DE KRACHT VAN EEN TOT EEN VERBEELDING SPREKENDE NAAM:
SOUVENIRS DES JOURS HEUREUX
Jaar van lancering: 1983
Laatst aangepast: 16/01/13
Neus: Serge Kalouguine
Er zijn geuren die je eigenlijk direct lekker moet vinden. Alleen al om de prachtige naam. Vaak het begin van een reis die je zelf maakt door de associaties die je met een zo tot de verbeelding sprekende naam hebt. Dan maakt het niet uit hoe de geur gepresenteerd wordt. Is het smaakvol – mooi meegenomen. Maar lelijk of saai hoeft een prettig genieten ook niet in de weg te staan. Dan is de inspiratiebron eigenlijk overbodig. Wat ik me bij L’Ombre dans L’Eau voorstel: een jeugdherinnering.
Ik als klein kind alleen of met broers, zussen en/of vriendjes in de door zuring, gras, boter-, dotter-, scherm- en pinksterbloemen begroeide sloot aan de overkant van mijn huis zat te vissen naar stekelbaarsjes, salamanders, dikkopjes en snoekjes. Ja, die waren er toen nog – midden jaren zeventig van de vorige eeuw – in overvloed. Vissen? Het was meer een kwestie van een emmer in het water stoppen, omhoog halen en kijken wat er in zat.
Bijna altijd raak. ‘Mamma, was is dit?’ Bleek een rat te zijn – de schaduw in het water. En dat terwijl de zon hoog aan de hemel scheen en wolken af en toe een prachtige stilte legden over dit pastoraal genieten. De herinnering die de inspiratie vormde voor L’Ombre dans L’Eau is vanzelfsprekend anders, maar even prettig: ‘recalls a lush garden at water’s edge and a brief glimpse of life, captured in the memory of a friend of the three founders of Dyptique. One day, he was gathering roses and blackcurrant, and suggested to work on this accord, one of potent originality’.
Als je de geur in zijn tijd plaatst, dan valt pas op hoe origineel L’Ombre dans L’Eau inderdaad is en daarom terecht geldt als een nieuwe klassieker. Want de blockbusters van toen deden je naar adem snakken – Giorgio van Giorgio of Beverly Hills (1981), Poison van Dior (1985) – of waren een overrompelende ode op de eeuwige vrouwelijkheid: Paris van Yves Saint Laurent, Diva van Emmanuel Ungaro (beide 1983) en Givenchy’s Ysatis (1984). Of oosterse elixers: Coco van Chanel (1984), Obsession van Calvin Klein (1985).
In vergelijk met deze barokke schilderijen is L’Ombre dans L’Eau een licht en transparant aquarel. Bescheiden, schetsmatig en pittoresk een ‘alternatieve’ stemming oproepen. Niche dus, toen deze bedrijfstak in de parfumerie nog in zijn kinderschoenen stond en het begrip nog niet echt met parfums werd geassocieerd.
WAT RUIK IK EIGENLIJK?
Een kenmerk van nichegeuren in den beginne: less is more. Dus met zo weinig mogelijk, zoveel mogelijk oproepen een handje geholpen door de fantasie. ‘De schaduw in het water’ doet het in feite met drie duidelijk overheersende smaken waarbij op de achtergrond wat ‘basics’ de geur vasthouden. Zwarte bes, zwarte besblad en roos. Prachtig die groene en levendige opening – scherp, kruidig en beetje stroef alsof je de achterkant van het blad met zijn nerven voelt en fijnwrijft. Dan lijkt alsof er emmers gevuld met zwarte bes worden leeggegooid. Zoet, donker met een fluwelige toets en toch fris. Denk crème de cassis.
In deze frisse zoetheid komt de roos – niet in volle bloemen, maar als losgeplukte blaadjes – naar boven drijven… zacht, bloemig maar eigenlijk meer een ‘geraniumroos’ dan een echte roos, wat stoerder, en robuuster. Eigenlijk, als je goed doorruikt dekt de naam de lading niet. Of zou de zwarte bes voor de schaduw staan, of juist de zachte amberachtige basis (met een beetje musk) die als een wolk over de geur verschijnt. Wat frappant blijft: de waterachtige toets van het geheel.
Ook knap: de natuurlijke impressie van Ombre dans L’Eau – er zijn mensen voor wie de geur ook een wandeling door een lentewei oproept – want ik vermoed dat die is opgebouwd uit bijna louter synthetische geurmoleculen – neem alleen al zwarte bes. De geur kun je niet extraheren. Zowel niet het blad als de vrucht. De waternoot idem. Musk idem. En dat geldt ook voor heel veel groene noten.
RUIK & VERGELIJK
De eerste keer dat ik werd getrakteerd op de sensatie van zwarte bes (vrucht plus gebladerte), blijft voor mij gedenkwaardig. Dat je met zoveel zoetheid toch een groen, fris en knisperend gevoel weet op te roepen. Gebeurde met onderstaande geur. Ik dacht altijd dat het de eerste geur was waarin de ‘ribes nigrum’ als alternatief voor de klassieke citrusfrisse opening werd voorgesteld. En toen kende ik Dyptique alleen nog maar van naam. Zwarte bes is nog steeds populair. Worden nu zelfs ‘hele’ geuren rondom gecomponeerd.
Nee, dit is geen vergissing: Lavande 44 is niet van Le Labo, maar vormt met Rose Ishtar en Ambre Loup onderdeel van het premièretrio van Rania Jouaneh. Waar staat het nummer voor? Wordt niet vermeld. Maakt de geur niet interessanter, eerder moeilijker, moeilijkdoenerij en: al zo vaak gedaan. Misschien woonde ze als kind op dit nummer, misschien is het haar leeftijd…
Eerlijk gezegd: geen zin om Rania te mailen om er het fijne van te weten. Als ik het zou doen, dan zou ik vragen hoe ze het voor elkaar krijgt om honderd procent natuurlijke ingrediënten parfums te maken die verfijning en diepgang hebben – zie over het hoe waarom van dit merk mijn beschrijving van Rose Ishtar. Want gewoonlijk zijn daar synthetische werkstoffen voor verantwoordelijk: die vormen het geraamte waardoor natuurlijke ingrediënten zich beter kunnen ontplooien, zich beter met elkaar kunnen verstaan.
