Bij sommige merken word ik een beetje depri als ze de komst van een nieuwe geur vermelden. Calvin Klein bijvoorbeeld. Want: meer marketing dan inhoud. Helemaal sinds Klein himself zijn aandeel wist te verkopen aan de hoogstbiedende (Coty). Het is allemaal te geworden: te gelikt, te braaf, te cliché, te mainstream, te korte termijn. Bij sommige merken word ik helemaal posi als ze een nieuwe geur aankondigen. Parfums de Nicolaï bijvoorbeeld. Ik moet nog heel wat parfums van dit (schrijf het niet vaak) oh zo sympathieke huis bespreken. Maar geef voorkeur aan de nieuwe. Want ik weet dat deze ‘onbesprokenen’ voorlopig niet het assortiment verdwijnen. Iets wat je niet van Calvin Klein kunt zeggen.
L’Eau à la Folie. Leuke naam. Het suggereert een ongecompliceerde geurtje, roept een vrolijke stemming op, zin om de boel de boel te laten en over velden en wegen met familie en vrienden een leuke dag door te brengen. L’Eau à la Folie is voorjaar, het klatert, het glimlacht waarvan je vooral in de zomer van volle teugen wil genieten. Een pastoraal par-fum-me-tje. Maar het is zoveel meer. Geen gek geurtje, maar eerder een waanzinnig goed geslaagd parfum met hoofdletter door (typisch Patricia Nicolaï) de hoge kwaliteit aan ingrediënten.
En dan ga ik automatisch denken, als meer merken nu eens minder aandacht zouden besteden aan de miljoenenmarketing, het zoeken naar de zoveelste celeb/actrice en meer energie in de geur zelf zouden steken. Of waarom vragen ze Patricia zelf niet? Succes verzekerd. By the way: dat doet ze wel. Zo af en toe. Voor MDCI maakte ze Un Coeur en Mai en Le Rivage des Syrtes (beide 2009), maar dat is een über-niche merk.
Het ‘waanzinnige’: de ogenschijnlijke ongekunsteldheid waarachter zo veel ervaring en ware liefde voor het vak schuilgaat. Wat heeft ze dan precies gedaan? Patricia lijkt een bezoek te hebben gebracht aan het bijna vergeten groene hoekje in de parfumerie. Lichte chypres in de vorm van eau fraîches met heldere bloemnoten die vanaf eind jaren zestig vorige eeuw tot pak’m beet 1976 en vogue waren. Maar terwijl ze basisregels van de klassieke lichte chypre respecteert – een hout- en mosbasis – geeft ze er een moderne draai – noem het een licht-fruitige toets. Het is een soort vintage en ‘nu’ samengesmolten. Top.
WAT RUIK IK EIGENLIJK?
Jezus, wat komt er veel samen in deze geuren. Hij wordt veel vergeleken met een tropische cocktail. Alleen, L’Eau à la Folie linken met drank doet een beetje afbreuk. Is in het verleden al veel met andere geuren gedaan, maar dan betrof het meestal van die mierzoete ananas-, papaya-, sterfruit- en mangomelanges – zoals de vele, niet altijd verkeerde Escada-zomergeuren.
Als het dan echt moet, vind ik het eerder een gin & tonic-idee. Maar dan alleen in de opening: een groene én zoete mix van limoen, munt, jeneverbes en roze peper waar een verkwikkend aldehyde-windje over blaast. Laatste twee geven pit aan de opening van L’Eau à la Folie en staan daarvan een beetje af aan het hart gevuld met de meest zonnige jasmijn (foto) denkbaar: sambac en Egyptische misschien vermengd met hedione die een zoet-zacht-zoet plaagstootje krijgt van een rijpe fruitnoot zwevend tussen perzik, nectarine en meloen (ruik je in de opening al een beetje). Dit gaat allemaal relaxed over naar de mos-houtige basis. Die geeft alles een zacht-krachtige ondersteuning, terwijl de bloemig-fruitige sensaties gewoon blijven feestvieren.
RUIK & VERGELIJK
‘Light scented chypre memories, like the colours of our mind, you used to be a fresh, sunny and green memorie like the perfumes we wore…’
Om maar met de deur in de parfumerie te vallen: is de flacon van L. I. L. Y nou ongelooflijk prachtig of spuuglelijk? Ik zit er ‘best wel’ mee. Geintje. Laat ik het zo zeggen: heb de flacon al een tijdje op mijn bureau en vraag me af in welke stijlcategorie hij valt: nouvelle art deco, deconstructief, neo vintage, neo-kitsch. Oordeel zelf, de flacon valt in ieder geval prettig buiten de toon. Is zoveel meer dan een vierkant met rondingen met daar op een simpele dop (waar ontwerpers vaak zoveel meer inzien dan je met het blote oog kunt waarnemen). Je hebt ‘meer’ in je handen, en is om maar eens een vreselijk cliché te gebruiken, een sieraad voor de (bad)kamer. Het bedenken van de flacon was volgens Stella ‘een reis, verhaal opgebouwd uit herinneringen – visuele vermengd met geuren, en is geïnspireerd op Engels geslepen kristallen vazen.
En dat gevat in een metallic frame, zoals fotolijstjes van verzamelde herinneringen. Een ontmoeting tussen vintage glas en moderne kunst waar de facetten een grijs-roze kleur reflecteren van de geur die er in zit’. Ze rondt af met: ‘Een flacon die je wil laten zien, die deel van je leven wordt en je doorgeeft aan je geliefden’.
Dan de naam. Origineel. Niet alleen genoemd naar de hoofdrolspeelster van de geur, het lelietje-van-dalen de essentie van het voorjaar. ‘Delicaat en snel vervliegend. Onschuld. De puurheid van witte bloemen die hangen aan de breekbare groene takjes. Het zwart van de aarde en de puurheid van witte wortels. Het symbool van een nieuw begin’. Maar ook ‘een love story die een emotie verbeeldt. Een prettige jeugd doorgebracht op het Engelse platteland. Het doet me denken aan mijn moeder. Het koosnaampje van mijn vader voor haar was Linda I Love You’.
Dan de inspiratiebron: ‘Een reis door de zintuigen. Het begint met de geur van een lentemorgen, zonlicht schijnt door de bomen en dan het uitzicht op een lelietje-van-dalen. Het is het voorbijgaan van de tijd op de bodem van een bos. De toets van mos en de meer donkere intensiteit van truffel – mannelijker en aards, maar nog steeds sensueel en verleidelijk’. Zelf zegt ze: ‘Een geur creëren doe ik altijd erg visueel, ik sluit mijn ogen en zie een verhaal voor me. L. I. L. Y is verhaal van een meisje dat een vrouw wordt. Het begin van een nieuw hoofdstuk, een dat helemaal van haar zelf is’. Daarom besloot ze ook om geen piepjong model te kiezen, maar een ‘oudje’ van al 34.
WAT RUIK IK EIGENLIJK?
