De ex-vriendin van een tijdens corona, maar niet door corona overleden zwager, was een paar dagen op bezoek. Ze is begiftigd met een zeer goede neus en neemt altijd de tijd om een of twee geuren die her en der door het huis staan te proberen; te onderzoeken. En brengt vervolgens verslag.
Ik was nogal stupéfait toen ze Luca Altrevido (uit 2021) van Cosmétiques Design Paris (waar dit merk precies is gesitueerd en wat het exact doet wordt niet duidelijk op www) ruim complimenteerde. Ik zelf had de geur eigenlijk geen blik waardig gegund.
Hij was onderdeel van een (teleurstellende) ruil die ik een paar jaar geleden via Marktplaats (eens maar nooit weer) had gedaan. Paar keer aan geroken en dacht: weer zo’n goedkope net niet oudh of iets met wood, weer zo’n geur die je even een niche-feel geeft, maar weldra verdwijnt in een nietszeggend iets. Met andere woorden een vage, cliché-stoere, testoronaanjagende manosfeer-geur.
Ze zei: ‘Grappig. Stoer en toch chic. Lekker warm’. Ik dacht: ‘Zou ze al een lichte vorm van dementia precox leiden? Toch maar weer eens proberen. En verdomd. Over mijn vooroordeel stappend – moeilijk; had Luca Altrevido inmiddels tot wc-eend gedegradeerd – rook ik ook meer.
Wel moeilijk om echte finesses te ontdekken: de geur komt als ontplofte deur (trending topic afgaande op Opsporing Verzocht) binnen. Pats! Boem! Zoek dekking! Synthetische ambergrijs in overload in de aanval.
Maar dan, heel langzaam, als het stof is nedergedaald, ruik ik een soort van citrus-vrije frisheid. Groenig. Moet kardemom met groene thee zijn. Dan: op een zeer sterke houtbasis (meer cederhout dan vetiver) vindt een transformatie plaats: van cliché stoer naar stoer-zwoel. Lots of vanille, lots of tonkaboon zonder dat het hout en de ‘mannelijkheid’ verdwijnt. Met dank aan een ‘scheut’ leer. Dit zorgt echter niet voor gelaagdheid, Luca Altrevido blijft erg horizontaal: ‘this is what you smell, this is what you get!’
Maar toch, ik maak het niet vaak mee dat een geur uit het ‘illegale’ circuit – ik vermoed dat het een dupe is, maar vindt niets op www – zo lang blijft hangen. Blind zou ik de geur als niche categoriseren, maar dan wel alledaags en voorspelbare mainstream-niche dat eigenlijk geen niche is, maar klanten het wil laten doen geloven door de smaakvolle geleverde toeters en bellen van het alsmaar om zich heen grijpende marketingmonster.
Er speelt voor mijn gevoel een bewuste aangevoerde oorlog plaats as we speak. Nee, niet een van de vier – of waren het er nu vijf? – op het wereldtoneel. Nee, de strijd waar ik op doel woekert op de socials: echt versus nep in de luxesector. Onlangs een hot topic en dus veel gedeelde post: een Chinees atelier waar bijna niet van echt te onderscheiden Kelly’s en Birkins – voor de onwetenden: klassieke Hermèstassen – werden gemaakt. In no time, soort van lopende band werk.
Consternatie alom. Vooral bij consumenten die zich een, twee of drie of nog meer (wachtlijst ammehoela!) van de real ones kunnen veroorloven. Er is volgens mij geen ‘officiële’ reactie van Hermès gekomen, die naar het schijnt – dat dan weer wel – mensen in dienst heeft die 24/7 zoeken naar de bron van deze nepproducenten.
Ik snap de drukte van de luxemerken niet (Hermès is niet de enige). Maar het is natuurlijk vergeefse moeite. Stop met de gespeelde verontwaardiging en zorg ervoor dat je producten maakt die niet een, twee, drie door een achteraf-atelier zijn te kopiëren. Met andere woorden: doe iets meer moeite om je uitzonderlijkheid te bewijzen en je miljardenwinsten te ‘verantwoorden’, zoals dat een tijdlang vanzelfsprekend was. Maak geen collecties geïnspireerd op street wear, sport, het leger en andere bij de massa-is-kassa-klant al zo lang vanzelfsprekende stijlen: gooi je je eigen ruiten mee in.
Wat geuren betreft: daag als opdrachtgever neuzen uit zodat die weer gaan creëren, grenzen op zoeken en verwarring losmaken. Geen inwisselbare ‘luchies’ die ook door kunstmatige intelligentie ‘gehatseflast’ kunnen worden.
Barénia is dus een voorbeeld hoe het dus moet. De naam ‘verwijst naar een specifiek type hoogwaardig, soepel kalfsleer, geproduceerd door Hermès, bekend om zijn gladde textuur en unieke geur, vaak gebruikt in zadels en andere luxe-artikelen’. Ik had er nog nooit van gehoord en het is onmogelijk er ‘buitenom’ Hermès meer over te komen weten. Of je moet scrollen tot je een ons weegt – doe ik niet – omdat Google barenia-leer alleen nog maar koppelt aan het luxemerk (vernauwing van algemene kennis so to speak).
De opening zet je in ieder geval op het verkeerde been: een ‘retro’-citrussprankeling die doet denken aan een Guerlainklassieker – bergamot. ‘Nou, is dat alles’, denk ik in eerste instantie. Maar dan begint de ‘verwarring’. Barénia begint te ademen, onherkenbare noten maken zich vrij. Mijn eerste notities: groen, groente, fris, ijl, alg, kruidig (peper), aarde. Een soort zanderige, vochtige, kiezelstenen oprijlaan waarover het leer wordt gerold.
De frisse opening blijkt toch nèt weer anders als je doorsnuift. Komt op conto van de mirakelbes (voornamelijk gebruikt als zoet-en smaakstof voor dranken en voedingsmiddelen). Om de geur niet al te vreemd te maken, volgt een beetje een cliché-verleiding met bloemen. Hiervoor geplukt de witte gemberlelie – daar kan ‘iedereen’ zich wel iets bij voorstellen als je het in de parfumerie uitlegt. Frisbloemig met prikkelend-kruidige ondertoon.
Dan meer duidelijkheid. Ik ruik op de achtergrond hout met een duidelijke patchoeli-structuur. De geur wordt als een chypre omschreven. Maar dan wel 2.0. Want het klassieke bosgevoel – eikenmos, cistus labdanum – is vervangen door een groene, bruinige sfeer. Geldt ook voor de sensualiteit. Ook hier niet de klassieke harsen gelardeerd met vanille.
Gemberlelie
Het lijkt wel of de neus, Christine Nagel, een voorschot op de toekomst neemt – tekorten van natuurlijke ingrediënten dreigen op te lopen gezien de klimaatverandering – door inspiratie uit ‘nieuwe’, natuurlijke ingrediënten – gemberlelie, mirakelbes – te halen die ze synthetisch vertaald in haar geuratelier.
