Zeker mannelijk, tenminste als je groen, kruidigheid en wierook hiermee associeert. In a way is Beach Hut Man ook vintage door de overduidelijke galbanum-noot die, opvallend genoeg, door nieuwe, jongere generaties niet echt worden begrepen, die de elegant-ruwe charme er niet van inzien.
Ook weer opvallend: ‘in betere parfumkringen’ werd galbanum vaak als vrouwelijk gezien (maar dan met een mannelijk randje): Vent Vert (1945) Balmain, N°19 Chanel, Private Collection (1973) Estée Lauder, Amazone (1974) Hermès, en al andere groentjes die begin jaren zeventig werden gelanceerd.
Maar verwerkt in 2.0-geuren wordt deze hars niet – echt – begrepen: neem A Scent (2006) Issey Miyake en (Untitled) (2010) Maison Martin Margiela. In ieder geval moet ik heel erg aan deze geuren denken bij Beach Hut Man. Met name bij de laatste twee, want wat je ruikt is niet the real stuff maar synthetische afgeleiden – zoals dynascone en galbascone – die de waterig-groene en aromatische noten van natuurlijk galbanum ‘verdunnen’, verwateren met een ananas-achtige fruitige frisheid. Maar dan: een extra groenvoorziening komt om de hoek kijken door een enorme muntinjectie – koel en fris zonder tandpasta-link.
Ook leuk, als je goed door ruikt, neem je de oranjebloesem waar die de galbanum-muntcombinatie een cologne-kick geeft… dit blijft allemaal gezellig lang resoneren om ‘op een gegeven moment’ te transformeren tot een beschaduwde bossensatie. Wrangbitter klimop (ik ruik het zowaar) waaronder typische mannelijke houttonen samen een krachtig statement maken. Denk vetiver, mos en patchoeli. Mooi en donker met een rokerig randje, die mij aan het voormalige fetish-ingrediënt van Amouage doet denken (wierook).
Goed gedaan, en ook weer leuk, Beach Hut Man doet eigenlijk totaal niet aan een strandhut en de daarmee geassocieerde geuren denken: geen ozon, geen zilt, geen drijfhout, geen ‘oh-wat-gaat-de-zon-mooi-onder’-strandgevoel. Op een originele manier op het verkeerde been gezet. Had ik dus niet verwacht. Enne: als Sauvage (2015) van Dior zo had geroken, dan hadden de kopers een geur ‘gekregen’ waar de naam de inhoud meer had gedekt én meer waar voor hun geld.
Ik heb er al eerder over geschreven, namelijk de trend om vreemde kostgangers, dieren die we over het algemeen niet associëren met ‘lekkere geuren’ te vernoemen naar en/of te verwerken in composities. Er is één merk die hier – bijna – patent op heeft. Inderdaad what’s in a name: Zoologist. Dit is nou een van die nichehuizen die – gelukkig – onderkent dat het weinig zin heeft om als nieuwkomer more of the same te presenteren. Dat je je niet onderscheidt met de zoveelste variatie op jasmijn, citrus, witte bloemen, patchoeli en gaap-gaap zo maar door. Veel beter: een originele invalshoek gecombineerd met geuren die hiermee overeenstemmen. Dat wil niet zeggen dat je compositorisch per definitie andere geuren krijgt, maar wel een andere beleving waardoor je ze anders gaat appreciëren en ervaren.
En toch blijft het merk dichtbij huis. Zoologist kiest voor een variatie op een van de geliefdste en inmiddels dus slaapverwekkendste inspiratiebronnen: van tuin naar dierentuin. Wat daar ‘zo al’ op onvrijwillige basis in cirkels rondloopt of rondvliegt met beperkte actieradius, gecombineerd met nog niet gevangen exotische fauna of miljoenen jaren geleden uitgestorven pechvogels, heeft Zoologist gevangen in geuren. Hoe ruiken dus Moth, Beaver, Camel, Dragonfly, Hyrax, Macaque, Nightingale, Panda, Rhinoceros, Tyrannosaurus Rex?
Ik heb tijdje geleden al Bat geroken en moest denken aan, heel vreemd, vijg. En is er Civet – om meer meerdere reden een van mijn favoriete ingrediënten. Weten waarom? Tik de naam van dit katachtige dier op het zoekmenu op mijn blog… Met name het artikel Gouden geur uit onze Gouden Eeuw. Dan word je ook duidelijk waarom de neus, Shelley Waddington, koffie aan Civet heeft toegevoegd.
WAT CIVET IK EIGENLIJK?