Weet niet hoe het komt, maar ik heb niet zoveel met lavendel. Zou ik het op onbewust niveau associëren met pesterijen en trauma’s uit mijn jeugd… (grapje). Dat is een ding. Ten tweede: hoe mooi je lavendel ook behandelt, lavendel blijft vaak lavendel. Zonnig, zacht, zoet met die ‘over all’ frisgewassen indruk – lavendel komt van het Romeinse lavare – wassen dus. Als onderdeel van een parfum, kan het een prachtig effect hebben. Ruik maar eens aan Jicky (1889) van Guerlain uit 1889 en (als je het nog ergens kunt vinden) aan Chamarré uit 2009 van Mona di Orio.
Maar met Lavande 44 lijk ik mij gewonnen te geven. Gaat echt onbewust. Mijn verstand zegt ‘Nee, weg ermee’, mijn mind voelt zich er tot toe aan getrokken. Ik ben verbaasd over het effect en dat neemt toe als ik me weer realiseer dat de geur honderd procent natuurlijk is. Durf het bijna niet te zeggen: dit is een lavendel die ik zo maar zou kunnen gaan dragen. Al was het alleen maar om te genieten van die…
WAT RUIK IK EIGENLIJK?
… prachtige opening. Ik ruik aarde, iets zuurs dat lijkt op rabarber, iets groen, vervolgens iets mineraalachtig… Kan dit allemaal in lavendel zitten? Of heeft Rania toch iets toegevoegd? Of is het de combinatie van met het aardse vetiver en ‘vochtige’ patchoeli? Ook eigenaardig… je kunt naast deze eerste rijke kennismaking de ingrediënten heel goed gescheiden blijven ruiken.
Zelfs als de zoete verleider zich er in mengt: tonkaboon. En die is heel rijk geschakeerd: warm, rumachtig en gloedvol. Kortom, ik ben over mijn eerste bezwaar (zie begin bespreking Rose Ishtar) heen gestapt. Rania j. is een verrijking voor de branche. Ben benieuwd naar de ambergeur.
Als je een geur van haar koopt – in de Benelux verkrijgbaar bij http://www.parfumaria.com – verricht je indirect een goede daad. Want één procent van de jaarlijkse opbrengst maakt ze over naar de organisatie (in San Francisco) 1% percent for the planet. Het financiert projecten die zich inzetten voor het behoudt van het ecologisch evenwicht en biodiversiteit van de aarde.
RUIK & VERGELIJK
Nog twee geuren die lavendel een nichebehandeling geven:
KRUIDIG, HOUTACHTIG, SENSUEEL, ZACHT EN VIRIEL LEER
Jaar van lancering: 2010
Laatst aangepast: 09/12/12
Neus: François Demachy (foto onder)
Was een dag in Parijs. Dus ook een paar uur op parfumonderzoek. Geen zin om alle nichehuizen af te lopen, ging ik linea recta naar de grote warenhuizen: Galerie Lafayette en Printemps. Daar stonden zoveel verkoopsters met geuren gewapend dat, als je niet oppaste, je in een te grote wolk beide verliet. Wat me opviel: niche krijgt er steeds meer ruimte.
Wil zeggen: de eerste generatie (Diptyque, L’Artisan Parfumeur, Annick Goutal, Serge Lutens) waren verbroederd met ‘nieuw’ (Frédéric Malle), vintage (Robet Piguet; inmiddels verrijkt met zeven nieuwe geuren) en de neo-nichelijnen van Giorgio Armani, Guerlain en Dior. Vooral laatste pakte, hoewel minimalistisch, goed uit: letterlijk apart gebouwde niches in beide warenhuizen, waar La Collection de Monsieur Dior (of is de naam nu La Collection Couturier Parfumeur?) zeer smaakvol stond opgesteld. Met een heel ingenieus ruiksysteem.
Niet sprayen, maar een soort dop met kliksysteem die naast alle flacons lag, verspreidt de geur op het moment dat je die oppakt. Daarnaast: een groot beeldscherm waarop de geuren nader worden uitgelegd. Opvallend: de mannengeuren (naast de ‘oudjes’ Eau Noire, Bois d’Argent (beide 2004) en Ambre Nuit (2009) en nieuwkomers Vétiver en Leather Oud) zijn directer in hun verleidingsoperatie dan de vrouwengeuren Mitzah, Granville, New Look 1947 en Milly-la-Foret (die vertellen allemaal een verhaal gelinkt aan de geschiedenis van het huis). De meeste mannen (ook de verfijnde) willen in the end toch duidelijke interpretaties van klassieke geurconcepten. En Cologne Royale zweeft daar tussen: voor allebei.
Welke te kiezen? Ik had ze het liefst allemaal gekocht die ik nog niet had. Alleen ‘beschermden’ de maten (125, 225 en 450 ml en de prijs) me. Zou toch leuk zijn als je de collectie ook kon kopen in een coffret met 30ml-uitvoeringen. Het werd dus Leather Oud omdat deze geur twee hoofdingrediënten bevat die nu ‘les mots du jour’ in nichekringen zijn. Oud al een tijdje en leer wordt steeds meer herontdekt, zoals Cuir Fétiche (2011) van L’Artisan Parfumeur, Cuirs (idem) van Carner en La Collection Cuir van Thierry Mugler dit jaar.
Leather Oud is een echte mannengeur. Stoer en verfijnd tegelijkertijd. En: de naam is goed gekozen. Want het is meer leer dan oud dat je ruikt. Kruidig, sensueel, lichtjes vermengd een met leer- en oudinjectie. En niet te vergeten die animale noot. Dat heeft natuurlijk leer al van zichzelf maar wordt ondersteund door civet – het voor mij te weinig gebruikte ingrediënt in nichegeuren.
WAT RUIK IK EIGENLIJK?
Als ik deze geur aan mijn zwager laat ruiken (een fervent leerfan) ik weet dat hij dan onderuit gaat… van plezier. Het mooie: je komt direct in het volle karaker van de geur terecht. Achter een kruidige wolk van kardemon en kruidnagel komt langzaam maar met volle overtuiging de leer-oudcombinatie te voorschijn. Wordt wat hout betreft opgeroepen met vetiver, sandel- en cederhout, patchoeli, oud en amyris (het alternatieve sandelhout). Wat leer betreft: met berk en leer die prachtig sensueel en fluweelachtig worden begeleid door cistus labdanum, honing, vanille en civet (tekening).
Het leer begint als het ware te smelten en te ‘roken’… Geeft een wierook-effect maar niet te. Ook het medicinale effect van oud ruik je, maar wordt ook niet te door de andere houttonen. Het fijne Leather Oud laat je zowel van leer en oud genieten. Je krijgt als het ware twee voor de prijs van een. Eigenlijk drie: want cistus labdanum, honing en vanille zorgen voor een amberambiance. Maar het geheim van de geur schuilt hem voor mij in civet. Geeft het geheel subtiel die dierlijke, viriele noot. Mag van mij alsnog een Fifi-award krijgen. Maakt me niet uit door welk werelddeel, in welke categorie.