Dat geldt ook voor leer: dat je sowieso synthetisch moet omzetten; de geur kun je niet uit het leer zelf halen. In dit geval dus barenia-leer, dus kalfsleer. Volgens Christine Nagel ruikt dat dus zacht, huidachtig en een beetje stroef. Althans dat is wat ik ruik.
Door alle ingrediënten heen ervaar je een aangename warmte, huidwarmte zoals je wilt. Met toch een ‘vreemde’, ongewone minerale toets. Mooi, modern en elegant, zoals de klassieke Hermèsklant, niet de zelfbenoemde influencers die Tiktokkend hun Kelly- en Birkincollecties (wachtlijst ammehoela!) tonen.
Barénia is geen crowdpleaser, geen ‘een-twee-drie-klaar’-instantparfum. Je moet er moeite voor doen hem te begrijpen. Het is alleen de vraag of de gemiddelde klant hiervoor nog geduld heeft, gezien de gewenning van haar aan de doorsnee geleverd door de parfumerieketens. De niche-gebruiker daarentegen zal niet teleurgesteld zijn, of eerder verrast: het had ook een ‘Hermessence’ kunnen zijn.
Wat mij betreft in ieder geval qua flacon, want die vind ik wel erg kinderachtig en ‘kermis-blikkerig’ met die studs. Waarom de flacon niet in leer gewikkeld zoals de armbanden en/of hondenbanden op de foto? Zal wel weer te duur zijn. Het model kijkt trouwens erg ontevreden níet de camera in. Lachen blijft nog steeds verboden in de luxebranche, terwijl het vaak een grote komedie is.
Parfumcliché: geurgeluk ligt soms in een klein hoekje. In mijn geval letterlijk: gevonden tijdens de opruiming van mijn geuratelier: een mini-flaconnetje (toch nog 7,5 ml) van Yves Rochers Néblina (nu aangeboden voor rond € 15,00 op Etsy, 50ml voor rond € 100,00). Gelanceerd in 2000.
Mijn gevoel (en een soort van afgaande op de flacon; in de zin hier is aandacht aan besteed ook al valt over de esthetiek te discussiëren) zei: dit moet een goede geur zijn. Groen. Niet te veel fruit. Fris. Wat zoete bloemetjes op mooi, stabiel houten fond. Trouwens: Yves Rocher maakt sowieso goede geuren; perfecte kwaliteit-prijsverhouding.
Zit er niet ver naast blijkt. Ben eigenlijk met neus in de boter gevallen. Want de geur is gemaakt door niemand minder dan – dat zeg je dan – Sophia Grojsman. Introductie overbodig. Voor de onwetenden: zij is ook de vrouw achter – nu volgen een paar van mijn favorieten van haar hand: Prescriptives (nu Clinique) Calyx (1987), Estée Lauder Spellbound (1991), Yves Saint Laurent Yvresse (1993), Karl Lagerfeld Sun Moon Stars (1994), Céline Magic en Laura Biagiotti Soto Voce (beide 1996). Haar meest recente bijdrage: Outrageous Frédéric Malle (2007).
Nog een door mij gebezigd cliché: geuren gemaakt door het prestigesegment voor en rond 2000 hebben vaak een niche-allure zonder dat het de bedoeling was omdat niche nog niet tot deze afdeling was doorgedrongen. Uitgangspunt: mooie geuren maken zonder dat marketing en kostenexperts al te veel over de rug van de neus meekijken.
Grosjman beklaagde zich er eens in een interview over in 1992 (Women’s Wear Daily): ‘Vroeger was parfum maken een kunst, nu is het business. Iedereen wil direct succes. Geuren worden getest door focusgroepen, waardoor de kans op ongewone geuren kleiner wordt’. Ik geloof dat Grosjman het meest uit een idee/voorstel/opdracht wist te halen, ook al waren de financiële middelen (lees: ingrediëntenbudget) beperkt. Ze was van alle markten thuis. Van verfijnde niche tot massaentertainment.
Néblina valt in laatste categorie maar kan ook doorgaan voor de eerste – waardoor het een ongewone geur is met die typische Grosjman-touch. Fruitige noten in de opening (abrikoos, sinaasappel), volle bloemenexplosie in het hart (orchidee, witte bloemen, viooltje), krachtige basis (groen gras, houtachtige noten, eikenmos).
Opvallend: het lijkt wel of de geur zich in eerste instantie omgekeerd manifesteert. Eerst ruik je groene noten (vers geknipt gras-effect) en houtachtige nuances voor het fruit zich meldt. In dit geval fluweelzachte abrikoos zoet gemaakt door sinaasappel die de witte bloemen streelt. Vervolgens gaan ze allemaal met elkaar spelen – telkens springt er weer een noot uit – om weer groen, coumarine-achtig te eindigen. Interessant: hoe duidelijk het eikenmos blijft resoneren. Ongewoon voor een massamarktgeur.
Er verscheen ook een nachtversie: La Nuit de Néblina, merkwaardigerwijze een jaar eerder. In een flacon (foto hieronder) die iets meer tot de verbeelding spreekt. Néblina betekent trouwens mist. Hierdoor kun je de geur wéér anders ervaren.
VINTAGE SOLIFLORE: GEEN GARANTIE VOOR UITZONDERLIJKHEID
TE CHLOÉ- EN TE CÉLINE-ACHTIG
Waarom ik Le Galion zo’n prettig parfumhuis vind? A: de geschiedenis, b: de humor, c: de presentatie en d: de aan de naam gekoppelde faam. En niet te vergeten hun vroege slimme gevoel voor marketing (lees hier voor een aantal van mijn recensies op deze blog). Zo deed Le Galion tot mijn verbazing al in 1950 aan product placement.
In de nu nog steeds memorabele film All About Eve (1950) zie je de protagonisten – waaronder Bette Davis, Ann Baxter en Gary Merill – op een gegeven moment aan tafel in een chic nachtetablissement. Met op die tafel een sigarettenstandaard met daarop het logo van Le Galion. Zegt iets over de reputatie die het toen had – chic de Paris.
Het huis sloot ooit zijn deuren, werd ooit heropend (zie mijn recensies). Blij mee! Alleen het ‘probleem’ in deze (iets wat eveneens geldt voor andere gereanimeerde huizen): het is moeilijker om voormalige soliflors uit de oorspronkelijke collectie in hun originele olfactiefe staat voor het voetlicht te brengen dan hun echte klassiekers van naam.
Want: onmogelijk. Redenen: sommige ingrediënten mogen niet meer gebruikt worden. Door de veranderende bodemgesteldheid, oogsttechnieken en verwerkingsprocessen (enfleurage toen, hydro-destillatie nu) ruiken ingrediënten anders dan voorheen, subtiel die verschillen daardoor maar toch.