Wat Stella zo fascineert aan zowel het lelietje-van-dalen als de truffel (foto) is dat ze maar één keer per jaar ‘naar boven komen’. Wat de laatste betreft, is volgens mij niet waar, truffels kunnen jaren in de aarde verblijven voor een hond of varken de sterke geur in eens opsnuift en als een gek begint te graven. Het is de bedoeling dat L. I. L. Y de spanning verbeeldt wanneer deze twee hoofdsmaakmakers samenkomen. Dat is gedeeltelijk gelukt in die zin dat het lelietje-van-dalen het toch uiteindelijk wint en een frisse, schoongewassen totaal indruk achterlaat.
En dat is ook indirect de bedoeling van Stella – ze wou een cleane en ongecompliceerde geur. Zo las ik op fragrantica.com. Het ‘probleem’ met het meiklokje is dat je het niet (meer) kunt ontrekken aan het bloempje. De neus wacht de schone taak om hier bloemen (en meer) te verzamelen die samen het bloempje maken. Jacques Cavallier koos voor een waterachtige jasmijn (hedione?) gecombineerd met roos die hij een onbestemde citrusachtige, groene, sprankelende infusie geeft versterkt door het verkwikkende roze peper.
In de basis wordt ‘le muguet’ mooi warm en ‘mossig’ ondersteund. Inderdaad door truffel die zijn aardse, champignonachtige noot al vanaf het begin verspreidt en steeds meer aan intensiteit wint door patchoeli en eikenmos. Maar het lijkt wel of de patchoeli, eikenmos en truffel naar de dry cleaner zijn geweest; het ‘vuil’ is er uitgestoomd. En de ‘schoongewassen’ witte musk versterkt dit effect, gelukkig wordt de felheid daarvan getemperd door ambrette, dat zaadje met die zoete natuurlijke muskachtige noot.
RUIK & VERGELIJK
Het is leuk dat Stella een moderne draai heeft gegeven het bloempje dat door nieuwe generaties vaak als oubollig wordt geïnterpreteerd. Weinig ontwerpers durven dat aan, veel lelietje-van-dalengeuren zijn vaak niet meer dan wat de naam zegt: een groene, frisse, sprankelende voorjaarsgeur. Uitzonderingen daargelaten – de nichesector dus.
Ben dan ook benieuwd wat de geur gaat doen. Ik heb begrepen dat L’Oréal grote plannen met L. I. L. Y heeft. Maar zoals ik wel vaker bij nieuwe geuren vermeld: een parfumextract zou me benieuwen. Echt in het diepe, donkere bos op een open plek een veld lelietje-van-dalen opsnuiven gevoed door de truffel die zich onder aarde aan de wortels van de eikenbomen heeft gehecht.
Ook een opmerkelijke moderne variant:
Tommy Hilfiger T Girl (2001)
Dé klassiekers:
Caron Muguet de Bonheur (1934)
Dior – Les Créations de Monsieur Dior – Diorissimo (1956, 2007)
In nichekringen wordt al langer op een moderne manier naar het meiklokje gekeken:
Annick Goutal Le Muguet (2001)
Dalrae Début (2004)
Maison Francis Kurkdjian Aqua Universalis (2009)
Van Cleef & Arpels – La Collection Extraordinaire – Muguet Blanc (2009)
Luna Rossa is de naam van een film uit 2001, naam van verschillende restaurants, naam van ijssalons, naam van vakantievilla’s, naam van een wijn, naam van de zeilboot waarmee Prada in 2000 bij de eerste deelname aan de Louis Vuitton Cup won (gevolgd door andere overwinningen) én sinds 2012 naam van de nieuwe mannengeur van Prada. Hiermee wordt een exclusieve wereld een opgeroepen die, net zoals polo, voor nog maar weinig mensen is weggelegd. Zover de chique link. Het is ook een stoere en mannelijke wereld, een wereld van eenheid en samenwerking: ‘solozeilers’ niet gewenst, want alleen in harmonie vergroot je de kans op overwinning. Prada verwoordt het zo: ‘Een race, uitgevochten tussen technologie en lichamelijke inspanning, voortgestuwd door natuurkrachten. De competitie, het visuele aspect en de gratie van de boten als zij de golfen snijden, wordt wereldwijd bewonderd’.
En zo: ‘Luna Rossa is een parfum dat het natuurlijke en liefde voor innovatie in zich verenigt. De kracht en de frisheid van de elementen lokken een interpretatie uit van klassieke noten in een nieuw jasje. Een opvallende flacon en verpakking weerspiegelen de samenvloeiing van natuur en technologie, van menselijke emotie en kracht, die samen de grenzen van het mogelijke verleggen’.
Maar toch, ontdoe je de geur van zijn stoere en woeste wateren-setting, dan is Luna Rossa voor de mannengeuren hetzelfde wat Candy (2011) voor de vrouwengeuren van Prada is: op een minder intellectuele, minder arti-farty, dus meer toegankelijke manier een geur presenteren die ook mannen niet direct op de hoogte van de artistieke standing van het Italiaanse luxelabel, zal weten te triggeren. Want stel dat deze geur in de Infusion-reeks was gepresenteerd, dan was het toch moeilijker geweest om de man in de straat ‘met een zeker luxebesef’ tot aankoop te overhalen. Luna Rossa doet wat dat betreft niet moeilijk: het voldoet aan alle ongeschreven wetten van een (potentiële) kassakraker: een kloek-verfijnde hightech-flacon, stoere ‘best wel’ machosetting en een geur die veel mannen moet aanspreken, want het betreft een klassieke lavendelgeur.
WAT RUIK IK EIGENLIJK?
En natuurlijk eigentijds. Want als je dat niet vermeldt, en Miuccia Prada leest dit, dan zou ze best wel kwaad kunnen worden. Want het is haar leidraad in mode en geuren: het verenigen van traditie met moderniteit. Zo verwoordt de neus het: ‘Luna Rossa is mannelijk, compromisloos die traditionele ingrediënten opnieuw interpreteert. Een golf van aromatische frisheid zorgt dat de geur een krachtige en dynamische energie verspreidt, terwijl de signatuur edel en sensueel is’.
Lavendel is zonnig en bloemig en kan afhankelijk van het oogstgebied ook een donkere en aardse toets krijgen. In Luna Rossa zit een lavendel die reikt naar de zon maar waarvan de wortels duidelijk in de vochtige grond zitten. Krijgt in de opening een mooie zoet-zonnige inleiding door oranjebloesem. Maar wat deze lavendel zo natuurlijk maakt is de link met een groen-kruidige noot, geleverd door muskaatsalie en ‘nanah’-munt.
En het aardse aspect van lavendel, krijgt een enorme opwaardering van ambroxan – de synthetische ambergris. En de verfijning in de basis wordt geleverd door de zacht-sensuele noot van ambrette, het zaadje dat bijna perfect de echte musk imiteert, maar dan met een zoet randje.