RUIK & VERGELIJK
Het is niet de eerste keer dat François Demachy voor Dior oud in een geur verwerkt. Onderstaande blijft voor mij ook gedenkwaardig. Zeker als je bedenkt dat het niet oud is voor de echte parfumconnaiseur, maar voor de man die voor zijn geuraankopen de ketenparfumerie bezoekt.
Dior Fahrenheit Absolute (2009)
En wat leer en Dior betreft:
Dior Diorling – Les Créations de Monsieur Dior – Dior (1963/2011)
Het blijft een rare gewaarwording: je opent zonder enig gevoel, geheel neutraal een geur en bij de eerste moleculen die vrijkomen, denk je: ‘Jezus, want een aldehydenbom!’ en dus direct ook ‘wel heel erg Chanel N°5’. Dat is nog steeds de standaard wat een aldehydenparfum betreft, dus logisch dat de vergelijking zich opdringt. Heb ik dus met Le Sens du Plaisir van het huis met die merkwaardige ontstaansgeschiedenis. Ruik je langer, dan ruik je de subtiele verschillen. De boodschap die dit gevoel van plezier moet overbrengen aan de draagster, aldus Visconti: ‘Je overgeven aan hun emoties, niet bang zijn je te uiten en je uit te leven’. En daar verschijnt in mijn gedachten een vrouw uit de jaren zestig.
Geen hippy, geen ‘natuurmens’, geen tuinbroekfeministe maar een dame van top top teen smaakvol gekleed zonder een tut te zijn, zoals je ze ziet rondflaneren en rondflirten in de tv-serie Mad Men. Eigenlijk is Le Sens du Plaisir een ouderwetse, maar zeer aangename geur helemaal gevrijwaard van moderne smaakmakers. En deze ouderwetsheid heeft iets ongekend vertrouwds – ik noem het dan maar de N°5-link.
En trouwens wat invulling van zijn metier betreft, is Antonio Martino behoorlijk klassiek. Zoals valt te lezen op de Duitse niche-verkoopsite Aus Liebe zum Duft: ‘Ik meen dat een het scheppen van een parfum is zoals een droom. Stel je de reuk, de smaak en de toon voor dat het moet hebben… dan kom je in de buurt van het schrijven een muziekcompositie. Elk component heeft een bepaalde waarde, waarmee ik een hemelse melodie of een treurmars componeren kan’.
WAT RUIK IK EIGENLIJK?
Raar dat de aldehyden niet als ingrediënt worden opgegeven. Want vanaf het begin is er die volle, onbestemde bloemige sensatie (die veel mensen door Chanel associëren met een klassiek parfum) die als de geur wat langer in de lucht zit, het mogelijk maakt om de verschillende ingrediënten te ervaren. Maar alles blijft super-bloemig doordat tegelijkertijd met de aldehyden ook bergamot en neroli (beide fris-bloemig) vrijkomen met engelenzaad.
De musky-groene toon van laatste ruik ik niet echt. In ieder geval begeleiden die in het hart een very klassieke parfumontmoeting van roos en jasmijn. En die bloeien om het hardst en het schoonst om in de basis ondersteund te worden door poederig iris, zwoel vanille (foto) en een volle ambernoot. Chic, strak, klassiek. Leuk om te geven aan iemand die Chanels N°5 als haar all time favorite beschouwt. Het verschil: minder ‘soapy’, zwoeler en voller in de dry down.
RUIK & VERGELIJK
Er zijn natuurlijk meer geuren die een Chanel N°5 Aha-erlebnis veroorzaken. Niet echt populair tegenwoordig, maar sommige merken trekken zich daar niet van aan. Zoals:
Elke keer als een vetivergeur wordt gelanceerd, denk ik: ‘Moet ik die óók bespreken?’ Want met welk verhaal/inspiratie het desbetreffende merk ook komt, het komt toch neer op hetzelfde: de nog steeds fascinerende combinatie van fris groen en droog hout wederom gevangen in een flacon. Zo ook Le Vétiver van Lubin.
Het leuke en ‘gevaarlijke’ aan de naam: door het te voorzien van ‘zijn’ lidwoord – le – wekt het de indruk – waarschijnlijk (on)bedoeld – dat het le (dus dé) absolute vetiver is tot nu toe verschenen. In mijn geurendatabase kom ik geen ‘oude’ vetiver van Lubin tegen. Le Vétiver is dus ‘nieuw’ en logisch, gezien elk huis (vintage, niche of massmarket) er nu een in zijn assortiment moet hebben. De reden: mannen blijven er verzot op. Lubin presenteert niet zo maar weer een vetiver.
Het legt de lat dus hoog. Het moest een andere vetiver worden, geen interpretatie van het bekende thema of variatie daarop. Sleutelwoord: winter. Een ‘Vétiver d’Hiver’ dus. Het idee volgens de man die het huis nieuw leven in heeft geblazen; Gilles Thévenin: ‘Een aristocraat die na een dag jagen op weg naar huis een tussenstop maakt om een kathedraal te bezoeken waar hij de geur van wierook in zich opneemt’.
Toen de geur klaar was, kreeg hij een ander beeld voor ogen: de herinnering aan een ‘groene’ man, een mysterieus persoon uit Keltische sagen. Een soort oerman, voor wie vrouwen bang waren maar er zich ook tot aangetrokken voelen. Waarom? Het betrof wél de god van de vruchtbaarheid. Die zou dus een naam moeten hebben, maar die wordt niet gegeven. En ik heb geen zin om dat op te zoeken.
Maar hoe vertaalt zich dat nu echt in de geur? In overdrachtelijke zin: de christelijke aristocraat versus de ontembare heiden. Ofwel, ‘un peu dandy et u peux animal’, zoals de neus Le Vétiver beschrijft. In ‘geurlijke’ zin: het aardse vetiver (animal) verrijkt met rokerige noten (dandy).
WAT RUIK IK EIGENLIJK?
Opvallend: zonder het achtergrondverhaal gelezen te hebben, moest ik bij de eerste spray denken aan iets koel, koud en ijs-achtig. Vetiver net uit de bevroren aarde getrokken, wat in principe niet kan – gezien de natuurlijke habitat van vetiver. Dit coole gevoel wordt opgeroepen met grapefruit, sinaasappel, mandarijn en neroli. Ofwel bitterfrisse, zoetfrisse en bloemigfrisse noten geassembleerd tot een ‘vries’-effect. Geholpen volgens mij door een aldehyde- en ozonakkoord.