En, niet onbelangrijk, de ‘angst’ van de nieuwe eigenaren dat ‘een nieuwe generatie’ de oude formules niet begrijpt, ‘te moeilijk’, ‘te stoffig’ en ‘te oma-achtig’ vindt, waardoor die ‘aangevuld’ worden met ‘hippe’ en ‘eigentijdse’ ingrediënten.
Dat maakt Tubéreuse wel duidelijk. Ik kan me niet indenken dat de huidige versie (2014) enige overeenkomst vertoont met het origineel uit 1937. Die moet toen voller, ‘boteriger’ en geiler hebben geroken. Vergeet niet, parfum was toen echt nog een elitair ding en was een toonbeeld van smaak (hoe snob dan ook) als je een duidelijk, uitgesproken parfum droeg. Vergeet niet: de Chanel N° 5-versie uit 1921 ruikt echt anders dan wat je nu gewend bent. Ik denk dat de 1937-editie (wishful smelling) eerder lijkt op die van Annick Goutal (1986) – ook wel bekend als de G Spot-fragrance.
Je ervaart de moderniteit, het nieuwe direct in de opening: je moet eerst door een groene plensbui op basis van mandarijn, galbanum, peer en roze peper heen. Leuk weetje: in 1937 werden de laatste twee nog niet gebruikt. Peer was toen nog niet synthetisch gekopieerd, roze peper nog niet ontdekt.
En dan ‘eindelijk’ iets dat op tuberoos lijkt, die zich alleen niet onderscheidt van de ‘getemde’ tuberozen die je de laatste jaren in het prestigesegment te veel kon ruiken. Met als ‘excuus’ dat een nieuwe generatie de ware aard van deze bloem te gevaarlijk, overrompelend vindt. Bla-bla-bla.
Hier wordt ze getemd door oranjebloesem, roos en framboos (dat toen als geur ook nog niet bestond). De afronding: tja. Braaf-sensueel een beproefde combi van cederhout, amber en musk.
Dan Iris. Ook in 2014 opnieuw in de markt gezet. De homesite schrijft: ‘In 1937 was Le Galion een reeds gevestigd huis, waardoor Paul Vacher (de neus en een van de oprichters én maker van Arpège en Miss Dior) meer experimentele ideeën kon uitproberen. Hij begon te werken aan soliflore-variëteiten. Als knipoog naar de art-decoperiode, beeldhouwde Vacher deze iris in een symmetrie van mimosa en galbanum’. Oké.
Niet oké de uitsmijter: ‘Le Galion werd daarmee een referentie in de Franse parfumerie, met oog voor kunst en een tijdsgeest’. Snap ik niet. Ik krijg het gevoel dat er te veel op de productiekosten is gelet, dan de ambitie een fotokopie van het origineel te maken.
Als je over iris als soliflore praat, dan raken Serge Lutens met Iris silver Mist (1992) en Hiris van Hermès (1999) eerder de essentie van deze gefermenteerde wortel: aards, groen, fris met een moeilijk te definiëren, raadselachtige bloemigheid die zich lijkt te verstoppen in zijn poederigheid.
Voorwaar, de symmetrie van Iris is aantrekkelijk. Wat een originele visie op ingrediënten! De poederige zonnigheid (met groene ondertonen) van mimosa en intens groen-prikkelend galbanum koppelen aan de klassiek-poederige noten van de iris, laat die anders resoneren. Maakt haar minder ‘vrouwelijk’, minder boudoir.
Maar had van mij wat sterker gemogen. En de klassieke spray in de opening van bergamot en citroen is eigenlijk onnodig; vraag me af of die te bespeuren was in de vintage-versie. Ook jammer: die niet-vrouwelijkheid wordt weer tenietgedaan door roos. Daarna wordt hoog opgespeeld met ambrette die ‘als musk werkt en een zijdezachte laag over de gehele geur legt’. Maar, dames en heren, wel een heel matte, brave ambrette.
Eindconclusie: het was misschien beter geweest wanneer deze twee aangenaam-brave geuren als nieuw waren gelanceerd. De verwachtingen waren hierdoor minder hoog geweest omdat het referentiekader van de geschiedenis en storytelling ontbreekt. Wat me ook stoort is de prijs. € 200,00 per 100ml. Daarvoor zijn ze te mainstream, te, hoe zal ik het zeggen, te Chloé- en te Céline-achtig.
Toch even naar de site gegaan. Inmiddels staat de teller op 30 en zijn de geuren in een nieuwe flacon gestoken. Geeft ze meer allure en standing. Sommige ‘nieuwe’ zijn voor mij wel erg nieuwsgierig makend: Brumes (mooie inspiratie en naam voor een geur), Chypre, Cuir en Vetyver (laatste drie zijn voor mij vaak de maat der dingen).
EEN RIJKE AMBER ZOALS BIJNA ALLE ANDER (NEO)NICHE AMBERS
INWISSELBARE CHIC
De geschiedenis van amber is rijk, daarover zijn boeken vol geschreven. Waarom? Het komt natuurlijk door de herkomst, de mythologie, de magie en de schoonheid (zowel puur als bewerkt) waarmee het is omringd en de veronderstelde helende werking als je het als sieraad/amulet draagt.
En natuurlijk amber als geur. Amber Alert: dat laatste doet barnsteen (het Nederlandse woord voor amber) dus niet. De miljoenen jaren geleden versteende hars van naaldbomen verspreiden een niet noemenswaardige geur. Alleen verwarmd en dan alleen onder de juiste omstandigheden, verwordt de steen tot olie die dan gecombineerd met salpeterzuur tot een ‘kunstmatige’ musk-parfumsensatie leidt. Althans zo gebeurde het in het oude China.
Nu wordt met een amberparfum een geur bedoeld die rijk, vol, warm, aards, houtachtig, zoetig, kruidig richting zwoel is. De bedoeling: comfort, openhaard, security blanket. En daarmee word je tegenwoordig als het ware doodgegooid. Diegene die de huidige amberparfums in het nichesegment blind van elkaar weet te onderscheiden, die krijgt van mij de prijs die zich op hetzelfde niveau begeeft als de Oscar.
Grappig, of boeiend zoals de je wilt: ik ben pas in de loop der jaren amber gaan waarderen als parfum. Het begon in 2004 met Giorgio Armani’s Ambre Soie. Een van zijn eerste, en een van de eerste house hold names die niche aan het grote publiek presenteerde. Ik was onder de indruk. En daardoor kwam ik erachter dat velen Armani waren voorgegaan – de echte nichemerken dus: Dyptique en L’Artisan Parfumeur. Over doodgooien gesproken: ik zie dat Armani zijn Ambre Soie heeft uitgebreid met met Ambre Orient (2010) en Ambre Eccentrico (2015).
gefossiliseerdamber
Ambergeuren in het (mass)niche-segment onderscheiden zich door het pure, zeg maar basic gevoel. Dus bijna geen citrusfrisse intro en weinig bloemetjes in het hart; de basis wordt direct opgesoupeerd. Dat onderga je dus ook in Ambre d’Alexandrie.