Zoals bekend, hadden/hebben echte dierlijke ingrediënten (civet, musk, bevergeil, grijze amber) in tinctuurvorm het vermogen een compositie te fixeren maar ook om het algemene karakter te versterken, en diepte en warmte te geven. We praten dan over minuscule hoeveelheden: 001 ml op 100ml. Noem je een geur Civet, dan verwacht ik op zijn minst 002 ml of nog meer. Maar dat gebeurt dus niet.
Dan de rest: ook hier ervaar ik veel minder dan ik eigenlijk zou moeten/willen ruiken afgaande op de ingrediënten. Zijn er nogal wat. Top: bergamot, zwarte peper, citroen, sinaasappel, ‘specerijen’, dragon. Le coeur: anjer, frangipani, heliotroop, hyacint, lindebloesem, tuberoos, ylang-ylang. Basis: balsem, civet, koffie, wierook, labdanum, musk, eikenmos, ‘harsen’, Russisch leer, vanille, vetiver, woods. Als ik deze smaakmakers stuk voor stuk hardop zeg, dan ruik ik in gedachten een vintage-bom van heb-ik-me-jou-daar (denk Bal à Versailles van Jean Desprez) of een andere klassieke chypre uit de jaren dertig, veertig en vijftig van de vorige eeuw – zoals vintage Miss Dior.
Grappig genoeg is dat ook het uitgangspunt van Zoologist, want naast een eerbetoon aan dit ‘eeuwenoude ingrediënt’ eert Bat ook ‘chypre-parfums van weleer die weigerden te worden geïntimideerd door rauw, aanlokkelijk en dierlijk civet. Civet is een humeurig en complex brouwsel verweven in mysterie. Het opent met een pittig bloemakkoord, doordrongen met donkere koffietonen. Langzaam sluipt het naar voren, ontrafelt basistonen van leer, mos en vanille die zich in combinatie met kenmerkend civetnoten tot een verbijsterende, verfijnde geur met de belofte van een zwoele nachtelijke rendez-vous’.
Alleen ik ruik het allemaal niet, gezien de hoeveelheid ingrediënten natuurlijk onmogelijk – maar ik had graag bijvoorbeeld de peper, de bloemencombi en een aantal noten uit de dry down geroken. Wat ik ruik is een vol, gul, gouden amberachtig parfum met een gladde en getemde civet-injectie.
Wat ontbreekt zijn de nuances, wonderlijke ondertonen die samen aan het werken zijn om tot een harmonieus eindgeheel te komen. Dat van de bloemen vind ik vooral jammer – alsof die in knop nog niet ontloken in de amberbasis zijn gevallen. Wat het effect is van de frisse hyacint en zonnig lindebloesem op de anjer, ylang-ylang en tuberoos… ik ervaar het niet echt. Ook de frangipani niet. Het kan ook zijn, dat ik teveel verwacht en geen geduld heb. Misschien moet ik opnieuw, minder bevooroordeeld de geur instappen. Ik ga het snel proberen, door een fles te kopen, want een monstertje van 3 ml dekt natuurlijk nooit de hele lading.
Maar voor wie civet vreemd is, kan het ‘best schrikken’ zijn. Of misschien geeft de geur bij haar/ hem juist een gevoel van tevredenheid, harmonie en ‘lekker in je vel zitten’. Wat uiteindelijk toch meer voldoening geeft dan een geur alleen maar lekker vinden. Want dat is volgens mij een van de mooie dingen aan dierlijke ingrediënten – ze geven op onbewust nóg meer een gevoel van verbonden zijn met aarde en de natuur. Iets waar heel veel mensen (hele generaties eigenlijk) vervreemd van zijn geraakt door de mainstream cleane witte musk/witte houtgeuren van de laatste decennia wel of niet versierd met een toefje gourmand, een vleugje ambergris, een scheutje cognac, een bloemeke hier, een kruidje daar. Tijd voor een (hernieuwde) kennismaking in deze zou je denken. Bat is dan in ieder geval een goede start.
PS: Ik snap wel dat de geur prijzen heeft gewonnen, niet meer dan logisch. Maar dat is volgens mij meer ingegeven om de ingeslapen über-gemarkete parfumwereld wakker te schudden, dan de compositie an sich. Want Bat blijft ondanks alles toch very vintage. Niets op tegen. Het is weer een bevestiging voor mij van de beperktheid van de olfactorische mogelijkheden die de parfumeur heeft, dat meer de creatieve invalshoek – alhoewel de sfeerfoto met model wel heel knullig en cliché is – wordt beloond.