Dan de opkomst van vetiver (foto). Mooi en elegant en zoals je vetiver wil ruiken: droog, zonnig, fris en aards. Voor mij is het vooral het droog-houtige aspect dat de overhand neemt. Moet zogezegd een ‘animaal’ spoor krijgen door een kruidenmelange van kruidnagel, nootmuskaat en peper. Ruik je inderdaad goed, maar of dit nu animaal is? De afronding is ‘dandy’ zoals je wilt: strak cederhout, melkachtig mirre, rokerig wierook en stoer tabak. En dat ruik je pas goed als Le Vétiver langer op je huid zit.
De geur wordt mooi warm en rokerig zonder afbreuk te doen aan de de houtachtige frisheid van vetiver. By the way: leuke flacon die op de een of andere manier een soort sixties-touch heeft, terwijl op dat moment pure vetiver niet echt geliefd was bij mannen (behalve de klassiekers van Carven, Givenchy en Guerlain). Althans bij mannen die geuren gebruikten voor de ruik, niet in de vorm van een aftershave, want dat was toen echt nog een ‘dandy-ding’.
RUIK & VERGELIJK
En natuurlijk heb ik Le Vétiver al eerder geroken bij andere huizen. Kan niet anders. Vetiver als ingrediënt verspreidt, hoe je het ook verpakt toch dezelfde boodschap. Voor mij is Le Vétiver een samengaan van de volgende vetivers:
Ik had onlangs een onverwachte reality check toen ik met een collega zat te praten – doe ik wel eens – over geuren. Zij had dezelfde verbazing als ik: dat ook automerken die het vooral van de hardwerkende ‘middenklasse’ moet hebben, ook hun namen verbinden aan geuren. ‘Mercedes’ zei ik. Zij direct: ‘En Saab’. Dat had ze toevallig gehoord, dat iemand dacht dat de geur van Elie Saab een ode was op de oprichter van het Zweedse automerk. Dit was voor mij weer eens bevestiging dat heel veel namen in de mode- en parfumwereld heel veel mensen bijna tot niets zeggen. In ieder geval, Elie Saab heeft nu een eau de toilette-versie van zijn eau de parfum Le Parfum gelanceerd.
Dus voor al diegenen die denken dat Elie Saab gelieerd wordt met het inmiddels ter ziele gegane automerk, hier het volgende: ‘Sinds zijn kinderjaren bewondert en observeert hij vrouwen die hem omgeven en die hem inspireren. Vanaf dat moment stralen al zijn creaties van duizelingwekkende vrouwelijkheid uit door de adembenemende schoonheid van luxueuze stoffen en onberispelijke ontwerpen. Crêpe, organza, zijde, satijn, wol, chiffon; alle ontwerpen zijn doordrongen met de sensuele ‘kennis’ om het vrouwenlichaam optimaal te verrijken en een overweldigende demonstratie van de verscheidenheid van vrouwen, uitgedrukt door deze veelzijdige couturier’.
Het persbericht vervolgt met: sinds 2011, heeft het universum van Elie Saab een eigen geursignatuur: Le Parfum dat in harmonie met de luxecodes van de couturier, vertaald is naar een geur met het duale karakter dat zo veel betekent voor de ontwerper: het licht van het Midden-Oosten en het moderne van het Westen. Le Parfum verlicht een duizelingwekkend pad, als een vloeiende sluier van een couturejurk’.
Nu dus een eau de toilette-versie. Die net zoals Le Parfum is geïnspireerd op een geur gegrift in het geheugen van de couturier: ‘Oranjebloesem. Het huis waar ik ben opgegroeid was omgeven door sinaasappelbomen en als de wind zachtjes door de takken waaide, voerde deze een hemelse geur met zich mee’.
WAT RUIK IK EIGENLIJK?
Met deze herinnering in gedachten, creëerde Francis Kurkdjian een heldere variatie op het hoofdingrediënt oranjebloesem. Dat was een kwestie van weglaten en toevoegen. Weg: jasmijn, rozenappel, cederhout en patchoeli. Toe: voor de oranjebloesem op zijn frisse, bloemige en lichtsensuele manier kan gaan bloeien laat Kurkdjian haar voorafgaan door een explosie van de iets zoetere mandarijnbloesem die haar zoetheid versterkt ziet door een rozenhoningaccent (denk aan een roos ondergedompeld in vanille). En daarmee heeft de oranjebloesem zelf ook geen moeite.
Die laaft zich ook graag aan deze bloemige volheid. Als dit langer op de huid zit neem je heel subtiel de fluweelzachte en sensuele noot waar van gardenia (foto). Dit alles wordt vastgehouden door ‘de bruisende levendigheid van vetivergras (ruik je goed) als spreekwoordelijke pailletten bedachtzaam op een couturejurk gestikt’. Wat ik alleen mis en ook meen te ruiken in de basis: een ruime hoeveelheid witte musk. Die het ‘fris gewassen’-gevoel eigen aan oranjebloesem versterkt. Prettig, zonnig, maar voor clean.
RUIK & VERGELIJK
Oranjebloesem, ik heb het al zo vaak gezegd, is sinds het vanaf het nieuwe millennium tot hoofdversierder in parfums werd gepromoveerd, dé leidraad van heel, heel, heel veel geuren geworden. Ook Francis Kurkdjian weet er raad mee, waarvan getuigen:
Maison Francis Kurkdjian Cologne pour le Matin (2009)
Bij sommige merken word ik een beetje depri als ze de komst van een nieuwe geur vermelden. Calvin Klein bijvoorbeeld. Want: meer marketing dan inhoud. Helemaal sinds Klein himself zijn aandeel wist te verkopen aan de hoogstbiedende (Coty). Het is allemaal te geworden: te gelikt, te braaf, te cliché, te mainstream, te korte termijn. Bij sommige merken word ik helemaal posi als ze een nieuwe geur aankondigen. Parfums de Nicolaï bijvoorbeeld. Ik moet nog heel wat parfums van dit (schrijf het niet vaak) oh zo sympathieke huis bespreken. Maar geef voorkeur aan de nieuwe. Want ik weet dat deze ‘onbesprokenen’ voorlopig niet het assortiment verdwijnen. Iets wat je niet van Calvin Klein kunt zeggen.
L’Eau à la Folie. Leuke naam. Het suggereert een ongecompliceerde geurtje, roept een vrolijke stemming op, zin om de boel de boel te laten en over velden en wegen met familie en vrienden een leuke dag door te brengen. L’Eau à la Folie is voorjaar, het klatert, het glimlacht waarvan je vooral in de zomer van volle teugen wil genieten. Een pastoraal par-fum-me-tje. Maar het is zoveel meer. Geen gek geurtje, maar eerder een waanzinnig goed geslaagd parfum met hoofdletter door (typisch Patricia Nicolaï) de hoge kwaliteit aan ingrediënten.