Die onderscheidt zich toch enigszins door zijn licht animale ondertoon – grijze amber, musk en een lichte leernoot (styrax?) – die mooi contrasteert met de zoet-kruidige noten. Beter gezegd: de vanille (in toom gehouden door benzoë) zuigt alle kruidige nuances – ik meen kruidnagel, tabak en nootmuskaat te bespeuren – in zich op. Een hoofdrol is weggelegd voor cistus labdanum (dat eigenlijk synoniem staat voor amber). Die is hier donker, kruidig en aards met die merkwaardige lichte bloemige ondertoon.
Mooi en zo, maar zoals gezegd inwisselbaar. Dit blijkt wel uit mijn Google-zoekerij: ik bleef maar Van Cleef & Arpels invullen in plaats van Boucheron. En eveneens uit de alternatieven die www.wikiparfum.com voorstelt (zie foto onder). Wel weer grappig: hoe ik ook google – nergens een toelichting van het juweliershuis zelf te bespeuren – ook niet op www.boucheron.com. Ergens één zinnetje: ‘geïnspireerd door de stad Alexandrië, een flamboyant en weelderig kruispunt van handel en cultuur’. Dat kun je natuurlijk zeggen van elke stad met een groots verleden. Ambre d’Allepo?
Vreemd: alleen verkrijgbaar in 125ml. Best wel veel. Net zoals de andere geuren uit The Collection. Eveneens – hoe origineel, hoe chic – vernoemd naar historische steden: Oud de Carthage, Cuir de Venise en Neroli Isaphan.
Van sommige merken begrijp ik het succes niet. Ik weet: ik ben geen maatstaf, en is de gemiddelde klant op zoek naar iets nieuws nóg braver en conservatiever dan ik dacht. Salle Privée bijvoorbeeld. Heb in een vorige post – uit 2017 ‘alweer’ – mijn ‘ongenoegen’ erover uitgesproken.
En teruglezende neem ik niets terug – mijn ‘ongenoegen’ blijft resistent: te duur in verhouding tot het gebodene. Kwalificatie: parfumketengeur schurend aan niche (lees net dat de oprichter ook de man achter Scotch & Soda en Marie Stella Maris is).
Geldt ook voor Legal (2021). Een proefje kwam ik van de week tegen tijdens opruimwerkzaamheden in mijn parfumatelier. Wat is er leuk aan de naam? Nou, de meeste merken zouden Illegal hebben gebruikt, gezien de ‘historische’ link tussen parfum en verboden verlangens. Dat is dus positief. Maar dan, het verhaal achter Legal…
We lezen: ‘Dat het legaal is, wil nog niet zeggen dat je je er geen zorgen over hoeft te maken. Legal is je go-to overdaggeur; van Clark Kent tot Superman of van Diana Prince (die kent Geurengoeroe niet) tot Wonder Woman. Legal lijkt misschien benaderbaar en vriendelijk, maar een blik op de onderbroeken (zo vertaalt Googletranslate ‘briefs’) onthult een brutale kant. Legal is een sociale, toegankelijke en uitnodigende uniseksgeur die volledig tot zijn recht komt wanneer je de hoogste rechter bent. We denken dat je verliefd zult worden op de goede kant van de wet, maar we laten het aan jou over om te oordelen’. Van dat laatste snap ik echt niets.
Verder: ‘Legal kan ertoe leiden dat anderen in de omgeving van de drager hen als engelachtiger en rechtvaardiger ervaren dan ze in werkelijkheid zijn. Dragers kunnen een bereidheid ervaren om eerlijker en altruïstischer te zijn dan normaal. Over het algemeen kunnen ethische neigingen aanzienlijk worden versterkt. Het is ook mogelijk dat na het aanbrengen van de Legal-geur elk zondig gedrag van de drager wordt verhuld of anderszins onopgemerkt blijft voor het grote publiek, en zelfs onzichtbaar wordt voor wetshandhavers’.
Wat een bla-bla, wat een gelul, en in de laatste zin wordt Legal toch een soort van Illegal… (zie net dat Salle Privée ook een geur met deze naam heeft. Tja.)
Salle Privée timmert ondertussen behoorlijk aan de weg: ik zag onlangs een aankondiging van de opening van een parfumerie (pop up?) aan de Jacob Obrechtstraat in Amsterdam – op hetzelfde adres waar eerst het parfumhuis Monsieur Layer Perfumes (geleid door Monsieur Civette) zich in 2022 zou vestigen.
Het heeft eveneens de eerste geur van RVDK geproduceerd. Skins verkoopt ze nu ook, én ze hebben samen een geur gemaakt. Maar wat zegt dat over Skins? Toch een soort van degradatie in uitstraling maar verbreding van de clientèle. Nog even en Skins wordt wat het niet wou worden: een ketenparfumerie à la… vul maar in.
Dan de geur. Ik ga erg aan mijzelf twijfelen. Ik spray, spray en spray maar er is geen magie. Ik ruik saaie middelmaat. De ingrediënten? Zal wel. Roze peper, grapefruit en sandelhout. Samen zijn die al een soort van ondeugend, want ‘het ondeugende karakter wordt versterkt door een sensueel en warm hart van kaneel, styrax en rozemarijn’. Eindconclusie aldus Salle Privée: ‘Legal is perfect voor overdag, op kantoor, bij sociale en casual gelegenheden’.
Eindconclusie aldus Geurengoeroe: Legal is confectie. Wil zeggen: alle kenmerkende olfactorische eigenschappen van een bepaald ingrediënt wordt in een getemde versie toegepast. Daarom is de geur inderdaad perfect voor overdag enz. enz. Niemand schrikt van deze schoongeboende geur. Want Legal is eigenlijk een ‘non perfume’ dat een gevoel van verfijning, clean en ‘lekker’ wil oproepen.
Ik wou het hierbij laten, maar wacht, zie ik dat goed? Op www.salle-privee.com lees ik 100ml € 220,00. Dat kan toch niet. De inhoud is het gewoon niet waard. Een aardig geurtje voor hem en haar, meer niet. Voor hetzelfde geld, zou ik eerder aankloppen bij www.pnicolai.com. Meer kwaliteit, meer finesse, meer ambacht, meer eigenzinnigheid. 100ml gemiddeld € 150,00. Ook een leuke reminder: 100ml N°5 kost op de officiële Chanelsite € 168,00).
WEER EEN NIEUW LABEL BIJNA VERDRINKEND IN MARKETING EN STORYTELLING
HOE RUIKT EEN ‘OUTSIDER ART’-GEUR EIGENLIJK?
