FLUÏDE AVANT LA LETTRE
HEERLIJK KRUIDIG GROEN
KLASSIEKER NIET VOOR NIETS
OOK VOOR MANNEN
In ‘pre-fluïde’ en ‘pre-beyond gender’-tijden was het: ‘die en die geur’ kan ook door de vrouw gedragen worden. Andersom: de notie alleen dat je als man een vrouwengeur lekker vond, was verdacht.
Gelukkig raken we van deze door de commercie bedachte en serieus ingevulde indeling in de parfumerie meer en meer verlost. Dankzij niche. Je ruikt wat je lekker vindt zonder je af te vragen of het wel ‘mag’. Alhoewel de ‘trad wife’-tendens nu met zijn rolbevestigende kijk de klassieke verhouding netjes poogt terug te brengen. Maar dit terzijde.
Ik moest de afgelopen week aan Ô denken terwijl ik door mijn beregende tuin liep. Ik rook kamperfoelie. Eveneens de Arabische en boerenjasmijn. De basilicum schiet omhoog in de plantenkas. Het gras is net gemaaid. Je ruikt aarde, je ruikt humus. Met een beetje fantasie: ruik ik nu Ô?
Toeval of ‘het had zo moeten zijn’? Ik tref in een van de parfumkratten – mijn atelier wordt verplaatst – naast Chèvrefeuille en Le Jasmin (beide Goutal) Ô de Lancôme. Ik geniet al de hele week van alle drie. Maar van Ô in het bijzonder.
Wat is de geur toch heerlijk fris, groen, knisperend met elegant-warme nasleep. De opening is als een regenbui in een voorjaarstuin. De regen: citroen, bergamot en mandarijn. En dan gebeurt het: heel voorzichtig kringelt zich de kamperfoelie door dit fruit heen omhoog – associaties met ‘watergroen’, honing en zon. Vervolgens een bloemige injectie van jasmijn. Maar het zijn juist de kruidige noten die deze bloemen kracht en diepte geven – basilicum, rozemarijn en koriander (niet het blad maar het zaad).
Het mooie: ondanks dat de basisnoten zich al aankondigen – eikenmos, vetiver, sandelhout – blijf je de elegante mix van kamperfoelie en jasmijn ruiken. De geur eindigt mooi chypre-droog, houtachtig – zou je heel ouderwets mannelijk kunnen noemen. En er is zelfs een vies accent – civet (tot aan de jaren zeventig heel courant in geuren). Maar die is er in de nieuwe versies uit gezeefd.
Als de huidige verkrijgbare compositie niet al te veel afwijkt van het origineel, dan heb je een mooi-groene niet-opdringerige geur met diepere gronden te pakken. Terecht een klassieker. In feite een voorbode – de geur verscheen in 1969 – van de groene wind die begin jaren zeventig op vriendelijk wijze luchtigheid in de parfumerie zou brengen. Ook voor mannen, als die durfden.
Vreemd: ik dacht dat ik de geur al lang geleden besproken had. Kan me nog de foto’s herinneren die ik bij de recensie plaatste. Alleen kon mijn smartphone hem niet vinden in het archief, mijn laptop wel. Zie ik net. Dat dan weer wel: mijn beschrijving is nauwelijks veranderd, de invalshoek wel. Wil maar zeggen: je kan een geur vanuit diverse hoeken benaderen.
De geur was trouwens het debuut van de neus Robert Gonnon. Zijn naam vestigde hij met Cacharels Anaïs Anaïs (1978), Métal (1979) van Paco Rabanne, het al lang vergeten Empreinte van Courrèges uit 1971 (in 2021 olfactorisch aangepast en her-gelanceerd). Én een geur die mij tot nu toe totaal ontgaan is, maar door de naam alleen al nieuwsgierig maakt: QuiProQuo (1975) van Grès. Gaan we naar op zoek.