En dan ga ik automatisch denken, als meer merken nu eens minder aandacht zouden besteden aan de miljoenenmarketing, het zoeken naar de zoveelste celeb/actrice en meer energie in de geur zelf zouden steken. Of waarom vragen ze Patricia zelf niet? Succes verzekerd. By the way: dat doet ze wel. Zo af en toe. Voor MDCI maakte ze Un Coeur en Mai en Le Rivage des Syrtes (beide 2009), maar dat is een über-niche merk.
Het ‘waanzinnige’: de ogenschijnlijke ongekunsteldheid waarachter zo veel ervaring en ware liefde voor het vak schuilgaat. Wat heeft ze dan precies gedaan? Patricia lijkt een bezoek te hebben gebracht aan het bijna vergeten groene hoekje in de parfumerie. Lichte chypres in de vorm van eau fraîches met heldere bloemnoten die vanaf eind jaren zestig vorige eeuw tot pak’m beet 1976 en vogue waren. Maar terwijl ze basisregels van de klassieke lichte chypre respecteert – een hout- en mosbasis – geeft ze er een moderne draai – noem het een licht-fruitige toets. Het is een soort vintage en ‘nu’ samengesmolten. Top.
WAT RUIK IK EIGENLIJK?
Jezus, wat komt er veel samen in deze geuren. Hij wordt veel vergeleken met een tropische cocktail. Alleen, L’Eau à la Folie linken met drank doet een beetje afbreuk. Is in het verleden al veel met andere geuren gedaan, maar dan betrof het meestal van die mierzoete ananas-, papaya-, sterfruit- en mangomelanges – zoals de vele, niet altijd verkeerde Escada-zomergeuren.
Als het dan echt moet, vind ik het eerder een gin & tonic-idee. Maar dan alleen in de opening: een groene én zoete mix van limoen, munt, jeneverbes en roze peper waar een verkwikkend aldehyde-windje over blaast. Laatste twee geven pit aan de opening van L’Eau à la Folie en staan daarvan een beetje af aan het hart gevuld met de meest zonnige jasmijn (foto) denkbaar: sambac en Egyptische misschien vermengd met hedione die een zoet-zacht-zoet plaagstootje krijgt van een rijpe fruitnoot zwevend tussen perzik, nectarine en meloen (ruik je in de opening al een beetje). Dit gaat allemaal relaxed over naar de mos-houtige basis. Die geeft alles een zacht-krachtige ondersteuning, terwijl de bloemig-fruitige sensaties gewoon blijven feestvieren.
RUIK & VERGELIJK
‘Light scented chypre memories, like the colours of our mind, you used to be a fresh, sunny and green memorie like the perfumes we wore…’
Om maar met de deur in de parfumerie te vallen: is de flacon van L. I. L. Y nou ongelooflijk prachtig of spuuglelijk? Ik zit er ‘best wel’ mee. Geintje. Laat ik het zo zeggen: heb de flacon al een tijdje op mijn bureau en vraag me af in welke stijlcategorie hij valt: nouvelle art deco, deconstructief, neo vintage, neo-kitsch. Oordeel zelf, de flacon valt in ieder geval prettig buiten de toon. Is zoveel meer dan een vierkant met rondingen met daar op een simpele dop (waar ontwerpers vaak zoveel meer inzien dan je met het blote oog kunt waarnemen). Je hebt ‘meer’ in je handen, en is om maar eens een vreselijk cliché te gebruiken, een sieraad voor de (bad)kamer. Het bedenken van de flacon was volgens Stella ‘een reis, verhaal opgebouwd uit herinneringen – visuele vermengd met geuren, en is geïnspireerd op Engels geslepen kristallen vazen.
En dat gevat in een metallic frame, zoals fotolijstjes van verzamelde herinneringen. Een ontmoeting tussen vintage glas en moderne kunst waar de facetten een grijs-roze kleur reflecteren van de geur die er in zit’. Ze rondt af met: ‘Een flacon die je wil laten zien, die deel van je leven wordt en je doorgeeft aan je geliefden’.
Dan de naam. Origineel. Niet alleen genoemd naar de hoofdrolspeelster van de geur, het lelietje-van-dalen de essentie van het voorjaar. ‘Delicaat en snel vervliegend. Onschuld. De puurheid van witte bloemen die hangen aan de breekbare groene takjes. Het zwart van de aarde en de puurheid van witte wortels. Het symbool van een nieuw begin’. Maar ook ‘een love story die een emotie verbeeldt. Een prettige jeugd doorgebracht op het Engelse platteland. Het doet me denken aan mijn moeder. Het koosnaampje van mijn vader voor haar was Linda I Love You’.
Dan de inspiratiebron: ‘Een reis door de zintuigen. Het begint met de geur van een lentemorgen, zonlicht schijnt door de bomen en dan het uitzicht op een lelietje-van-dalen. Het is het voorbijgaan van de tijd op de bodem van een bos. De toets van mos en de meer donkere intensiteit van truffel – mannelijker en aards, maar nog steeds sensueel en verleidelijk’. Zelf zegt ze: ‘Een geur creëren doe ik altijd erg visueel, ik sluit mijn ogen en zie een verhaal voor me. L. I. L. Y is verhaal van een meisje dat een vrouw wordt. Het begin van een nieuw hoofdstuk, een dat helemaal van haar zelf is’. Daarom besloot ze ook om geen piepjong model te kiezen, maar een ‘oudje’ van al 34.
WAT RUIK IK EIGENLIJK?
Wat Stella zo fascineert aan zowel het lelietje-van-dalen als de truffel (foto) is dat ze maar één keer per jaar ‘naar boven komen’. Wat de laatste betreft, is volgens mij niet waar, truffels kunnen jaren in de aarde verblijven voor een hond of varken de sterke geur in eens opsnuift en als een gek begint te graven. Het is de bedoeling dat L. I. L. Y de spanning verbeeldt wanneer deze twee hoofdsmaakmakers samenkomen. Dat is gedeeltelijk gelukt in die zin dat het lelietje-van-dalen het toch uiteindelijk wint en een frisse, schoongewassen totaal indruk achterlaat.