CONVENTIONELER DAN JE DENKT
HOE RUIKT EEN ‘OUTSIDER ART’-GEUR EIGENLIJK?
Het wordt steeds moeilijker om met een open, vooroordeelvrije blik een nieuw merk te beoordelen. Wijt het aan leeftijd, wijt het aan ervaring, wijt het aan de pret om nieuw opgelaten luchtballonen (gevuld met goede bedoelingen verpakt in marketingbla-bla-bla) door te prikken.
Tegelijkertijd kan ik soms een vleugje bewondering niet onderdrukken vanwege de schaamteloosheid waarmee als smaakvol en ‘exclusief’ veronderstelde onderwerpen ‘parfumwaardig’ (lees: salonfähig) worden gemaakt. Dus toen ik Art Brüt zag voorbijkomen, dacht ik: ‘WTF, moet dat nu?’, ‘Shit, is dan ook niets meer heilig?’
Voor de nog onwetenden: Art Brut (niet te verwarren met Art Brutalisme) is geen stijl, maar zijn niet aan een bepaalde periode gebonden werken van meestal autodidacten (waarvan sommigen in inrichtingen verbleven; nee, Vincent van Gogh is een geval apart) die de regels van de conventionele kunstwereld negeren of afwijzen en buiten de marges daarvan min of meer geobsedeerd hun eigen vormentaal en thematiek verbeelden. Een meer populaire classificatie nu: outsider art.
Het was wijnhandelaar-kunstschilder Jean Dubuffet die het begrip Art Brut in 1948 met zijn Compagnie de l’Art Brut introduceerde in de kelders van de Galerie René Drouin op de Place Vendôme Parijs. Zijn bedoeling: ‘kunst (tekeningen, schilderijen, haakwerken, gemodelleerde of gesculpteerde figuren) met een spontaan en inventief karakter, die zo weinig mogelijk afhankelijk is van de gewone kunst of van culturele voorschriften en die komen van duistere personen vreemd aan de professionele artistieke milieus’.
Is dit ook het uitgangspunt voor een nieuw parfumlabel, dan: alle remmen los. Dat ervaar je dus op de site van Art Brüt. De ronkende intro: ‘Onze parfums zijn manifestaties van momenten, zowel vluchtig als onvergetelijk. Ze vangen de essentie van het leven in al zijn facetten – van diepe melancholie tot extatische vreugde. Onze parfums zijn er om de onuitgesproken gevoelens die ons definiëren sensueel te consolideren en de wereld in te brengen. Elke geur vertelt een verhaal en is een unieke creatie waarvan het idee diep in de menselijke ziel graaft. Het gaat om de vrijheid om jezelf te uiten, indien mogelijk zonder compromissen, om jezelf te vinden’.
Echt, nog nooit gehoord: ‘vluchtig als onvergetelijk’, ‘elke geur vertelt een verhaal en is een unieke creatie’ en – hou je vast, nu het cliché der clichés – ‘de vrijheid om jezelf te uiten’.
Als je je echt in deze wereld wilt storten, prijs je dan gelukkig. Art Brüt is een totaalconcept: dus je kunt AI-kunst kopen (wat volgens mij haaks staat op de filosofie van Art Brut), is er een blog, FAQ en kun je het muzikaal ondergaan: Art Brüt werkt namelijk samen met de popgroep Tocotronic.
Dat wordt toegelciht met nog zo’n parfumcliché: ‘In de muziek, net als in de parfumerie, spreken we van noten, akkoorden en composities. Beide kunstvormen streven naar een harmonieuze balans – een melodie voor de neus, een geur voor de oren. Net zoals een liedje zich langzaam ontvouwt, van de eerste noot tot de laatste echo, ontwikkelt een parfum zich over uren en laat een spoor achter dat nog lang nagalmt’.
Dit klinkt wel heel erg seventies Yves Rocherparfumromantiek. Dus moet het wat meer hard core: ‘Elke geur heeft zijn eigen soundscape – daarom creëren we voor elke geur een unieke soundtrack – een echo van wat het oproept wanneer het gedragen wordt’. Tuurlijk.
Vraag van Geurengoeroe: ‘Het is me niet allemaal helemaal duidelijk, kun je nog iets meer over je drijfveren vertellen?’ Hij leest in ‘Who we Are: ‘Onze parfums zijn het resultaat van een ongebreidelde, bijna kinderlijke nieuwsgierigheid ontsnapt aan de conventieregels. We flirten met dilettantisme, die wonderlijke onvolledigheid die ons bevrijdt. We willen grenzen verleggen, niet creëren.’
Verder nog iets? ‘Luxe is voor ons geen vies woord. Onze parfums zijn niet elitair en bedoeld om toegang te bieden – een open deur voor iedereen die erdoorheen wil stappen. We streven naar een zintuiglijke ervaring die zich openbaart aan onafhankelijke persoonlijkheden zonder hen te verstikken in gelijkvormigheid. Ons doel: niet de loutere bevestiging van het verwachte, maar de onverwachte verbazing – een meedogenloos spel met het denkbare’.
Pffffff… bla-bla-bla. Het zal allemaal wel. Wat mij irriteert is dat de geuren – Angst, Disko Disko, Chasing Ghosts, Weltschmerz en Am I Jesus, Eau My God – worden gemaakt met de klassieke, conventionele ingrediënten: ik heb bij geen enkele geur een vreemd, gek of maf aroma gezien. Niks ‘buiten de marges’ of ‘geobsedeerde vormentaal en thematiek’. Er wordt braaf binnen de lijntjes gecomponeerd door de parfumeurs van Flair Paris. Dat is niet zomaar een samenwerking maar een uit ‘echte passie’ en ‘wederzijds respect’ met als ‘doel het perfecte parfum te creëren door het samenspel van expertise, creativiteit en een diepgaand begrip van de kunst van het parfum maken’. Ja, zo kan-ie wel weer.
Niet zo vreemd dat Art Brüt mij doet denken aan Der Duft en J.F. Schwarloze Berlin: allemaal afkomstig uit Duitsland, en alle drie heel erg arty-farty geïnspireerd dat bijna verdrinkt in de marketing en storytelling. Ben benieuwd wat het gaat doen. Tenslotte: is 50ml vanaf € 60,00 en 100ml vanaf € 120,00 niet elitair en toegankelijk?
Het is not done om als eerlijke natuur- en landbouwliefhebber te constateren: glyfosaat ruikt best lekker. Toch zeg ik het. Natuurlijk moet je ook ‘geen gezicht’ zeggen die kale landbouwakkers aanschouwend – bezaaid met wortelrestanten van maïs en andere niet voor de menselijke consumptie gebruikte groenten – bij ons om de hoek die, as we speak, door glyfosaat nu verkleuren.
Maar als je in alles schoonheid kunt zien (kan ik), dan zeg je met optimistische BinnensteBuiten-verwondering: ‘Prachtig dat Van Goghgeel (links op de sfeervideo), hoe sfeervol dat Rembrandt-roestbruin’ (rechts op de feel good-video). En dan die geur dus: heeft iets. Terpentijn-achtige scherpte, met vleugjes ozon, beetje stro-achtig en onbestemde zoete noten. Bottel het, label het met Comme des Garçons, et voilà: ‘Un nouveau parfum disruptif est né’.
Ik weet niet of Tom Ford het aandurft zijn stempel op iets dergelijks te zetten, maar als hij het Fucking Fabulous Part II zou noemen: zeg nooit, nooit. Want bijna alles wat Ford nu in geuren omzet, wordt succesvol. En opvallender: hij bedient niet alleen meer de verfijnde niche-consument (die haalt inmiddels zijn neus voor hem op). Tom Ford is er voor iedereen. Voorbeeld 1: onze schoorsteenveger gebruikt Oud Wood. Hij vroeg mij onlangs waarom het zo duur is. Ik antwoordde: ‘Omdat u het wil’. Hij keek me vol verwondering aan.
Zelfde ervaring met een ‘aangetrouwde’ neef: ‘Erik raad eens welke geur ik draag?’ Nou, de harde houttonen van Oud Wood kondigden zich aan voor hij binnen was. ‘Duur hè!’ Zei het trots. Maar toch ook hier: ‘Waarom Erik?’ Hetzelfde antwoord. Een zoon (16) van een vriendin van me kreeg Vanille Tobacco voor zijn verjaardag omdat al zijn vriendjes ook Tom Ford hebben. De moeder: ‘Maar de geur is dan ook erg lekker.’ Volgens haar is – op mijn navraag – Neroli Portefino onder zijn klasgenoten het populairst, maar let wel: al die Tom Fords zijn er voor speciale gelegenheden (inclusief 1 Million van Paco Rabanne). Voor daags is er Acqua di Giò. Ze eindigt haar Signalbericht met #verwendekutkinderen.
En dan nog even Tom Ford op de winkelvloer: een vriend van me kocht een nieuwe flacon (zijn derde) van Lalique’s Encre Noire – een van de beste donkere vetivers die ik ken (en goedkoopste). Even tussendoor: hoe ooit een sportversie van deze geur verscheen… Doet onrecht aan het concept, weer een treffend voorbeeld van domme marketing. Maar het ‘probleem’ nu: de geur is wederom goed. Encre Noire Sport heeft niets fladderdeflats citrus-sportiefs (behalve een sprits in de opening). Het is gewoon een light-versie die een beetje doet denken aan de slechte, geflopte 1999 Vetiver-versie van Guerlain (indertijd serieus gepresenteerd als de nieuwe update-versie van de klassieker uit 1959).
In ieder geval, die vriend kreeg van de ‘beauty-assistant’ twee proefjes mee. Hij werd toen hij verslag deed weer kwaad. ‘Koop je een donkere geur, vertel je over je voorkeuren, krijg je Guilty pour Homme van Gucci en Costa Azzura van Tom Ford mee… dan heb je toch niet geluisterd, en zo maar wat gedachteloos uit de lade gepakt. Kun je het net zo goed online kopen.’ Guilty deed hem denken aan de wc-verfrisser die bij hem op het toilet staat (een Hugo Boss) en Tom Ford gaf hij aan mij ter beoordeling. Want hij heeft niets met citrusgeuren. Ik wel.
Met Costa Azzura is niets mis. De sfeer: een en al cliché. De geur zelf: mooie heldere zonnige noten, gelardeerd met aromatisch groen en warme houtachtige ondertonen – geen witte musk-frisheid. Het persbericht: ‘Een zeebriesje mengt zoute lucht met de geur van duinen – een knapperige melange van cipres, eik en aromatische kruiden. Als zonlicht op een natte huid fleurt citrus de dennenappels en -naalden van de geur op. De amberkleurige facetten van cistus-absoluut maken de Costa Azzurra-ervaring compleet’. Ford zelf aan het woord: ‘Ik heb altijd van geuren gehouden met een transportieve kwaliteit’. Transportief… dat klinkt chic. ‘Costa Azzurra vangt de ontspannen en sexy sfeer van de Middellandse Zee – voor mij voelt het als de ultieme ontsnapping’.
Alleen is Costa Azzura voor mij geen niche, eerder massniche of anders masstige. Dit recept is al zó vaak gebruikt voor de middelste regionen van de parfumerie. De ene keer wat droger, de andere keer wat frisser, de andere keer wat groener en ga zo maar door (check double check: ik heb zelf voor mijn minimerk Re-Arrange een drieliterflacon met eaux de cologne die ik bijvul als de verkoop goed gaat met nieuwe versies die ik krijg/koop – het effect van deze transformatieve / transportieve Re-Cologne is navenant).
De ingrediënten van Costa Azzura mogen dan misschien duurder en exclusiever zijn dan het middensegment – selderijzaad, zeewier, mirte, mastiek, eik, olijfboom, oudh, wierook, ambrette – de uitkomst ontstijgt door de andere aroma’s – citroen, kardemom, lavendel, drijfhout, vetiver, vanille – het middensegment niet.
De echte niche-kenner zou met Costa Azzura geen genoegen – moeten – nemen. De prijs staat niet in verhouding tot de kwaliteit. Lange niet. Maar dat geldt inmiddels voor zoveel nichegeuren. De beginnende Tom Ford-fans zullen het hoogstwaarschijnlijk blind kopen. Tom Ford heeft een andere aantrekkingskracht: Tom Ford is vet duur, voor een nieuwe generatie vaak de enige aanleiding tot koop. En pa lijkt hierdoor een beetje zieliger, met wéér een fles van Sauvage – let’s go crazy SauvageElixir – die hij voor Vaderdag kreeg.
Ik vraag me af hoe ik toen was. Geuren bestonden, toen opa in zijn adolescente jaren was, gewoon niet op het schoolplein, ook niet op de werkvloer. Ik kreeg Antaeus van Chanel toen ik achttien was, de eerste indruk en daarna algemene ontvangst was bij mij verpletterend! Wat een volle geur, zo gelaagd, zo geraffineerd. Brutaal en toch chic. Eén van de redenen om me serieus in geuren te verdiepen.
Het zal de komende tijd, gezien de geplande bezuinigingen op het onderwijs en cultuur, niet gebeuren. Maar zou toch leuk zijn: wekelijkse les in parfum voor het voortgezet/secundair onderwijs. Niet facultatief, maar verplicht, net zoals filosofie dat eigenlijk zou moeten zijn. Dit is geen toppunt van decadentie, want net zoals wijsbegeerte leer je je zelf – als het goed is – beter kennen door parfum. Introspectie. Handig voor later. Je wordt er in ieder geval een plezieriger mens door als je ‘ervoor openstaat’.