RUIK & VERGELIJK
Lavendel, eeuwenlang een van de meest geliefde ingrediënten in geuren (met name eau de colognes) heeft het de laatste jaren moeilijk. Het wordt geassocieerd met ouderwets, oubollig parfumgenot. Opvallend: recente geuren in de ketenparfumerie opgebouwd rondom lavendel, waren geen grote succesnummers: Lancôme’s Hypnôse Homme (2008) en L’Homme de la Nuit (2009) van Yves Saint Laurent. In de nichesector wordt daar anders over gedacht. Waarvan getuigen:
‘EEN UNIVERSELE VERKLARING VAN HET RECHT OP GELUK IN EEN GEUR’
Jaar van lancering: 2012
Laatst aangepast: 03-09-12
Neus: Anne Flipo, Olivier Polge, Dominique Ropion
Model: Julia – too good to be true – Roberts
Flaconontwerp: Georges Delhomme
Regisseur: Tarsem Singh
En de eerste prijs voor het qua formaat en inhoud grootste persbericht gaat dit jaar naar de nieuwe Grote Geur van Lancôme: La vie est belle… Nummer twee: Catch me… van Cacharel. Nummer drie: Giorgio’s Acqua di Giò pour Homme Le Parfum. Eervolle vermelding: Coco Noir van Chanel. Er wordt in ‘een universele verklaring van het recht op geluk in geur’ zoveel gezegd, zoveel beweerd. En dan moet het uitleggen van de geur, de flacon, de ambassadrice en ‘the making of’ nog beginnen. Als je dit allemaal als klant moet aanhoren, of als personeel moet vertellen, dan kun je beter een stoel en self survival-pakketje meenemen.
Niet dat er geen interessante observaties worden gedaan over de wensen en verlangens van de vrouw van nu. Waarover later meer. Alleen: Lancôme heeft dit prestigieuze parcours wel vaker uitgezet ter introductie van een nieuw parfum dat, kort door de bocht, een nieuw begin in de wereld van het parfum inluidde, maar twee seizoenen later het al blijkbaar niet echt wist waar te maken. Wie herinnert zich nog de Grote Woorden van de Grote Geuren Hypnôse (2005) en Magnifique (2008)? Maar goed dat het cosmeticahuis Trésor (1990) in reserve heeft.
Ik ben erg benieuwd of alle inspanningen zijn vruchten zullen afwerpen. Opvallende hoogtepunten uit de verantwoording. Hoofdstuk een: ‘Lancôme heeft altijd een diepe, oprechte, respectvolle en positieve relatie met vrouwen die ontwikkeling stimuleert; een uniek verbond in een wereld waar uitbuiting en macht de norm zijn. Ver van alle overdaad en wetten van de afgelopen drie decennia, omhelst Lancôme – meer dan ooit – het less but better-principe. Ofwel, de zachte kracht van schoonheid die de zintuigen niet aanvalt’.
Hoofdstuk twee: geheel conform de tijdsgeest is La vie est belle ook een ‘triomf over bezit en uiterlijk vertoon’. Met andere woorden: terug naar de basis. Wat telt: ‘Een zoektocht naar betekenis. Iemands eigen mening. Een nieuw tijdperk gekarakteriseerd door afwijzing van een wereld die goud geplateerd of gedefinieerd is door strikte principes’. Dit is mooi verwoord: ‘La vie est belle is een zoektocht van zelfbewuste vrouwen die zekerheid hebben gewonnen door twijfel te accepteren, die weten wat zij willen en zich middelen toestaan het te vinden. Zij zijn bereid zichzelf in twijfel te trekken, die dit niet als een zwakte zien maar als hoop en avontuur. Vrouwen die weten aan welke zijde zij staan; niet aan die van onhaalbare ideeën en beloftes, maar aan die van jarenlang opgebouwde ervaring. Vrouwen die voor ‘minder’ gaan, mits dit hand in hand met ‘beter’ gaat’, hun leven verrijkend met een rustgevende ‘langzame’ kwaliteit.
Hoofdstuk drie: een schets van ‘de ontwikkelende vrouwelijkheid’ sinds een halve eeuw. Wat concludeert Lancôme? De vrouwelijke identiteit is getransformeerd. Sleutelfiguren: ‘Vrouwen zelf, opzienbarend grensverleggend, decennium na decennium, zoekend naar gelijkheid. Een nieuw tijdperk breekt aan van persoonlijke voldoening, zelfbesef. In één woord, geluk’. De eerste aanzet werd gegeven tijdens het tijdperk van emancipatie en feminisme in de jaren zeventig: ‘Huisvrouwen bevrijdden zich van beklemmende sociale gewoonten. Gekleed in mannenbroeken of gebloemde tunieken in rock- of hippiestijl, revolutioneerden zij sociale codes en maakten zelf keuzes én een sensationele entree in een lang verboden paradijs’. Daarna: ‘op zoek naar macht’ in de jaren tachtig. ‘In hun reis naar gelijkheid was het einddoel meer invloed, dagelijkse invloed. Iron ladies en working girls stonden onbevreesd aan het roer om verantwoordelijkheden op zich te nemen. Deze nieuwe Amazones op oorlogspad met XXL-schoudervullingen, oversized sieraden en heel hooggehakt werden vereeuwigd door Helmut Newton’.
Daarna volgde een periode van ‘minimalisme als wijze van identiteit’. De jaren negentig was een zoektocht naar een identiteit in een context van verloren referentiepunten (grenzen tussen mannen en vrouwen vervaagden), uitmondend in de esthetiek van androgynie. Allure verdween, lijnen werden verstoord, onderscheidende stijlcodes verdwenen, gevolgd door een generatie gedefinieerd door individualisme. Kleuren vervaagden, werden zelfs uitgewist, zwart en wit resterend. Vrouwen herontdekten zichzelf in een super skinny-vorm, gemotiveerd door het kanon van minimalisme: less is more’.
Hoofdstuk vier. Bleek achteraf gezien een beetje boring en onduidelijk, dus werd het opgevolgd door ‘de triomf van materialisme’ in het nieuwe millennium. ‘Moe van niets, herontdekken vrouwen de smaak van alles. Tegen een achtergrond van uitgesproken individualisme hullen ze zich in goud en logo’s. Alles om op te vallen, om te benadrukken dat ze een som van hun bezittingen zijn geworden. Een tijdperk van bevliegingen, van opstapelen en consumeren om acute wensen te bevredigen. Het moeten hebben… vrouwen werden schaamteloos gedreven door consumptie. Met welzijn en triomf werd opzichtig gepronkt, elke triomf werd voor het publieke oog, met een goedkeurende blik, gevierd. Dit waren de nieuwe sin qua non-voorwaarden voor het plezier van een vrouw’.
Hoofdstuk vijf. En toen eindelijk, we zijn er bijna: de dageraad van een nieuw tijdperk vanaf 2010. Om dit te onderstrepen haalt Lancôme Julian Barnes’ roman The Sense of an Ending (waarmee hij The Booker Prize won) aan: ‘Een keerpunt stond ons te wachten sinds vrouwen – het maakte hen niet uit hoeveel zij al hadden – simpelweg doorgingen met hun zoektocht naar meer. Zij hadden elke rol gespeeld: echtgenote, moeder, ontwerper, directeur, geliefde… Zij hadden onvoorstelbare hoogtes bereikt. Toch begonnen zij geleidelijk in te zien dat het geluk misschien niet daar was waar zij het hadden hopen te vinden. Zij hadden geleerd dat rolmodellen niet te imiteren zijn en dat geluk een made-to-measure- en geen ready-to-wear-ervaring is. Dit laten gaan is de basis tot het bereiken van iemands volledige potentie’.