En dat is ook indirect de bedoeling van Stella – ze wou een cleane en ongecompliceerde geur. Zo las ik op fragrantica.com. Het ‘probleem’ met het meiklokje is dat je het niet (meer) kunt ontrekken aan het bloempje. De neus wacht de schone taak om hier bloemen (en meer) te verzamelen die samen het bloempje maken. Jacques Cavallier koos voor een waterachtige jasmijn (hedione?) gecombineerd met roos die hij een onbestemde citrusachtige, groene, sprankelende infusie geeft versterkt door het verkwikkende roze peper.
In de basis wordt ‘le muguet’ mooi warm en ‘mossig’ ondersteund. Inderdaad door truffel die zijn aardse, champignonachtige noot al vanaf het begin verspreidt en steeds meer aan intensiteit wint door patchoeli en eikenmos. Maar het lijkt wel of de patchoeli, eikenmos en truffel naar de dry cleaner zijn geweest; het ‘vuil’ is er uitgestoomd. En de ‘schoongewassen’ witte musk versterkt dit effect, gelukkig wordt de felheid daarvan getemperd door ambrette, dat zaadje met die zoete natuurlijke muskachtige noot.
RUIK & VERGELIJK
Het is leuk dat Stella een moderne draai heeft gegeven het bloempje dat door nieuwe generaties vaak als oubollig wordt geïnterpreteerd. Weinig ontwerpers durven dat aan, veel lelietje-van-dalengeuren zijn vaak niet meer dan wat de naam zegt: een groene, frisse, sprankelende voorjaarsgeur. Uitzonderingen daargelaten – de nichesector dus.
Ben dan ook benieuwd wat de geur gaat doen. Ik heb begrepen dat L’Oréal grote plannen met L. I. L. Y heeft. Maar zoals ik wel vaker bij nieuwe geuren vermeld: een parfumextract zou me benieuwen. Echt in het diepe, donkere bos op een open plek een veld lelietje-van-dalen opsnuiven gevoed door de truffel die zich onder aarde aan de wortels van de eikenbomen heeft gehecht.
Ook een opmerkelijke moderne variant:
Tommy Hilfiger T Girl (2001)
Dé klassiekers:
Caron Muguet de Bonheur (1934)
Dior – Les Créations de Monsieur Dior – Diorissimo (1956, 2007)
In nichekringen wordt al langer op een moderne manier naar het meiklokje gekeken:
Annick Goutal Le Muguet (2001)
Dalrae Début (2004)
Maison Francis Kurkdjian Aqua Universalis (2009)
Van Cleef & Arpels – La Collection Extraordinaire – Muguet Blanc (2009)
Luna Rossa is de naam van een film uit 2001, naam van verschillende restaurants, naam van ijssalons, naam van vakantievilla’s, naam van een wijn, naam van de zeilboot waarmee Prada in 2000 bij de eerste deelname aan de Louis Vuitton Cup won (gevolgd door andere overwinningen) én sinds 2012 naam van de nieuwe mannengeur van Prada. Hiermee wordt een exclusieve wereld een opgeroepen die, net zoals polo, voor nog maar weinig mensen is weggelegd. Zover de chique link. Het is ook een stoere en mannelijke wereld, een wereld van eenheid en samenwerking: ‘solozeilers’ niet gewenst, want alleen in harmonie vergroot je de kans op overwinning. Prada verwoordt het zo: ‘Een race, uitgevochten tussen technologie en lichamelijke inspanning, voortgestuwd door natuurkrachten. De competitie, het visuele aspect en de gratie van de boten als zij de golfen snijden, wordt wereldwijd bewonderd’.
En zo: ‘Luna Rossa is een parfum dat het natuurlijke en liefde voor innovatie in zich verenigt. De kracht en de frisheid van de elementen lokken een interpretatie uit van klassieke noten in een nieuw jasje. Een opvallende flacon en verpakking weerspiegelen de samenvloeiing van natuur en technologie, van menselijke emotie en kracht, die samen de grenzen van het mogelijke verleggen’.
Maar toch, ontdoe je de geur van zijn stoere en woeste wateren-setting, dan is Luna Rossa voor de mannengeuren hetzelfde wat Candy (2011) voor de vrouwengeuren van Prada is: op een minder intellectuele, minder arti-farty, dus meer toegankelijke manier een geur presenteren die ook mannen niet direct op de hoogte van de artistieke standing van het Italiaanse luxelabel, zal weten te triggeren. Want stel dat deze geur in de Infusion-reeks was gepresenteerd, dan was het toch moeilijker geweest om de man in de straat ‘met een zeker luxebesef’ tot aankoop te overhalen. Luna Rossa doet wat dat betreft niet moeilijk: het voldoet aan alle ongeschreven wetten van een (potentiële) kassakraker: een kloek-verfijnde hightech-flacon, stoere ‘best wel’ machosetting en een geur die veel mannen moet aanspreken, want het betreft een klassieke lavendelgeur.
WAT RUIK IK EIGENLIJK?
En natuurlijk eigentijds. Want als je dat niet vermeldt, en Miuccia Prada leest dit, dan zou ze best wel kwaad kunnen worden. Want het is haar leidraad in mode en geuren: het verenigen van traditie met moderniteit. Zo verwoordt de neus het: ‘Luna Rossa is mannelijk, compromisloos die traditionele ingrediënten opnieuw interpreteert. Een golf van aromatische frisheid zorgt dat de geur een krachtige en dynamische energie verspreidt, terwijl de signatuur edel en sensueel is’.
Lavendel is zonnig en bloemig en kan afhankelijk van het oogstgebied ook een donkere en aardse toets krijgen. In Luna Rossa zit een lavendel die reikt naar de zon maar waarvan de wortels duidelijk in de vochtige grond zitten. Krijgt in de opening een mooie zoet-zonnige inleiding door oranjebloesem. Maar wat deze lavendel zo natuurlijk maakt is de link met een groen-kruidige noot, geleverd door muskaatsalie en ‘nanah’-munt.
En het aardse aspect van lavendel, krijgt een enorme opwaardering van ambroxan – de synthetische ambergris. En de verfijning in de basis wordt geleverd door de zacht-sensuele noot van ambrette, het zaadje dat bijna perfect de echte musk imiteert, maar dan met een zoet randje.
