VAN EEN CABARETIER, SCHRIJVER, ACTEUR

Een column van Thomas van Luyn in het Volkskrantmagazine van afgelopen zaterdag. Mailde mijn overbuurvrouw – zie tekst onder – van 82 die gek is op de cabaretier, schrijver, acteur. Ze vroeg mijn mening gezien mijn kennis van zaken. Ik las het. Moet ik me hier druk om maken? In dit geval om de gespeelde onwetendheid en gemakzucht. Het is al zo warm. Toch wel.
Ik zeg: ontdek de clichés, de fouten, het politiek correcte en de flauwiteiten geserveerd over de ‘parfumhoofdstad van de wereld’: Grasse.
Hij begint met: ‘De hoofdstad van de parfumwereld is Grasse. Dat vinden althans de Fransen, die wel van meer dingen de hoofdstad menen te hebben. Zo vinden ze dat Bayonne de hoofdstad van de chocolade is en Marseille die van de zeep, producten waarvan de rest van de wereld de hoofdstad respectievelijk in Brussel en Aleppo plaatst’.
Mijn commentaar: hoe je het ook wendt of keert: Grasse is het gewoon, heeft geen zin om daar andere steden met ‘gelijkwaardige’ claims bij te halen. Mocht je het betwijfelen, dan kun je – politiek correct – aanvoeren dat het een nogal een eurocentrische blik op de parfumwereld is, gezien Arabië en India even belangrijk zijn geweest. Europa rust op de schouders van deze twee. En misschien ook nog wel op deze: de eeuwenoude Chinese parfumcultuur – op dit moment opnieuw in de belangstelling – die door Mao en zijn Gang of Four met de grond is gelijk gemaakt: ‘lekker willen ruiken’ stond tijdens het communisme gelijk met westerse decadentie.
Van Luyn vervolgt: ‘Maar Grasse is inderdaad de bakermat van parfumerie op industriële schaal, deels dankzij het gunstige klimaat waarin lavendel en citrusbomen zich prettig voelen, deels dankzij de scheikunde waarin Frankrijk in de 18de eeuw vooropliep.’
Mijn commentaar: véél eerder vooropliep door de in Grasse al aanwezige leerindustrie (met name handschoenen). To be more specific: het handschoenmakersgilde behoorde in Frankrijk tot de belangrijkste en kreeg al in 1268 in Parijs een officiële status. Omdat bij het looiproces stinkende afvalstoffen vrijkwamen, moesten handschoenen en lederwaren geparfumeerd worden. Een belangrijk startpunt voor het ontstaan van de parfumerie in Grasse. Na de oogst werden de diverse essentiële oliën – al persend, al destillerend, al enfleurerend, al tincturerend – uit de bloemen geëxtraheerd en in het leer gewreven waardoor de stank verdween. Tot 1791 (toen gilden werden opgeheven) was gantier-parfumeur een veel voorkomend beroep.
En de ontwikkeling van de commerciële parfumindustrie kwam door doorbraken in de scheikunde inderdaad in een stroomversnelling, alleen een eeuw later. Door de uitvinding van synthetische ingrediënten konden geuren in grotere hoeveelheden geproduceerd worden. Coumarine – het molecuul ruikend naar vers gemaaid hooi drogend in de augustuszon met accenten van vanillezoet tonkaboon en tussen de vingers fijngewreven zoete klaver – in 1868 uitgevonden door William Henry Perkin wordt wel gezien het startpunt van de moderne parfumerie.
Van Luyn vervolgt: ‘En tenslotte dankzij ouderwets gewetenloos ondernemerschap; in Grasse zijn ze maar wát trots op Grassenaren zoals de parfumeur die volgens de legende in Keulen het recept voor eau de cologne stal van de uitvinder, en ook op de koloniale uitbuiter die plantages door de hele wereld opzette waar planten en bloemen gekweekt werden voor de exotische oliën. Ze weten wel dat een en ander geen schoonheidsprijzen verdient, maar daartegenover staat dat in de 19de eeuw de fabrieksrook nergens ter wereld lekkerder geurde dan die te Grasse’.
Mijn commentaar: gewetenloos ondernemerschap? Hoe gaat dat in zijn werk? Daarnaast: wie de uitvinder is van Keuls water, daar verschillen de meningen over. Waar de wetenschappers het wel over eens zijn: het was geen ‘Grassenaar’, eerder een Italiaan. On dit: Johan Paul de Feminis. Men zegt: Johann Maria Farina.
Ook makkelijk inkoppen: met terugwerkende kracht een stad verwijten dat het mede verantwoordelijk is voor slaaf gemaakten. De maat meten met postkoloniale argumenten. Verplichte verontwaardiging met humor opgediend. Pff. Ik zeg: uitbuiting zonder gewetensnood was toen het leidend principe in heel Europa – goedgekeurd door Rome. De Verlichting was nog niet tot iedereen doorgedrongen. En ‘koloniale uitbuiters van plantages’ konden er ter plekke ook wat – lees: Grasse en omgeving – van. Voor een paar sous moesten lokale ‘verworpenen der aarde’ bij dageraad lelietjes-van-dalen, rozen, jasmijn, tuberoos en wat dies meer zij plukken om decadent Versailles van Lodewijk XIII tot en met Lodewijk XVIII – olfactorisch op te beuren.
Van Luyn vervolgt: ‘Het Musée International de la Parfumerie de Grasse is dan ook een bezoekje waard, al was het maar omdat de Provence verder eigenlijk best wel saai is’.