Met andere woorden: ‘De subtiele triomf van het klaar zijn met het hebben en uiterlijk vertoon. Vrouwen betreden hun eigen paden van geluk, met af en toe een onverwachte route, in nieuwe richtingen. Less but better wordt de nieuwe filosofie. Ver van de sociale tegenstellingen van rigide richtlijnen is elke vrouw vrij haar eigen weg naar geluk te kiezen door eindelijk zichzelf te zijn en volledig en zonder dwang een nieuwe vorm van vrouwelijkheid te ervaren. Zij staan zichzelf toe de vrijheid te nemen minder te bezitten, minder rollen te spelen, alleen het beste te kiezen, de essentie van leven. Een lange en mooie reis in een opkomend tijdperk’.
Hoofdstuk zes. Hoe geniet je met minder méér van een parfum? Lancôme: ‘Met een geur die de zachte kracht van schoonheid onderstreept die de zintuigen niet aanvalt, zonder de vrouwelijkheid en verleiding uit het oog te verliezen. La vie est belle is een hommage aan de wereld van elegantie, licht en vrijheid. Een parfum met een ‘geweten’, een ziel en de belofte het leven met schoonheid te vullen’. Als het goed is, zie je ‘dat beetje minder’ direct terug in de flacon waarvan de ontwikkeling meer dan een jaar duurde ‘om het onmogelijke te bereiken; een cirkel vierkant maken om de indruk van een glimlach gesneden in kristal te wekken, met als finishing touch een parelmoer grijs organzalint rond de hals als symbool van ‘dubbele vleugels van vrijheid’.
Het is een moderne adaptie van een in 1949 door George Delhomme – toenmalig artistiek directeur – ontworpen flacon die het aura van vrouwen symboliseert met dat ondefinieerbare ‘je ne sais quoi’-gevoel. Ofwel, ‘de elegantie van een glimlach in kristal gesneden’.
Hoofdstuk zeven. Ga niet te lang in over de presentatie – cliché sprookjesachtig zoals alle succesvolle Grote Geuren in het ketenparfumerie-circuit: Julia Roberts op een best wel chique feestje met best wel mooie en best wel boaring genodigden, bevrijdt zich als enige van de kristallen ketenen – symbool voor wat vrouwen allemaal van zich hebben afgeschud? – die aan iedereen vastzitten. Gaat volgens Lancôme geschiedenis gaat schrijven. Dit kun je natuurlijk divers interpreteren.
Hoofdstuk 8: de ambassadrice. Ik citeer niet alles, anders ben ik over een uur nog niet uigeblogged. Over haar zegt Lancôme: ‘De belichaming van vrolijke vrouwelijkheid, maar zij zou alle vrouwen kunnen belichamen, in al hun eerlijkheid, waarheid en diversiteit. Roberts draagt het bijna ondanks haar zelf uit, in haar eigen moeiteloosheid, op een speelse en genereuze wijze’.
Het gaat maar door dit ‘gepiëdestal’. Je zou als gewone vrouw – die ze ook diverse keren heeft gespeeld – bijna radeloos en moedeloos van worden. ‘En dan dat ondefinieerbare aura, die natuurlijke charme en constante stralendheid die Roberts in het pantheon van de cinema plaatsen. Haar humanitaire betrokkenheid is discreet. Of zij nu voor het US Congres de onderzoeksfondsen voor het syndroom van Rett (een neurologische ziekte) onthult, haar support aan Hole in The Wall Gang (een van de grootste hulporganisaties voor zieke kinderen) of de Alliance for Clean Cookstoves, het is nooit een kwestie van hype. Wie anders dan deze persoonlijkheid kan de belofte van de vrijheid om jezelf te zijn en je eigen pad te kiezen?’ Zonder ketens wat voor soort ook?
WAT RUIK IK EIGENLIJK?
Vind ik altijd eerlijk gezegd onnodig: hoe lang (drie jaar) en hoeveel proeven (5521) het heeft geduurd voor dat ‘iedereen’ kan zeggen: ‘Perfect!’ Geïnspireerd door de boodschap van La Vie est belle opteerden Anne Flipo, Olivier Polge en Dominique Ropion voor de traditionele parfumerie-benadering.
Ofwel, de kracht van eenvoud op basis van het beste van het beste, vrij van het overbodige en slechts samengesteld uit 63 ingrediënten waarvan bijna 50 procent natuurlijk is. Het parfum kent twee wegen die zich parallel manifesteren en uitmonden in een ‘sensualiteit zwevend tussen schaduw en licht’: een stralend bloemenakkoord en iris die één worden door een ruggengraat van aldehyden.
Die zorgen ervoor dat de sambacjasmijn en oranjebloesem nog voller en zonniger worden en de iris pallida meer diepte krijgt. En de fruitige gourmandnoten cirkelen eerst in het rond om zich uiteindelijk te hechten aan de iris pallida, waardoor je een poederige sensatie krijgt die gezoet wordt door vanille, tonkaboon, praline, zwarte bes en peer.
En een ‘essence van de meest uitzonderlijke Indonesische patchoeli’ werd verwerkt om La vie est belle krachtig te laten resoneren. Aangenaam, haar heel eerlijk gezegd: hoewel de geur niet is overgedoseerd met gourmandlekkernijen, ruik ik toch meer een ‘gourmandpatchoeli’ dan een ‘gourmandiris’. Ook jammer: het ontbreken van een parfumextract. Maar dat zal wellicht volgen mocht La vie est belle wereldwijd miljoenen vrouwen aanspreken die zich herkennen in de boodschap en de geur daadwerkelijk less but better vinden.
RUIK & VERGELIJK
De iris ‘lakken’ met een gourmandlaagje gebeurt niet vaak, maar is wel eerder gedaan. In het nichecircuit dat wel.
Guerlain – L’Art et la Matière – Iris Ganache (2004)
Parfums Générale – Huitième Art – Naïviris (2010)
En qua overeenkomstige gourmandsensatie, slingert ook deze geur door mijn hoofd:
HET KLEINE ZWARTE JURKJE ALS SYMBOOL WAT GUERLAIN VOOR PARFUM BETEKENT
Jaar van lancering: 2008/2012
Laatst bijgewerkt: 06/02/13
Neus: Delphine Jelk/ Thierry Wasser
Artistic direction: la petite robe noire op de flacon is getekend door Serge Mansau
Illustraties/clip: Kuntzel + Deygas
Muziek: Nancy Sinatra sings her classic
Mijn vraag tijdens de presentatie in Brussel van La Petite Robe Noire, tot voor kort alleen te koop in de Guerlainboetieks en -stands van de betere warenhuizen wereldwijd: ‘Waarom nu in de ketenparfumerie?’ Het antwoord: ‘Vanwege het succes’. Vreemd. Als dat zo is, dan hebben vrouwen blijkbaar hun weg naar deze exclusieve verkooppunten weten te vinden en zullen nieuwe geïnteresseerden dat ook kunnen. Maar waarom dan de formule veranderd? Hierop bleef het antwoord schuldig. Tot dat ik iets verder vroeg.