RUIK & VERGELIJK
Lavendel, eeuwenlang een van de meest geliefde ingrediënten in geuren (met name eau de colognes) heeft het de laatste jaren moeilijk. Het wordt geassocieerd met ouderwets, oubollig parfumgenot. Opvallend: recente geuren in de ketenparfumerie opgebouwd rondom lavendel, waren geen grote succesnummers: Lancôme’s Hypnôse Homme (2008) en L’Homme de la Nuit (2009) van Yves Saint Laurent. In de nichesector wordt daar anders over gedacht. Waarvan getuigen:
‘EEN UNIVERSELE VERKLARING VAN HET RECHT OP GELUK IN EEN GEUR’
Jaar van lancering: 2012
Laatst aangepast: 03-09-12
Neus: Anne Flipo, Olivier Polge, Dominique Ropion
Model: Julia – too good to be true – Roberts
Flaconontwerp: Georges Delhomme
Regisseur: Tarsem Singh
En de eerste prijs voor het qua formaat en inhoud grootste persbericht gaat dit jaar naar de nieuwe Grote Geur van Lancôme: La vie est belle… Nummer twee: Catch me… van Cacharel. Nummer drie: Giorgio’s Acqua di Giò pour Homme Le Parfum. Eervolle vermelding: Coco Noir van Chanel. Er wordt in ‘een universele verklaring van het recht op geluk in geur’ zoveel gezegd, zoveel beweerd. En dan moet het uitleggen van de geur, de flacon, de ambassadrice en ‘the making of’ nog beginnen. Als je dit allemaal als klant moet aanhoren, of als personeel moet vertellen, dan kun je beter een stoel en self survival-pakketje meenemen.
Niet dat er geen interessante observaties worden gedaan over de wensen en verlangens van de vrouw van nu. Waarover later meer. Alleen: Lancôme heeft dit prestigieuze parcours wel vaker uitgezet ter introductie van een nieuw parfum dat, kort door de bocht, een nieuw begin in de wereld van het parfum inluidde, maar twee seizoenen later het al blijkbaar niet echt wist waar te maken. Wie herinnert zich nog de Grote Woorden van de Grote Geuren Hypnôse (2005) en Magnifique (2008)? Maar goed dat het cosmeticahuis Trésor (1990) in reserve heeft.
Ik ben erg benieuwd of alle inspanningen zijn vruchten zullen afwerpen. Opvallende hoogtepunten uit de verantwoording. Hoofdstuk een: ‘Lancôme heeft altijd een diepe, oprechte, respectvolle en positieve relatie met vrouwen die ontwikkeling stimuleert; een uniek verbond in een wereld waar uitbuiting en macht de norm zijn. Ver van alle overdaad en wetten van de afgelopen drie decennia, omhelst Lancôme – meer dan ooit – het less but better-principe. Ofwel, de zachte kracht van schoonheid die de zintuigen niet aanvalt’.
Hoofdstuk twee: geheel conform de tijdsgeest is La vie est belle ook een ‘triomf over bezit en uiterlijk vertoon’. Met andere woorden: terug naar de basis. Wat telt: ‘Een zoektocht naar betekenis. Iemands eigen mening. Een nieuw tijdperk gekarakteriseerd door afwijzing van een wereld die goud geplateerd of gedefinieerd is door strikte principes’. Dit is mooi verwoord: ‘La vie est belle is een zoektocht van zelfbewuste vrouwen die zekerheid hebben gewonnen door twijfel te accepteren, die weten wat zij willen en zich middelen toestaan het te vinden. Zij zijn bereid zichzelf in twijfel te trekken, die dit niet als een zwakte zien maar als hoop en avontuur. Vrouwen die weten aan welke zijde zij staan; niet aan die van onhaalbare ideeën en beloftes, maar aan die van jarenlang opgebouwde ervaring. Vrouwen die voor ‘minder’ gaan, mits dit hand in hand met ‘beter’ gaat’, hun leven verrijkend met een rustgevende ‘langzame’ kwaliteit.
Hoofdstuk drie: een schets van ‘de ontwikkelende vrouwelijkheid’ sinds een halve eeuw. Wat concludeert Lancôme? De vrouwelijke identiteit is getransformeerd. Sleutelfiguren: ‘Vrouwen zelf, opzienbarend grensverleggend, decennium na decennium, zoekend naar gelijkheid. Een nieuw tijdperk breekt aan van persoonlijke voldoening, zelfbesef. In één woord, geluk’. De eerste aanzet werd gegeven tijdens het tijdperk van emancipatie en feminisme in de jaren zeventig: ‘Huisvrouwen bevrijdden zich van beklemmende sociale gewoonten. Gekleed in mannenbroeken of gebloemde tunieken in rock- of hippiestijl, revolutioneerden zij sociale codes en maakten zelf keuzes én een sensationele entree in een lang verboden paradijs’. Daarna: ‘op zoek naar macht’ in de jaren tachtig. ‘In hun reis naar gelijkheid was het einddoel meer invloed, dagelijkse invloed. Iron ladies en working girls stonden onbevreesd aan het roer om verantwoordelijkheden op zich te nemen. Deze nieuwe Amazones op oorlogspad met XXL-schoudervullingen, oversized sieraden en heel hooggehakt werden vereeuwigd door Helmut Newton’.
Daarna volgde een periode van ‘minimalisme als wijze van identiteit’. De jaren negentig was een zoektocht naar een identiteit in een context van verloren referentiepunten (grenzen tussen mannen en vrouwen vervaagden), uitmondend in de esthetiek van androgynie. Allure verdween, lijnen werden verstoord, onderscheidende stijlcodes verdwenen, gevolgd door een generatie gedefinieerd door individualisme. Kleuren vervaagden, werden zelfs uitgewist, zwart en wit resterend. Vrouwen herontdekten zichzelf in een super skinny-vorm, gemotiveerd door het kanon van minimalisme: less is more’.
Hoofdstuk vier. Bleek achteraf gezien een beetje boring en onduidelijk, dus werd het opgevolgd door ‘de triomf van materialisme’ in het nieuwe millennium. ‘Moe van niets, herontdekken vrouwen de smaak van alles. Tegen een achtergrond van uitgesproken individualisme hullen ze zich in goud en logo’s. Alles om op te vallen, om te benadrukken dat ze een som van hun bezittingen zijn geworden. Een tijdperk van bevliegingen, van opstapelen en consumeren om acute wensen te bevredigen. Het moeten hebben… vrouwen werden schaamteloos gedreven door consumptie. Met welzijn en triomf werd opzichtig gepronkt, elke triomf werd voor het publieke oog, met een goedkeurende blik, gevierd. Dit waren de nieuwe sin qua non-voorwaarden voor het plezier van een vrouw’.