Ik heb hiervoor een bewijs dat ik regelmatig opvoer: een zwager oprecht geïnteresseerd in geuren (hij was een van weinigen die door mijn geschonken geuren vaak teruggaf en kon uitleggen waarom hij ze niet lekker vond). Met Gucci Pour Homme zaten we eindelijk in de goede richting; we kwamen erachter dat hij van leergeuren hield. Hij draagt nu onder meer Knize Ten, Cuir de Russie en Oud Leather. Sindsdien is hij een gelukkiger mens. ‘Ik doe het ’s ochtends op; ik voel me prettig. Als iedereen dat zou doen, dan zou de wereldvrede een stukje dichterbij zijn’. Een leuke gedachte.
Ik wil maar zeggen: bij echte interesse, verdiep in je in geuren net zoals je dat ook met je favoriete hobby doet. Onderzoek, afvragen, verzamelen – je wordt een gelukkiger mens. Zolang het nog niet klassikaal verplicht wordt gegeven, volg dan een ‘masterclass’ bij een parfumeur. Kristof Lefebre – opgeleid aan de ISIPCA is volgens mij een geschikte docent. Hij is de man achter het parfumhuis Miglot (anno 2020) – een ‘verfransing’ van ‘my glow’. Want dat is de bedoeling: dat je door zijn geuren gaat glimlachen (iets wat volgens mij de meeste geuren doen, mits je ze aangenaam vindt).
De oprichter
Ik kreeg via via een perspakketje van hem en heb me er onlangs in verdiept. Ondanks de soms clichébenadering van zijn metier – ‘onze maisons zijn plekken om te ‘landen’, om de hectiek van de stad en de beslommeringen van alledag even te vergeten en je door je neus en je hart te laten leiden’ – vielen me twee dingen op.
Ten eerste: hij is opgeleid als apotheker. Nu wil het toeval dat ik me in de geschiedenis van de apotheker als parfumeur aan het verdiepen ben. Ik lees bijvoorbeeld op www.musee.info dat ‘de basisprincipes van de kunsten afhankelijk zijn van de farmacie, zoals de kunst van het banketbakken en die van geurwaters en tafellikeuren’, aldus Antoine Baumé in Elementen van de Farmacie (1795).
Ten tweede: Lefebre’s benadering. Volgens hem wordt één op twee parfums in België niet gedragen (Miglot is een Belgisch parfumhuis met vestigingen in Gent en Antwerpen). In Nederland zal het niet veel anders zijn. Hoe komt dat? Ik denk onder andere: geuren worden nog te veel als cadeau-artikel gezien (ben ik geen voorstander van mits je hem/haar begeleid tijdens de zoektocht) zonder met de voorkeuren van de ontvanger rekening te houden. De reden volgens Lefebre: ‘Bij veel parfumhuizen is de reden van bestaan onduidelijk. Waarom maken ze parfum? Wat is hun drijfveer? Ze hebben afstandelijke logo’s, het kloppende hart zijn geldmachines (een bestaansreden volgens mij). Emoties hebben plaatsgemaakt voor lege marketingverhalen’.
Miglot doet het anders. Dus: geen afstand creëren tussen maker en drager van het parfum. Het ingrediënt: menselijkheid. Maison Miglot is een ‘plek waar Kristof met zijn team klanten persoonlijk en in huiselijke sfeer ontvangt voor een boeiende geurreis’. Lefebre ligt toe: ‘Bij het kiezen is empathie even belangrijk als vakmanschap. Klanten bieden we als het ware een wit canvas aan. En alles begint bij luisteren. Ik begrijp dat een parfum kiezen moeilijk is. Samen gaan we op zoek naar wat de klant raakt. In alle openheid en zonder hokjesdenken. We zijn nieuwsgierig en geven oprecht om hoe iemand zich voelt bij het dragen van een parfum’.
Miglot-winkel
Origineel: om de klant nog dichter bij het vak van parfumeur te brengen, heeft Lefebre een Insiders-programma: tweemaal per jaar worden vijf personen geselecteerd, die gedurende vijf maanden aan vijf projecten binnen Miglot werken – een soort ‘open keuken’ – om het merk beter te leren kennen. Van nicheparfumkenners tot studenten; elke deelnemer is betrokken en geeft input wat betreft nieuwe formules tot feedback rond de verpakking.
Nu naar de geuren: in het kennismakingspakketje zitten 17 samples begeleid met kaartjes met ingrediëntenvermelding en op de voorkant een ‘sturende’ stemmingsfoto, katoenen proeflapjes (om de geuren op te spuiten) en categorie (green woody, fougère spicy, floral natural, floral musc, aquatic floral woody, balsamic woody enz. enz).
Het is niet onmogelijk, maar ik ga alle 17 niet per stuk behandelen. Ik pak er lukraak wat voor een algemene indruk. Formula 07 Floral. Een allerlieflijke bloemengeur. De citrus-intro is ingehouden, de iris, jasmijn, lelietje-van-dalen gaan gelijk op en de afronding is zacht-zalvend richting oosters door amber, cederhout, tonkaboon. Formula 08 Green Woody springt er direct uit en tintelt: je ruikt de komkommer goed die wiegend door citrusnoten mooi samengaat met de groene thee in het hart. Als je heel goed ruikt neemt je de galbnum waar. Koriander zorgt voor een kruidig randje zonder dat dat echt invloed heeft op het cederhout in de basis – strak-zonnig; een mooie bodem voor het groene geheel.
In het begeleidend boekwerk wordt iets dieper op elke geur ingegaan. Storytelling heet dat dan. Cliché ja of nee?Formula 28 Spicy Woody: ‘hiermee toon je je sterkste kant dankzij de kracht van peper en karaktervolle houtsoorten’. Meer voor mij. Een mooi-droge kruidige donkerte direct in de opening: inderdaad een flinke shot zwarte peper besprenkeld met kruidnagel. Snel dringt het hout zich op: oudh, kasjmier en cederhout sensueel gemaakt door labdanum, musk en tonkaboon.
Tien uur later, ik ruik nog een vaag-aangename nasleep van bovengenoemde geuren. Geen cleane finish gelukkig. Nog drie te gaan. Formula 16 Floral Musk. In alle opzichten elegant en sereen – zoals de groen-bloemige geranium zich door de heldere witte bloemennoot vlecht. Mooi zoet ondertoontje. Misschien is hier de lotus voor verantwoordelijk – meestal een synthetisch component met een aquatisch-zoete toon. Beetje verstilde Japan tuin, bepoederde geisha-impressie. Lefebre ziet het zo: ‘Een parfum dat de wereld van ballet oproept, vol gedrevenheid en elegantie met een vleugje poeder’.