Wat blijkt? Het gehoopte succes van Idylle (2009), inclusief de talrijke variaties, ondanks de groots opgezette ‘romantische’ campagnes, bleef uit. En, helaas, kun je het als parfumhuis tegenwoordig niet permitteren een seizoen ‘on hold’ te blijven. Zeker niet in de ketenparfumerie. Vandaar de aanpassing, om ‘in sync’ te blijven met de daar heersende smaak. En die is, zoals bekend, minder verfijnd, minder exquis, meer toegankelijk.
Maar toch: je zou eerder van Chanel verwachten een geur te noemen naar een ‘onmisbaar’ item uit de basisgarderobe voor de vrouw waarmee Coco, naast haar pakje, tas en parfum bij het grote publiek bekend is geworden: La Petite Robe Noire. Maar Chanel doet dat niet. Guerlain wel. Waarom? Omdat het zwarte jurkje volgens het parfumhuis ‘absolute stijl uitgedrukt in stof is. Perfect vallend, net boven de knie, heeft het de stijl en allure van haute couture’.
Goed omschreven. Maar dan volgt een cliché – in het eerste persbericht – dat al te vaak bij parfums is gebruikt: ‘De draagster ervan laat een onuitwisbare indruk achter als ze passeert… het zwarte jurkje wordt zo een onmisbare aanwinst’. Om te eindigen met het voor mij onbegrijpelijke ‘die zowel met het schemerlicht, als met de zon van de dageraad speelt. Betoverend van ‘s ochtends tot ‘s avonds, van ‘s avonds tot ’s ochtends. Met het zwarte jurkje is de draagster altijd klaar om aan de volgende dag te beginnen!’ Tja. En dan als uitsmijter: ‘Het zwarte jurkje betekent in de modewereld wat parfum voor Guerlain betekent’.
Er was nogal wat commotie op verschillende parfumblogs. Algemene teneur: hoe durft Guerlain een classic onlosmakelijk verbonden met een ander luxemerk te gebruiken. Ik zeg: in de parfumwereld is het de gewoonste zaak van de wereld om goed naar de concurrent te kijken. Richt een merk zich op de jonge consument, anderen volgen. Geldt ook voor zomervariaties, het herlanceren van klassiekers, het leveren van op maat- en niche-parfums. Het zou trouwens leuk zijn geweest als Chanel had gereageerd door het lenen van hét symbool van Guerlain: de bij. Doet Chanel niet. Niet chic. Chanel reageert, zij het pas dit jaar anders met Coco Noir. Maar niet letterlijk: tussen de regels door wordt er in het persbericht subtiel verwezen naar het zwarte jurkje waarmee zij als geen ander wordt geassocieerd.
Guerlain presenteert de verandering in formule wel weer grappig: ‘Ik ben geboren in een roos twee jaar geleden die met zorg en passie werd gekweekt in het geurlaboratorium van Guerlain aan de Champs-Elysées. Laten we eerlijk zijn: ik heb zo’n geweldig succes dat ik me nu vernieuw om nog verleidelijker te worden en in de parfumerieën over de hele wereld te verschijnen. Ik heb het niet van een vreemde. Het is een familietraditie… Jacques Guerlain bijvoorbeeld testte discreet zijn creaties bij klanten voor hij ze aan een groter aantal bewonderaars aanbood’.
La Petite Robe Noire, zowel de nieuwe als oude versie en La Petite Robe Noire N° 2 (2011) valt voor mij in de categorie hip en trendy met luxetoets, en is een poging van Guerlain in sync te blijven met de jonge consument. Want zowel het jurkje, de presentatie als ‘het materiaal’ waarvan het gemaakt is, is helemaal van deze tijd en wordt zeer gewaardeerd door jonge vrouwen; beetje gourmand, beetje rood fruit, beetje bloemen, beetje sensueel, maar ongedwongen. En dan de nieuwe ‘getekende’ commercial… gaat meer over laarzen dan over het beroemde zwarte jurkje. Of zie ik dat verkeerd?
WAT RUIK IK EIGENLIJK?
Zo omschrijft Guerlain de eerste versie van La Petite Robe Noire: ‘Licht als champagnebelletjes, smeltend en krokant als een amandelkoekje met rozensmaak. Het parfum bruist dankzij de natuurlijke frisse geur van Siciliaanse citroen die zachter wordt door een vleugje amandel en zoethoutaccent’ – denk drop, denk zwart. ‘Een arm vol rozen zorgt voor de elegantie, gerookte thee en patchoeli voor het karakter. En voor een fluweelachtige gewaarwording op de huid een strelend akkoord van musk en vanille’.
In de nieuwe versie voegt Thierry Wasser hier zijn eigen interpretatie van de Guerlinade aan toe: ‘Een stralende roes van tonkaboon, vanille, iris en patchoeli’. Maar eerst waait het zwarte jurkje op met ‘zwarte’ kers, ‘rode vruchten’, amandel en bruisend-fris bergamot. Dan verschijnt de roos (een mix van Bulgaarse en Turkse roos): ‘zacht, heerlijk gekonfijt’. In de basis ook hier weer gerookte thee (lapsang souchong) in een anijsachtige waas die opgaat in de Guerlinade. Eindresultaat: licht, luchtig, praline, zuurtje verpakt in Guerlain-finesse. Zo omschrijft Wasser trouwens zelf de geur:
Let op: Met deze nieuwe versie, verdwijnen tot verdriet van velen, Guerlains twee ‘oude’ petites robes noires.
RUIK & VERGELIJK
Moet je wel zoeken op het internet. En is intenser dan La Petite Robe Noire. Sterker, een echte floriental. Ga maar na, de opening: cyclaam, koriander, gember, jasmijn en abrikoosbloesem. Hart: gardenia, ylang-ylang, pioenroos. Basis: sandelhout, tonkaboon, musk, Japanse pruim.
Avon Little Black Dress (2001)
En wat gourmandfeel betreft – kers, zoethout – doet me de geur ook sterk denken aan:
Ze staat bij een schaakbord. Speelt niet mee zo te zien. En draagt zowaar meer dan alleen lingerie. De witte koningin – is zij het? – staat ‘even ver’ van de witte en zwarte koning. Het is een kwestie van één zet die bepaalt of ze een van de koningen krijgt, schaakmat zet. Of slaat mijn fantasie nu op hol? De promotieclip toont een ander beeld. Helemaal Agent Provocateur dat wel. Bloedmooie vrouw laat, na zo te zien een broeierige nacht te hebben beleefd, haar hond uit in – afgezien van haar korte jas – slechts luxe lingerie van Agent Provocateur.
Cliché, maar aangenaam cliché. Agent Provocateur weet dat het een droom verkoopt. Beetje kinky, beetje slutty, maar toch beantwoordend aan de ‘alternatieve’ goede smaakcodes. En dat is toch het mooie aan Agent Provocateur: het merk blijft zichzelf serieus nemen, zorgt het ervoor dat zijn exclusieve status die het geniet, gehandhaafd blijft. Dat ruik je ook aan de geuren. Die zijn niet makkelijk en crowd pleasing. Dus geen bakken met rood fruit in de opening, geen onbestemde bloemensfeer in het hart afgerond met een overdosis frisgewassen witte musk in de afronding.
L’Agent Provocateur geeft zijn klanten en fans als het ware les in parfum, laat ze op eigenzinnige en moderne wijze kennismaken met klassieke parfumconcepten. En hierdoor leer je geleidelijk aan de achterliggende gedachte en sensaties van geuren te begrijpen, leer je dat geur meer is dan alleen maar een ‘lekker luchtje’. De ‘moeilijkste’ les geeft het merk nu met L’Agent – een duistere, sensuele en oriëntaalse geur die een heel parfumparcours op de huid aflegt voor het tot rust komt. L’Agent is daardoor ook een geur die je de tijd moet geven, tijd om hem te begrijpen. En dat geduld loont zich. Sterker, L’Agent overtuigt mij meer dan veel recente geuren van nichemerken die vaak de hemel beloven en bestormen, maar vaak niet verder reiken dan een paar meter boven de aarde.
WAT RUIK IK EIGENLIJK?
L’Agent opent niet klassiek fris. In één keer maakt zich een donkere wolk vrij waaruit eerst een prachtige pittig-zoete blend van roze peper, geranium, rozenhout en engelenzaad druppelt waarachter een bijna over the top opulente bloemenweelde van meiroos, sambacjasmijn, tuberoos, ylang-ylang en osmanthus schuilt. Interessant is toevoeging van davana-gras: die geven deze bloemen een licht-fruitige ondertoon zonder – gelukkig! – gourmand te worden.
Ze bloeien in een zonovergoten tuin ergens in Arabië waarvan de aarde is doordrenkt met zwoele, donkere en beetje kleverige noten van amber, sandelhout, tonkaboon, cistus labdanum, mirre, wierook (foto) en dierlijk musk. En die geven samen aan de sterke patchoeli-noot een koffie en chocoladeachtige nuance zonder – gelukkig – gourmand te worden. Ruik je heel lang door, dan lijkt het of je hierdoor Thierry Muglers Angel (1992) herkent, maar dan gesmoord in wierook en mirre. Erotisch zonder plat te worden. Net zoals de lingerie van Agent Provocateur.
Er wordt ook melding gemaakt van het toevoegen van feromonen. Ik weet het niet. Dat wellicht je erotische gevoelens worden versterkt met L’Agent komt volgens mij eerder op conto van de combinatie van de sensuele tuberoos, ylang-ylang, osmanthus en sambacjasmijn. Die hebben ieder op zich een animaal component die zich in L’Agent zeer duidelijk manifesteert.
Ik las het voor de eerste keer een jaar geleden met de lancering van Acqua di Parma’s Gelsomino Nobile: dat de Medici-familie de jasmijn in Italië introduceerde. Werd niet vermeld door welk lid en in welk jaar. Bvlgari beweert het nu ook. Alleen is het persbericht van Mon Jasmin Noir L’Eau Exquise iets specifieker: in de Boboli-tuinen (bij het Pitti-paleis) in Florence.
Maar ook hier geen familie- en jaartalvermelding. Ben me er weer – even – verder in gaan verdiepen. In het standaardwerk Perfumes, Cosmetics and Soaps: The Production, Manufacture and Application van William Arthur Poucher, lezen we op pagina 111 dat een ‘zekere’ hertog van Toscane – ook hier geen naam en jaartal – de eerste bezitter was van de jasmijnplant (van wie hij die had gekregen of gekocht is onbekend), maar dat zijn tuinman er mee vandoor ging.
Waar naar toe: wordt niet vermeld. Hier komt Ernest Parry te hulp. Uit zijn boek Cyclopaedia of Perfumery (1925) wordt duidelijk dat deze tuinman niet de hele plant meenam, maar slechts een bosje jasmijnbloesems voor zijn vriendin als verjaardagscadeau. Zij was zo onder de indruk van de nieuwe geur dat ze door zorgvuldige cultivatie dit boeketje wist uit te dijen tot jasmijnplantages waarmee ze een fortuin verzamelde. En geloven we dit? Nee. Wel: twee prominente Medici’s – kardinaal Giovan Carlo (1611-1663) en groothertog Cosimo III (1642-1723) – hadden in de tuinen van villa Castello (in de buurt van Florence) verschillende jasmijnvariëteiten (gekweekt in kassen), waaronder de zoetst ruikende, genaamd Granduca di Toscana. Maar dat is wat anders dan introduceren.
In ieder geval: ‘Over grenzen van ruimte en tijd heen heeft Bulgari deze bloemen gevangen in een origineel en lumineus parfum dat doet denken aan geurige watervallen van jasmijn, schitterend in de zon als een kantwerk van de natuur. De transparante noten roepen de frisheid van weelderig groene labyrinten op en de zinderende akkoorden weerspiegelen de bruisende vitaliteit van klaterende fonteinen’. En: L’Eau Exquise onthult de levendigste kant van Mon Jasmin Noir, een exuberante luxe die in deze eau de toilette zijn zuiverste expressie vindt, een arabesk van uitgelezen, delicate aroma’s die door het licht van het weelderige mediterraanse landschap zweven’.
Let op de bodem van de flacon: door de eau fraîche heen zie je ‘een transparant kantwerk van jasmijnbloesem dat de subtiele textuur van een juweel oproept’. En het zachtgroene organzalint ‘anticipeert op de delicate frisheid van het parfum’. Maar dat is volgens mij zwart.
WAT RUIK IK EIGENLIJK?
Een geur vergelijken met een labyrint spreekt altijd tot de verbeelding. Geldt ook voor waterval en arabesk. Alleen dit allemaal in één geur vind ik een beetje te veel van het goede. Met name omdat Mon Jasmin NoirL’Eau Exquise in feite een eenvoudig, verfrissend jasmijnwater is. Wel goed gedaan, maar ik verwacht niet anders van Bvlgari. Noblesse oblige. De opening: een waterval waarin roze grapefruit en groene amandel (dat zijn dus onrijpe en die ruiken volgens mij niet echt) rondspartelen… die in zijn verdere val Spaanse jasmijn (moet dat niet jasmijn uit Spanje zijn?) en sambacjasmijn (foto) ontmoet al wiegend in theeblaadjes (denk jasmijnthee). Kortom een en al bloemige en zonnige frisheid die een zekere sillage krijgt in de basis met ‘kostbare houtakkoorden en intense accenten van witte musk’.
RUIK & VERGELIJK
Jasmijn wordt in negen van de tien gevallen in geuren gecombineerd met roos om het te voorzien van een klassiek-bloemig gevoel. Puur jasmijn en dan ook nog eens wordt ondergedompeld in frisse en zonnige nuances, is redelijk nieuw. Afgezien van hedione (waterjasmijn) dan. Nog meer zonnig jasmijn ‘recent’ gevangen in een flacon:
KLASSIEK, ELEGANT EN BESCHEIDEN ZOALS HET BLOEMETJE ZELF
EN: PRETTIG GEPRIJSD VOOR ‘ZIJN DOEN’
Jaar van lancering: 1899, 1991
Laatst bijgewerkt: 21/06/12
Neus: onbekend
Ik heb het al vaker geschreven: ik heb iets met Roger & Gallet. En dat komt met name door prijs-kwaliteitsverhouding: je krijgt – meer dan – waar voor je geld. Ik heb ook iets ‘minder’ met een van de oudste parfumhuizen: er blijft zo weinig van hun rijke geschiedenis over. Na elke restyling, wordt het allemaal nog soberder en het aanbod beperkter.
Iets van zijn oude glans zie je dit jaar terug: want om te vieren dat het huis 150 jaar bestaat (in feite werd in het 1806 door Jean Marie Farina opgericht en in 1862 overgenomen door Armand Roger en Charles Gallet) presenteert het drie geuren – Fleur d’Osmanthus (2011), Bois d’Orange (2009) en Eau de Cologne Jean-Marie Farina (1806) in de moderne adaptie van de flacon ‘rouleau de l’empereur’. Jammer dat Roger & Gallet op de homesite niet precies uitlegt wat dat betekent. Het was een flacon die Napoleon – een fervent gebruiker van de eau de cologne van Jean-Marie Farina – en andere militairen te paard uit het Franse leger die ten strijde trokken in de schacht van hun laars stopten om bij en tijd te genieten van cologne die door zijn hoge alcoholpercentage ook dienst deed als ontsmetter van wonden.
Eau de Cologne Jean-Marie Farina is trouwens gebaseerd op de eerste Franse eau de cologne waarmee Jean-Marie Farina wereldberoemd werd (een verhaal op zichzelf). Het zou ook leuk zijn – ik zie het niet gebeuren – dat Roger & Gallet (sinds 2008 onderdeel van L’Oréal) door de aanhoudende vintagetrend besluit oude parfums opnieuw te lanceren. Daar zitten juwelen tussen. Sterker: Roger & Gallet stond wat presentatie, poëzie en parfum betreft voor de Tweede Wereldoorlog op één lijn met Guerlain, Caron en Lubin. Misschien zit Lavande Royale er dan ook bij in zijn vintage-flacon, want deze geur stamt al uit 1899 en werd in 1991 opnieuw geformuleerd.
Lavendel… je houdt er wel of niet van. En je hebt pure lavendelgeuren in alle maten en soorten. Opvallend: kent haast geen vertegenwoordigers in het middensegment. Alleen bijna voor de geef (Eau de Lavande van Mont St Michel of de op vakantie gekochte lokale varianten op markten in de Provence) of alleen luxe (Pour un Homme van Caron uit 1934) of super luxe: Un Brin de Réglise (2007) van Hermès, Chanels Yersey en Tom Fords Lavender Palm (beide 2011). Lavande Royal is eigenlijk de enige middenklasser lavendel.
En doet precies wat een lavendelgeur moet doen: verfrissing en een schoon en clean gevoel schenken, want daarmee wordt dit kruid het meest mee geassocieerd. Het ‘dankt’ zijn naam aan de gewoonte bij de Oude Romeinen om lavendel in het bad te gebruiken vanwege de geur: lavare (baden), lavendel. Maar hoe ruikt lavendel eigenlijk: zoet, zonnig, droog, schoon en met een lichte etherische toets. En dat ruik je ook in Lavande Royale alleen…
WAT RUIK IK EIGENLIJK?
…. het moet gezegd: de huidige versie ruikt minder vol en ‘royaal’ is. Minder paars als het ware. Meer schoon als het ware. Maar als je hem naast Yersey van Chanel legt, dan ervaar ik bijna geen verschil. Wat zoeter, bloemiger misschien. En dat is ook eigenlijk het ‘probleem’ van een pure lavendelgeur… je kunt er niet al te veel mee spelen. Alleen moet je wel meer dan alleen lavendel gebruiken om tot een pure lavendel te komen.
Je kunt haar droog, zoet of aards laten ruiken. Lavande Royale kiest voor de zoete benadering. Dus een fruit-zoetige opening van sinaasappel en mandarijn, maar heel lichtjes gedoseerd want direct ruik je de lavendelvelden van de Provence waarvan de frisheid wordt ondersteund door geraniumblad en de zoetheid vooral in de basis.
Veel witte musk dus (die het schoon gewassen-gevoel versterkt), ondersteund door benzoïne, vanille en eikenmos die het eigenlijk het moet afleggen tegen de musk. Wat na verloop van tijd opvalt het zonnig-droge cederhout dat hier – heel opvallend – aan de geur van net geslepen potloden doet denken. Klassiek, elegant en bescheiden precies zoals het bloemetje zelf.
RUIK & VERGELIJK
Er zijn weinig lavendelgeuren die zich als typisch mannelijk en typisch vrouwelijk presenteren.
EEN FRISSE VOORJAARSWIND WAAIT DOOR DE HAREN VAN LADY MILLION
Jaar van lancering: 2012
Laatst bijgewerkt: 20/06/12
Neus: Anne Flipo
Model: Dree Hemingway
Flaconontwerp: Noé Duchaufour-Lawrance
Promotieclip: Johan Renck
Fotografie: Nathaniel Goldberg
Music: Chemical Brothers
Je zult haar maar op straat tegenkomen in haar Jaguar E terwijl Lady Million (Dree Hemingway) wacht op groen en naar je lacht. Wat doe je? Want ze is ‘gedurfder, vastberadener dan ooit en nog altijd even onvoorspelbaar’. Durf je een praatje met haar aan te knopen? Pas dan wel op, want ‘als onafhankelijke vrouw staat zij haar mannetje zonder haar vrouwelijkheid te verliezen’. Sterker, ze is femme fatale gelijk een Hitchcock-blondine met jaren vijftig Hollywoodglamour: Tippi Hedren, Grace Kelly, Kim Novak. Grote kans dat ze beleefd nog een keer teruglacht, want Lady Million heeft wel andere dingen aan haar knappe koppie. Ze is namelijk nog steeds in gevecht met 1 Million (Matt Gordon). Maar doet dat natuurlijk met ‘een mix van uitdaging en humor en gespeelde rivaliteit. Ze staan oog in oog met elkaar op het speelveld waar fantasie en verleiding elkaar ontmoeten. Het verhaal zet zich voort, de competitie stijgt naar een hoogtepunt…’
Het verhaal van Lady Million is anders, omdat de geur anders is. Een verschil tussen avond en dag. Is het eau de parfum misschien eerder geschikt voor de avond, de eau de toilette meer voor overdag. Daarom draagt ze nu geen metalen vintage -geïnspireerd couturejurkje van Paco Rabanne, maar eerder een setje dat afkomstig lijkt uit de boetiek van Hermès. Opvallend: nog nooit werd een Paco Rabanne-geur zonder zijn typische handtekening gepresenteerd. Hoe zal de couturier in ruste het zien… of vertelden de sterren hem of toonden de kaarten dat het goed was… Maar de echte publiciteitsfoto laat Dree weer in een moderne interpretatie van een klassieke maliënkolder-jurkje van Rabanne zien. Wel zullen het maar op de diverse facetten houden van de geur en draagster.
WAT RUIK IK EIGENLIJK?
Net zoals een diamant is deze de eau de toilette ‘extravagant, duizelingwekkend en gefacetteerd’ door Anne Flipo omschreven als een houtachtig fris bloemenboeket. Flipo: ‘De Lady Million-vrouw is briljant en altijd klaar om te verleiden, een gokje te wagen en de competitie aan te gaan.
Deze elementen vinden je terug in de geur. En net als een diamant, heeft de eau de toilette verschillende facetten waardoor je die telkens anders beleeft’. Veel overeenkomsten zijn er wel met het eau de parfum (aangegeven met een *): het is vooral de opening die een andere draai aan de geur geeft en voor bries zorgt die je de hele geur door blijft ervaren. Het resultaat: een mooie geur die elegant-fris opent met neroli* en groene ‘krokante’ lelietje-van-dalen (foto), die strijden volgens de neus met elkaar om sensualiteit en stralende frisheid.
Goed omschreven. Want dat gebeurt inderdaad, want neroli is de pure essence van oranjebloesem en dat kan heel zwoel ruiken.
Maar het meiklokje wint het toch omdat ze in het hart aansluiting zoekt met de al even frisse hyacint. De indruk: je ruikt het voorjaar en dat genot houdt behoorlijk lang aan. Gardenia* zorgt voor een fluweelzachte ondersteuning die langzaamaan voller wordt met patchoeli* en amber* ondergedompeld in een honingnuance*. Het leuke: dat van die facetten klopt; als je je er op concentreert dan kun je alle bloemen stuk voor stuk waarnemen.
RUIK & VERGELIJK
Toch maar die ene. Kun je goed ervaren dat ook oranjebloesem alleen al zich ook heel gefacetteerd kan ontplooien:
Eau de colognes en noordelingen: het blijkt en blijft een moeilijke combinatie. Hoe chill je het ook presenteert, voor velen zit er toch nog steeds een te ouderwets aandoend etiket opgeplakt. Neem de colognes (splashes) van Marc Jacobs – de teller staat inmiddels op 22 stuks. Modern qua uitstraling (hoewel heel erg à la Chanel) en inhoud (klassieke ingrediënten vermengd met onder meer zuurstok, gemberkoek, komkommer, tuinboontje), toch bleken ze niet écht succesvol.
Zou het dan toch met de prijs te maken hebben? Want voor colognes van klassieke en ‘moderne’ leveranciers betaal je de volle mep.
Of toch niet? Kwestie van rekenen. Voor een 300 ml van Marc Jacobs betaalde je rond de € 63,00. 100 ml niet duur dus omgerekend. Alleen dit jaar levert hij ze nog alleen maar in 100 ml. Richtprijs aanzienlijk hoger: € 45.00. In vergelijk zijn de colognes – overkoepelende naam: Eaux de Provence – van L’Occitane écht voor de geef. 300 ml: € 48.00. Voor 50 ml betaal je verhoudingsgewijs wel veel: € 27.00. De boodschap van L’Occitane is duidelijk: koop de 300 ml. Logisch, want zoals bekend verondersteld, moet je in het gebruik niet zuinig zijn. Het gaat om die kortstondige, verfrissende en beetje ‘schurende’ sensatie die je door de hoge concentratie aan citrusvruchten en dito concentratie snel vervliegende alcohol in L’Eau Ravissante, L’Eau Universelle en L’Eau Captivante beter ondergaat dan in de colognes van Marc Jacobs.
L’Occitane liet zich inspireren door de geuren van de Provence én de frisheid van de klaterende fonteinen in de zomer aldaar. En het visgraatmotief op de flacon door de op uit steen gehouwen kolommen van deze fonteinen. De naam van deze eerste collectie eau de colognes van L’Occitane is geschreven in het lettertype Avignon waarmee het naar de smeedijzeren wegwijzers in dorpen van de Provence verwijst.
Gebruikerstip: vind je het zonde om zo’n fles over je lichaam te splashen, pak een washandje hou dat onder een ijskoude kraan, wring het uit en giet hier vervolgens – rijkelijk! – de eau de cologne op. Wrijf die over je gezicht en lichaam als je behoefte hebt aan verkoeling.
WAT RUIK IK EIGENLIJK?
Qua naam wel afgekeken van Maison Francis Kurkdjian Eau Universalis (2009) is L’Eau Universelle zoals de meeste colognes gedragsneutraal. Dit zegt L’Occitane: ‘Indien frisheid een huwelijk was, dan zou het deze combinatie van citrusvruchten zijn’. Ofwel een enorme sprankeling van bloemig-fris bergamot en citrus-fris grapefruit. Hieraan wordt groen en knisperend fris geraniumblad toegevoegd. Dit alles wordt vastgehouden door niet nader omschreven houtsoorten. Simpel zoals een klassieke cologne hoort te zijn.
‘Indien frisheid een vrouw was, dan zou ze buitensporig en elegant zijn’. Is dat zo? Anyway, L’Eau Ravissante is een klassiek rozenwater, minder roosachtig ruikend, gezien het omringd is (met niet nader omschreven) witte bloemen. Ik denk het lelietje-van-dalen en jasmijn. Voor een cologne heeft het een ongebruikelijke licht-sensuele afronding. Komt door amber en witte musk. Deze versie heeft de minste ‘cologne-bite’.
En L’Eau Captivante wordt omschreven als ‘mannelijk, aromatisch en stimulerend’. Maar laatste geldt in principe voor alle colognes. L’Occitane: ‘Indien frisheid een kleur was, dan zou het de kleur zijn van de aromatische planten uit de Provence: groen dus met een waas van paars die refereert aan lavendel. Maar dit klassieke en mannelijke cologne-ingrediënt schittert als het ware door afwezigheid.
Ook hier weer een citrusfrisse openingsgolf van bergamot en limoen die een groene ondersteuning krijgen van een ‘typisch’ mannelijke kruid – munt – en het kruid dat nu ook bijna elke Noord Europese keuken heeft veroverd: basilicum. Lekker frisgroen, lekker groenfris en wat mij betreft niet echt mannelijk. Ook hier weer verankerd door niet nader omschreven houtsoorten.
RUIK & VERGELIJK
Colognes zijn niet hetzelfde als zomergeuren. Dat zijn dus vaak eau de toilettes en missen die typische instantfrisheid. De oogst dit jaar is karig. En sommige zijn, hoe koud ook geafficheerd, eigenlijk geen colognes. Zoals dit jaar:
Yves Saint Laurent L’Homme de la Nuit Frozen Cologne (2012)
Dit jaar:
Marc Jacobs – Tropical Splash Collection – Hibiscus (2012)
Marc Jacobs – Tropical Splash Collection – Kumquat (2012)
Marc Jacobs – Tropical Splash Collection – Rain (2012)