Mijn commentaar: Bezoekje! Verkleinwoord. Leg uit. Eigenlijk best wel saai. Leg uit. Cabaretpubliek wil lachen om mallotige vooroordelen, maar ook een verklaring daarvoor waardoor het nog harder kan lachen: ‘Heb u dat nou ook, je komt in Musée International de la Parfumerie de Grasse en dan…?’
Van Luyn vervolgt: ‘Voor parfumliefhebbers is het een waar bedevaartsoord. Hier kan men ruiken aan echt vetivergras, zich aan levende patchouliplanten vergapen en synthetische luchtjes als aldehyde en ambroxan in zuivere vorm opsnuiven’.
Mijn commentaar: patchoeli verkeerd geschreven. Tant pis, maar afgezien daarvan: ‘een waar’, ‘vergapen’, ‘luchtjes’, ‘opsnuiven’. Wat een cliché-getut.
Van Luyn vervolgt: ‘In vitrines staan talloze – stoflap – olfactorische artefacten, van vijfduizend jaar oude Egyptische parfumkruikjes tot het allereerste flesje Chanel No. 5 met onderin de originele ingedikte bruine drab’. Drab, duidelijk hoe Van Luyn in het verhaal staat – wordt in welingelichte kringen residu en bezinksel genoemd.
Van Luyn vervolgt: ‘Het flesje alleen al is prachtig, een revolutionair stukje minimalisme als je het ziet staan naast alle pompeuze, versierde frutselflesjes die daarvóór kwamen. Ik vond het diep ontroerend’.
Mijn commentaar: Flesjes? In de parfumerie wordt gesproken over flacons. En die mogen voor Van Luyn gefrutseld overkomen. Ik noem slechts één naam: René Lalique. Die heeft aangetoond dat door zijn art nouveau geïnspireerde bloemen, druiven en reptielen attractief (inmiddels ook museumwaardig) art décoratif gefrutsel heeft opgeleverd. Hoeft niet je smaak te zijn, kwaliteit heeft het zeker. Ik noem Soir Antique (1927) – een poëtische gedachte geplakt op een No. 5-flacon. ‘Diep ontroerend’- wink, wink.
Van Luyn vervolgt: ‘Ook mocht ik er aan ingrediënten ruiken die inmiddels verboden zijn omdat ze gewonnen werden door dieren te pijnigen. Tegenwoordig bestaan daar synthetische alternatieven voor, maar wellicht dat die niet lang meer nodig zijn.’
Nu wordt de cabaretier in hem wakker: ‘Want kweekvlees zit eraan te komen. Dat hoeft zich immers niet te beperken tot kipfilet. Ik verheug mij al enige tijd op diervriendelijke krokodillenbiefstuk, olifantenribbetjes en brilslangfilet, en daar in het museum zag ik in een flits voor me hoe ook de anaalklieren van een bever in een petrischaaltje gekweekt kunnen worden om castoreum te maken, het originele ingrediënt van Guerlains beroemde parfum Shalimar, alsmede de genitale klieren van het muskushert voor Kiehl’s Original Musk. Let op mijn woorden, dit gaat echt gebeuren’.
Mijn commentaar: bij mijn (en ander) weten zit er in Shalimars originele formule geen bevergeil, wel echte musk en civet. Ik kan me vergissen. Original Musk. Ook zo iets. Meer een kwestie van storytelling dan historisch correct: Kiehl’s beweert dat het voor het eerst werd gemaakt in de jaren 20, herontdekt in de jaren 50 en vervolgens opnieuw gelanceerd in 1963. Geen officiële documentatie die dit ondersteunt, alleen verhalen van Kiehl’s. Ik verwacht niet van Van Luyn dat hij dit allemaal onderzoekt, maar klakkeloos iets overnemen omdat je van het onderwerp geen weet hebt, en dus het gebodene voor waar aanneemt… ik weet het niet. Je kunt het ook niet vermelden.
Van Luyn vervolgt: ‘In de museumwinkel lag natuurlijk Het parfum van Süskind, het boek waarin de hoofdpersoon op lugubere wijze probeert de geur van jonge vrouwen te extraheren. Gedachteloos pakte ik het op, en op dat moment zag ik in een flits de volgende, onvermijdelijke ontwikkeling van kweekvlees: mensenvlees! Natuurlijk! De ultieme decadentie! Wie is er niet benieuwd hoe het smaakt? Alleen strenge, religieus-ingegeven wetten kunnen dat tegenhouden, iets wat het liberale Europa niet zal toelaten. En daarna is het nog maar een kleine stap naar een handtasje van mensenleer. Of een lampenkap, zoals in The Texas Chainsaw Massacre. Of een heel pak van mensenhuid, zoals in The Silence of the Lambs. En dan kan Urbanus eindelijk, zoals hij zingt in Madammen met een bontjas, champagneflessen stoppen met madammentenen. Of parfumflesjes! Ha!
Mijn commentaar: hier is Van Luyn waar hij moet zijn. Grappend voorziet hij een actueel onderwerp – kweekvlees – van ludiek commentaar en gaat vervolgens van de ene absurditeit – mensenvlees – naar de andere vervreemding: lampenkamp.
Het laatste – Urbanus, parfumflesjes – ontgaat me, maar ik voeg een ander visioen toe. Het zal me niet verbazen dat in de zoektocht naar ultieme decadentie bloemen – Kim Kardashian en haar één procent vriendenkring moeten toch wat – met behulp van de enfleuragetechniek weer in reuzel worden gestopt zoals weleer. Ik ben heel niewsgierig of de uiteindelijk verkregen absolue (het is een arbeidsinstensief proces slaven gemaakt waardig) de jasmijn bijvoorbeeld anders doet ruiken.