Next: Formula 03 Balsamic Woody. Intrigerende opening van kruidige en ‘actuele’ frisheid: bergamot, kamille, gember en salie. Zomerse impressie, wandeling door een weide vrij van pesticiden waar kruiden en bloemen vrij spel hebben. Vooral de kamille springt eruit. Mooi om te ruiken hoe de iris dit alles in zich opzuigt en en daarna de oriëntaalse noten hun spel laten spelen terwijl de kruidigheid naresoneert.
De laatste: ik stop mijn hand in het door Miglot geleverde zakje en haal er – dat is toevallig – het hoogste nummer uit de collectie eruit: Formula 65 Citrus Floral Woody. Valt tegen in de zin dat ik dacht dat alles van Miglot erin samenkomt. Ook afgaande op de ingrediënten die hier in een soort niets verdwijnen. Het effect: een monotoon eindeffect die richting ambiancegeur gaat.
Dat is geen leuke afsluiting. Nog een dan. En het is… Formula 32 Woody Fruity Floral. That’s better. Sprankelende opening met direct een exotische twist. Tropisch fruit (ik meen ‘iets’ van passiefruit en vijg te bespeuren) versterkt door Europees fruit: nectarine en perzik die garant voor een zoet voluptueus maar zijdezacht effect. Heerlijk die bloemencombi van frisse fresia en zoete roos. Harmoniëren elegant met de ‘tropicana’. De basis: stoer-zwoel zou ik willen zeggen. Contrasterende noten gaan goed samen in deze fruitige chypre: eikenmos, leder, patchoeli ‘versus’ amber, musk, sandel- en cederhout.
Kristof Lefebre omschrijft zijn assortiment als affordable luxury. Ik denk ook: veilige chic, want de geuren zijn niet spectaculair, hebben geen pats-boem-effect en schrikken niet af. Eerder intiem en comfortabel. Toch mis ik er een die uitspringt – misschien zit die wel in nummers die ik niet heb besproken. Een meer uitdagende geur als statement dat je met een leuk verhaal naar de andere geuren leidt in het assortiment. Misschien kunnen nieuwe deelnemers aan het Insidersprogramma met wat extremere voorstellen komen. Niet tegenstaande: ik vind het knap dat iemand het in deze overvolle, door marketing verpeste markt toch nog een plek, een niche weet te creëren die mensen aanspreekt. Lefebre als rustpunt voor mensen nieuwsgierig en leergierig naar geuren en die niet willen afgaan op de cliché-glamour, cliché-verleiding en cliché-aanstellerigheid waarmee parfum meestal is omringd.
OUDH ONTMOET LELIETJE-VAN-DALEN, TOCH MAAR NIET HELAAS
KLASSIEK-BRAAF RECEPT
‘OUDH ALEXANDRIË’
Namen vernoemd naar geliefde steden of straten was in het begin leuk en origineel in de parfumbusiness. Maar nu: als we niet oppassen is over een tijdje elke (hoofd)stad, dorp, gehucht, buurtschap en zijstraat olfactorisch in kaart gebracht: Mar-a-Lago the perfume that blends trad toxic masculinity with trad wife elegance.
Om een parfum een chique cachet te geven en interessant te maken, kun je natuurlijk de geschiedenis induiken op zoek naar legendarische en roemruchte steden. Zijn er plenty. Maar is het werkelijk mogelijk het verleden op te roepen, en wat wil je oproepen? Hoe vertaal je dat in geur? Xerjoff was zo onder de indruk van Alexandrië (in 331 v Chr. gesticht door Alexander de Grote) dat ze er meerdere geuren naar hebben genoemd. Alexandria ging er niet aan vooraf, maar Alexandria II (uit 2012) werd gevolgd door Alexandria III.
Alexandria II valt in de categorie Oud Stars. Wat er nu zo bijzonder was aan het oude Alexandrië volgens Xerjoff wordt me niet duidelijk, het beeld dat opgeroepen moet worden wel: ‘Als een verwezenlijkte parfumdroom. Wierook die brandt in het donker zoals ogen vol passie. Een liefdesbrief zolang dat hij een hele bibliotheek kan vullen. De intimiteit van een bloeiende roos, de ontbrekende helft van de appel, de zachte kracht van de ceder, de dodelijke verleiding van het lelietje-van-dalen. Het is een rivier van passie die stroomt in het midden van een stad. Cambodjaanse oud bereikt de neus zoals een koningin het hof betreedt; aangekondigd door het luiden van de gong, haar spoor kostbaarder dan goud’.
Nu weet ik weer waarom ik niet zoveel met het merk heb: de clichés die over je heen worden gestort. Slechts twee voorbeelden: de ellenlange liefdesbrief. Dan de quasi-dichterlijke, mallotige verwoorde aannames: de dodelijke verleiding van het lelietje-van-dalen. Come again? Dan de afsluiting van deze ode: ‘Welkom in Alexandrië: de mooiste belegering in de geschiedenis’. Tuttuttut… zal wel.
Moet gezegd: hoewel ik behoorlijk oudh-moe ben, verrast Alexandria II in eerste instantie door een niet vaak gemaakte combi: oudh en lelietje-van-dalen. Het tedere bloemke symboliseert voor mij geen dodelijke verleiding (bij niemand volgens mij), eerder een fris, pril, groen-knisperend voorjaarsgevoel.
En dat is nu het leuke: je ruikt dat op aangename wijze. Tenminste als je moeite neemt om niet alleen maar oudh te willen ruiken – dat willen zoveel mensen zo graag en zo snel. Want neem je wel die moeite dan ruik je ook de appel-kaneelcombi goed in de opening (ook aanwezig rozenhout en lavendel; ik niet echt). Het lelietje-van-dalen springt er in het hart uit: luchtig en vrolijk – zin in de lente. De roos ondersteunt hem, versterkt het bloemige effect.
Dit alles gaat lekker langzaam, lekker langzaam onder in de basis: een beproefde mix van oosterse versierders: ceder- en sandelhout, musk, amber en vanille. Je kent het wel. En natuurlijk oudh. Uit Laos in dit geval. Je zou het bijna vergeten, de oudh, want die verdwijnt snel achter de andere aroma’s. Resultaat: gewoon een hele klassiek-brave oriëntaalse geur op hout-oudhbasis – waar je elke naam van een historische stad op kunt plakken. En waar Xerjoff iets royaler (gezien de prijs) met de oudh hadden mogen omspringen.
Nog een nadeel: het lelietje-van-dalen redt het helaas niet tot de basis. Had me wel spannend geleken: oudh en lelietje-van-dalen kaal naast elkaar gezet. Wat je dan had gekregen? Frisse zwoelheid, zwoele frisheid?
Grappig, zie ik net: als je 50 maal de beste keus bestelt bij http://www.parfumerie.nl moet je € 450,00 betalen voor 100 ml. Kost als hele 100mlfles € 545,00. Scheelt toch, maar zou de online winkel akkoord gaan met een dergelijke bestelling?