Hoofdstuk vijf. En toen eindelijk, we zijn er bijna: de dageraad van een nieuw tijdperk vanaf 2010. Om dit te onderstrepen haalt Lancôme Julian Barnes’ roman The Sense of an Ending (waarmee hij The Booker Prize won) aan: ‘Een keerpunt stond ons te wachten sinds vrouwen – het maakte hen niet uit hoeveel zij al hadden – simpelweg doorgingen met hun zoektocht naar meer. Zij hadden elke rol gespeeld: echtgenote, moeder, ontwerper, directeur, geliefde… Zij hadden onvoorstelbare hoogtes bereikt. Toch begonnen zij geleidelijk in te zien dat het geluk misschien niet daar was waar zij het hadden hopen te vinden. Zij hadden geleerd dat rolmodellen niet te imiteren zijn en dat geluk een made-to-measure- en geen ready-to-wear-ervaring is. Dit laten gaan is de basis tot het bereiken van iemands volledige potentie’.
Met andere woorden: ‘De subtiele triomf van het klaar zijn met het hebben en uiterlijk vertoon. Vrouwen betreden hun eigen paden van geluk, met af en toe een onverwachte route, in nieuwe richtingen. Less but better wordt de nieuwe filosofie. Ver van de sociale tegenstellingen van rigide richtlijnen is elke vrouw vrij haar eigen weg naar geluk te kiezen door eindelijk zichzelf te zijn en volledig en zonder dwang een nieuwe vorm van vrouwelijkheid te ervaren. Zij staan zichzelf toe de vrijheid te nemen minder te bezitten, minder rollen te spelen, alleen het beste te kiezen, de essentie van leven. Een lange en mooie reis in een opkomend tijdperk’.
Hoofdstuk zes. Hoe geniet je met minder méér van een parfum? Lancôme: ‘Met een geur die de zachte kracht van schoonheid onderstreept die de zintuigen niet aanvalt, zonder de vrouwelijkheid en verleiding uit het oog te verliezen. La vie est belle is een hommage aan de wereld van elegantie, licht en vrijheid. Een parfum met een ‘geweten’, een ziel en de belofte het leven met schoonheid te vullen’. Als het goed is, zie je ‘dat beetje minder’ direct terug in de flacon waarvan de ontwikkeling meer dan een jaar duurde ‘om het onmogelijke te bereiken; een cirkel vierkant maken om de indruk van een glimlach gesneden in kristal te wekken, met als finishing touch een parelmoer grijs organzalint rond de hals als symbool van ‘dubbele vleugels van vrijheid’.
Het is een moderne adaptie van een in 1949 door George Delhomme – toenmalig artistiek directeur – ontworpen flacon die het aura van vrouwen symboliseert met dat ondefinieerbare ‘je ne sais quoi’-gevoel. Ofwel, ‘de elegantie van een glimlach in kristal gesneden’.
Hoofdstuk zeven. Ga niet te lang in over de presentatie – cliché sprookjesachtig zoals alle succesvolle Grote Geuren in het ketenparfumerie-circuit: Julia Roberts op een best wel chique feestje met best wel mooie en best wel boaring genodigden, bevrijdt zich als enige van de kristallen ketenen – symbool voor wat vrouwen allemaal van zich hebben afgeschud? – die aan iedereen vastzitten. Gaat volgens Lancôme geschiedenis gaat schrijven. Dit kun je natuurlijk divers interpreteren.
Hoofdstuk 8: de ambassadrice. Ik citeer niet alles, anders ben ik over een uur nog niet uigeblogged. Over haar zegt Lancôme: ‘De belichaming van vrolijke vrouwelijkheid, maar zij zou alle vrouwen kunnen belichamen, in al hun eerlijkheid, waarheid en diversiteit. Roberts draagt het bijna ondanks haar zelf uit, in haar eigen moeiteloosheid, op een speelse en genereuze wijze’.
Het gaat maar door dit ‘gepiëdestal’. Je zou als gewone vrouw – die ze ook diverse keren heeft gespeeld – bijna radeloos en moedeloos van worden. ‘En dan dat ondefinieerbare aura, die natuurlijke charme en constante stralendheid die Roberts in het pantheon van de cinema plaatsen. Haar humanitaire betrokkenheid is discreet. Of zij nu voor het US Congres de onderzoeksfondsen voor het syndroom van Rett (een neurologische ziekte) onthult, haar support aan Hole in The Wall Gang (een van de grootste hulporganisaties voor zieke kinderen) of de Alliance for Clean Cookstoves, het is nooit een kwestie van hype. Wie anders dan deze persoonlijkheid kan de belofte van de vrijheid om jezelf te zijn en je eigen pad te kiezen?’ Zonder ketens wat voor soort ook?
WAT RUIK IK EIGENLIJK?
Vind ik altijd eerlijk gezegd onnodig: hoe lang (drie jaar) en hoeveel proeven (5521) het heeft geduurd voor dat ‘iedereen’ kan zeggen: ‘Perfect!’ Geïnspireerd door de boodschap van La Vie est belle opteerden Anne Flipo, Olivier Polge en Dominique Ropion voor de traditionele parfumerie-benadering.
Ofwel, de kracht van eenvoud op basis van het beste van het beste, vrij van het overbodige en slechts samengesteld uit 63 ingrediënten waarvan bijna 50 procent natuurlijk is. Het parfum kent twee wegen die zich parallel manifesteren en uitmonden in een ‘sensualiteit zwevend tussen schaduw en licht’: een stralend bloemenakkoord en iris die één worden door een ruggengraat van aldehyden.
Die zorgen ervoor dat de sambacjasmijn en oranjebloesem nog voller en zonniger worden en de iris pallida meer diepte krijgt. En de fruitige gourmandnoten cirkelen eerst in het rond om zich uiteindelijk te hechten aan de iris pallida, waardoor je een poederige sensatie krijgt die gezoet wordt door vanille, tonkaboon, praline, zwarte bes en peer.
En een ‘essence van de meest uitzonderlijke Indonesische patchoeli’ werd verwerkt om La vie est belle krachtig te laten resoneren. Aangenaam, haar heel eerlijk gezegd: hoewel de geur niet is overgedoseerd met gourmandlekkernijen, ruik ik toch meer een ‘gourmandpatchoeli’ dan een ‘gourmandiris’. Ook jammer: het ontbreken van een parfumextract. Maar dat zal wellicht volgen mocht La vie est belle wereldwijd miljoenen vrouwen aanspreken die zich herkennen in de boodschap en de geur daadwerkelijk less but better vinden.
RUIK & VERGELIJK
De iris ‘lakken’ met een gourmandlaagje gebeurt niet vaak, maar is wel eerder gedaan. In het nichecircuit dat wel.
Guerlain – L’Art et la Matière – Iris Ganache (2004)
Parfums Générale – Huitième Art – Naïviris (2010)
En qua overeenkomstige gourmandsensatie, slingert ook deze geur door mijn hoofd: