Er was eens… een jongetje, genaamd Michal Gilbert Lach, die droomde om een parfum te creëren. Yawn, yawn. Snel verder: eenmaal volwassen begaf hij zich professioneel op het pad van de uiterlijke schoonheid. Begon als haar- en make-upartist, werd vervolgens salonhouder en – nu gaat het snel – kreeg succes als kledingontwerper met zijn modehuis BohoBoco – ik ben er niet achter gekomen waar de naam voor staat – in Warschau. Als ik het goed heb begrepen brachten zijn vanaf 2016 gelanceerde geuren (inmiddels 19 stuks) meer geld in het laatje dan zijn mode. Dus: doeidoei fashion, full focus on fragrance.
Gaat (on)gelukkigerwijze gepaard met bakken vol clichés. Hier volgen een paar. ‘Bohoboco is een verhaal over vrijheid, waarin geslacht, seksuele geaardheid, huidskleur, geloof of interesses er niet toe doen. Het parfum legt geen regels op, maar laat je je innerlijke tempel betreden en het pad van je leven ontdekken, in harmonie met jezelf. De geuren zijn diep persoonlijk – geboren uit innerlijke transformatie, spirituele groei en emotionele complexiteit. Elke geur vangt een dualiteit: licht en donker, kracht en kwetsbaarheid, chaos en rust’.
Whoa! Dit klinkt behoorlijk woke. Niets mis mee, maar marketingeblabla. Want: als geuren diep persoonlijk voor je zijn, waarom maak je ze dan voor anderen – hierdoor wordt het persoonlijke in één keer onpersoonlijk.
Kan er nog wel bij: ‘De parfums zijn ontworpen om zowel het hart als het intellect aan te spreken en verkennen thema’s als zelfacceptatie, intimiteit, trauma en transcendentie’. Hellup deel een!
Ook zoiets: ‘Geuren weerspiegelen de menselijke ervaring’. Come again? ‘Minimalistische esthetiek met maximale diepgang’. Inkoppertje! Tenslotte: ‘Veganistisch, diervriendelijk (luister Michal Gilbert Lach: dat zijn 99,99 procent van de geuren) met precisie vervaardigd in Grasse’ (lege huls beauty-vocabulaire).
Genoeg cynisme. Want als alle geuren zijn zoals Dark Vinyl • Musk, dan zeg ik: ‘Niet verkeerd’. Polish Potatoes en Wild Carrot Oud bijvoorbeeld klinken even absurd als intrigerend. De inspiratie is kenmerkend voor de huidige parfumstand van zaken: over the top en aanstellerig. ‘De jazzy geur van zwart vinyl en omhullende musk vormen een metafoor voor mooie en moeilijke momenten, voor hoogte- en dieptepunten die ons vormen. Deze compositie symboliseert de ervaring en hoop dat verandering onlosmakelijk verbonden is met ons leven en dat je uiteindelijk altijd herboren wordt als een nieuw mens – een nieuwe dag breekt aan, een nieuw jaar – het begin van iets onbekends en spannends – als de wervelende hypnose van het leven’. Hellup deel twee.
Dark Vinyl • Musk mixt op aangename wijze diepaardse natuurlijke noten met synthetische smaken. En gedraagt zich als een flipperkast; de ingrediënten pingpongen alle kanten op. ‘Ping, kleng, katsjoem, bang, boem! Wat er wel direct uitspringt is de musk: poederig en tegelijkertijd scherp en licht animaal. Soort van akelig irritant, maar best wel lekker. De leernoten ontgaan me een beetje, de amber-balsamachtige noten niet. Die spelen een spelletje met de cistus labdanum, wierook en styrax. Mooi. En dan af en toe een zoete golf van roos- en sandelhoutachtige noten. Idem.
Doorruikend kun je stellen dat de geur eigenlijk honderd procent niet-natuurlijk is. Doorruikend lijken ook de leer-noten meer tot ontplooiing te komen, hoewel ze zich als synthetische suède gedragen. Dark Vinyl • Musk is een geur die je lange tijd zal blijven verrassen omdat er telkens iets anders gebeurt. Het duurt een tijdje duurt voordat die zich aan je hecht en díe ingrediënten laten pulseren die het beste bij je passen. Kortom, aangenaam verrast. In gedachten ruik ik trouwens Asphalt Flower van MAC – ooit ook zo’n aangename samensmelting van nep en echt.
Volgens Le Monde wel. De Franse krant die net zoals zoveel kwaliteitskranten regelmatiger parfum als onderwerp heeft – niet als lifestyle maar vanuit sociaal-culturele hoek – hopende dat luxemerken nog meer in hun kranten gaan adverteren. Staat zo chic.
Le Monde zoekt het sinds enkele jaren met name in het analyseren van de consument. Het hangt daar allerlei theorieën aan op die – als de doelgroep het zou lezen – er zich over zou verbazen: ‘Wat een paar geurtjes al zo over mij zeggen’.
Nieuwe ontdekte doelgroep – lag in de lijn der verwachting: macho2.0. Ofwel, hij die zich laat beïnvloeden door masculiene influencers – denk Andrew Tate – opererend in de manosfeer. Volgens Wikipedia is dat ‘een heterogene groep websites, blogs en online fora die een bepaalde vorm van mannelijkheid en sterke oppositie tegen feminisme promoten’. Volgens Le Monde zien deze influencers geur ‘als wapen, als pantser, als manifest van kracht, als middel om iemands identiteit te bevestigen’.
Ja hoor, daar is het toverwoord van nu: identiteit. En dat combineer je natuurlijk met de socials – TikTok, Instagram – waar ‘onzekere’ jongemannen nu aldus Le Monde zoeken naar parfums als uiting van mannelijkheid en viriliteit. Op deze sociale media wordt gefocust op ‘projectie’, ‘prestatie’ en ‘kracht’. Er wordt bij parfumanalyses gesproken over ‘aura points’ (verwijst naar terminologie uit videogames) en ‘beast mode’ (uitdrukking in de fitnesswereld; ‘in een ultra-vastberaden modus gaan’).
Wees niet bang: de keuze voor een ‘mannelijk’ parfum is eerder performatief dan ideologisch, dus niet agressief – je hoeft niet te vrezen dat je in elkaar wordt gestompt als je de dragers complimenteert dan wel kritiseert. Gelukkig denk je dan, maar – let wel – volgens Le Monde is de tijd voorbij dat parfum wordt geassocieerd met intimiteit, subtiele verleiding of discrete verfijning.
Ik betwijfel dat – ik kijk nu met een Hollandse bril, maar geloof niet dat het voor de gemiddelde consument in Europa anders ligt. Geur zit voor heel veel mannen voornamelijk – as we speak – nog steeds in de Vaderdags-, feestdagen- en cadeautjessfeer (de ontvangers zijn misschien wel de vaders van deze parfumpantser-mannen).
Le Monde maakt alleen geen melding van een andere, eerder ‘verontrustender’ trend: hoe duurder hoe beter. Als op de verpakking een ‘gedistingeerde’ naam staat het liefst omringd met heraldieke symbolen, dan is het vaak vanzelfsprekend lekker. Van ‘subtiele verleiding’ of ‘discrete verfijning’ is hier inderdaad geen sprake. Het tegen elkaar opbieden, past dan weer wel perfect in deze nieuwe mannelijke consumentenanalyse. ‘Hoe duur was die van jou?’
Over smaak valt natuurlijk (niet?) te twisten, maar duur is dus per definitie niet lekkerder, origineler of eigenzinniger. En Le Monde ziet nog iets anders over het hoofd: groepsdruk. Veel generatiegenoten ruiken hetzelfde uit angst anders te zijn, en versterkt op onderbewust niveau het clan-gevoel – ook zo’n manosfeerbegrip – jij bent een van ons.
Zou het waar zijn? Op TikTok wordt aldus Le Monde bijna 60 procent van het parfumcontent bekeken door mannen. Aldus een medewerker van adviesbureau Présent (wat voor een adviezen geeft die en aan wie?). Zou kunnen. Maar om dan direct te spreken van een ‘doelbewuste toe-eigening van een gebied lange tijd als marginaal beschouwd voor traditionele mannelijkheid’. Vind ik nogal wat.
Toch wel grappig: deze plek werd voorheen ingenomen (of moet je hier eveneens toegeeigend of opgeëist schrijven?) door mannen die met weliswaar met dezelfde ‘macho-insteek’ naar geuren keken, maar zich niet als zodanig ‘mannelijk’ in doen en laten manifesteerden. Lees: trendsettende homo’s.
Terzijde: ik kan me nog herinneren toen ik mijn eerste schreden op het homosexuele pad zette – eind jaren zeventig – en ik in Amsterdam bivakkeerde bij een oom van een vriendin van me in verband met toelating tot de kunstacademie. Elke mondaine man droeg naast Geoffrey Beens Grey Flannel en Halstons 1-12 (beide uit 1976; helemaal uit Amerika dus extra chic). Plus: Lagerfelds Pour Homme (1978) – heet nu Classic – en Cerruti ‘s Pour Homme (1979). Guerlains Jicky (1889) – tijdloos populair in artistieke kringen – daargelaten.
Wel fascinerend om te zien als je gaat TikTokken: geuren worden door sommige macho’s2.0 getest alsof het een motor betreft, de intensiteit als ware het de cilinderinhoud van desbetreffende motor. En de ‘zwaarte’ van een geur wordt bewezen door de dop op de grond te gooien – ‘macho macho man i wanna be a macho man’. Geur krijgt nu dezelfde allure als die andere echte mannengagdets: auto’s, horloges, whisky of een knappe jaloersmakende chick in je armen.
Het adviesbureau Présent is blijkbaar vergeten dat de cliché gentleman met zijn veronderstelde voorkeur voor auto’s, horloges en whisky al decennialang een inspiratiebron voor geuren is. Treurig/sneu is dan wel weer het uitpak-ritueel op TikTok – voor mijn gevoel een van de mallotigste randverschijnselen betreffende de self gratification van de spenderende consument in overdrive. Terwijl ik dacht – call me old fashioned, call me biased- dat dit een typisch vrouwending was.
Wat ook niet wordt behandeld door Le Monde: de dosering en wat dat op omstanders doet. Ik kan zomerse zaterdagavonden herinneren wandelend door de Leidsestraat in Amsterdam dat je bijna werd opgetild door een golf van Joop! Homme. Heftig, niet dat ik er agressief van werd. Zover ik me kan herinneren ben ik twee keer – bijna vijandig – aangesproken op mijn overdosering. Het betrof Salvador Dali’s Pour Homme (in een restaurant) en Knize Ten (in een café). Beide geuren zouden nu met gemak de manosfeer ingetrokken kunnen worden.
Anno nu, kom ik in Amsterdam af en toe onverwacht in een oudh-wolk terecht – van overrompelend, tot prettig aangenaam, van oké tot een ‘very poor interpretation’. Het lijkt wel of de dragers het aan elkaar doorgeven. Ik ben ‘altijd’ weer verrast: dat één soort geur zo populair-vanzelfsprekend is geworden. Maar agressief-msaculien word ik er niet van – wel wanneer je een restaurant betreedt waar de geurstokjes met oudh uit de toiletten zijn doorgewaaid naar het eetgedeelte – verstikkend. Dan heb ik het gevoel dat ik in een intimiderend manosfeer-establissement terecht ben gekomen, waar je je moet ‘gedragen’. En als je je niet houdt aan de ongeschreven codes, kan een über-geparfumeerde testoronbom for whatever reason je lastig vallen. Agressief tegen agressief met conflicterende uitgangspunten.
Als kenner ben je natuurlijk bevooroordeeld. En als het dan ook nog een van je favoriete ingrediënten is, dan is het oppassen geblazen. De eerste keer dat ik vetiver rook, weet ik niet meer. Ik denk zo rond mijn dertigste, toen ik me ging verdiepen in de basisingrediënten: lavendel, jasmijn, leer, hout, bloemen, enz., enz, en vetiver. De keuze was eigenlijk logisch: Vetiver (1965) van Guerlain, decennialang de standaard voor vetiver.
Een openbaring: droog, hooiig, zon, aarde. Fris maar ook sensueel en warm. Dit smaakte naar meer. Hoe meer ik erin dook, hoe meer ik begreep dat het een van de populairste mannengeuren is – misschien nu ingehaald door oudh – en dat dus elk ‘zichzelf respecterend’ merk wel een vetiver in zijn assortiment had/heeft.
Een ‘gemiddelde’ vetiver mixt frisse noten (opening) met hopelijk lots of vetiver in hart in de basis vastgehouden door hout. Aan de neus de vrijheid hier zijn eigen smaakmakers aan toe te voegen.
De neus van Mon Vetiver volgt dit traject plichtsgetrouw en voegt – moet gezegd – originele, onverwachte ingrediënten toe: het zelden gebruikte gentiaaan – über-ijl fris – met een schone lavendel die worden gekoppeld aan limoen en jeneverbes (terwijl je de vetiver al voorzichtig ruikt). Lekker! Het gevoel aldus de neus Bruno Jovanovic dat dit moet oproepen: een ginakkoord. Dat lukt dus altijd met jeneverbes.
IJl-fris gentiaan
Nu openbaart zich de vetiver – meer fris, dan droog – die voor mijn gevoel niet echt op gang wil komen (zoals ik gewend ben van de klassieke vetiver) en er niet echt uit wil springen. Hiervoor gaat het toch te snel op in de houten drydown van kasjmierhout en patchoeli. Met andere woorden: een beschaafde vetiver helemaal geschikt als office wear. Eerlijk gezegd: ik had meer verwacht. Wel fijn: de natuurlijke indruk van het geheel.
Als je de geur koopt, dan doe je indirect mee aan een goed doel: de gebruikte vetiver uit Haiti is gecertificeerd, verlaagt de impact op het milieu verlaagt en ondersteunt boerengemeenschappen op het door pech geteisterde eiland. Dit past trouwens is de filosofie van het merk die duurzaamheid en verantwoord produceren niet als een optie, maar als een noodzaak ziet.
Ook onderdeel van Essential Perfumes’ filosofie: ‘compromisloze kwaliteit waarin het natuurlijke wint het van het synthetische om te komen tot een voor iedereen toegankelijke parfumerie, want: een uitzonderlijke geur mag geen privilege zijn’. Vind ik persoonlijk nogal overdreven gesteld want dat is geur al lang niet meer en als je er langer over nadenkt: nooit geweest. Ik moet dan altijd denken aan de tweeliterflacons eaux de cologne die je sinds jaar en dag kunt kopen in de grote supermarkten in Frankrijk en Spanje. Voor een paar euro heb je een aangename en toegankelijke cologne.
Nog een dingetje. Valt me nu pas op dat Mon ‘geschreven’ voor een product eigenlijk Ton wordt, wanneer een verkoper het je in de winkel overhandigt of het voor je in een postpakketje stopt. Mon Vetiver, devient Ton Vetiver.
Alleen het logo resteert van het oorspronkelijke merk
Via een aantal omwegen zal ik uiteindelijk op La Rosede Rosine van Les Parfums de Rosine uitkomen. Zit zo: in een aantal recente modeshows – waaronder die van Dior Homme – komen kledingstukken voorbij die refereren aan de oriëntaalse, exuberant-exotische stijl van Paul Poiret (1879-1944). Le Magnifique (bijnaam in Frankrijk, King of Fashion bijnaam in Amerika) opende zijn couturehuis in 1903 en maakt direct naam met zijn op de kimono geïnspireerde jurken, variaties op de tulband en zijn in oosterse dimensies gedoopte couture en feesten.
De wereldberoemde danseres Isadore Duncan (die het klassieke ballet bevrijdde van zijn strenge wetten) was een van zijn ambassadrices. Krijg nou wat: zijn grootste rivaal was Chanel. Poiret noemde haar modern-minimalistisch benadering van mode – gedenk haar petite robe noire – ‘misérable de luxe’. In 1925 werd hij failliet verklaard.
Potjandorie! Jammer, heel erg jammer én dit had voorkomen kunnen worden, want zijn grootste ‘fout’ was dat hij zijn parfumlijn (anno 1911) naar zijn dochter Rosine vernoemde in plaats van naar zijn eigen naam, zoals alle couturiers – Chanel, Lanvin, Molynieux, Patou, Schiaparelli, Vionnet – dat toen deden (die hierdoor nog schatrijker werden – nog steeds is parfum de motor van de luxe-industrie). En dat is jammer, heel erg jammer, want Poirets parfums combineerden flair, fantasie, plezier, poëzie, snobisme, handwerk en vakmanschap die sedertdien eigenlijk niet meer is geëvenaard volgens mij (kom ik nog een keer op terug).
Daarom is het eigenlijk dieptreurig dat Marie-Hélène Rogeon – ‘afkomstig uit een familie van parfumeurs; haar overgrootvader maakte colognes voor Napoléon Bonaparte’ (zoals te lezen in haar biografie) in 1991 de naam Parfums de Rosine opkocht en zich presenteert als Poirets ‘erfgenaam’. Volgens sommige parfumprofielen op internet is ze zelfs een kleindochter van hem. Terwijl niets, maar dan ook niets in haar presentatie daaraan refereert. Behalve het logo. Jammer. Dom. Vreselijk.
Poiret à laDior
Het legt maar weer eens bloot dat commercieel gewin het meestal wint van respect voor historische relevantie. En dat de beautypers het over het algemeen geen bal interesseert of een merk uit zijn nek lult. Vanaf 1991 fabriceert Rogeon dus de ene na de andere geur. En elke keer als ik de standaardflacon van nu zie, denk ik: ‘Had ook anders kunnen zijn’.
Wat fijn, Marie-Hélène Rogeon is gek op roos: ‘Elk parfum van mij is een interpretatie van de roos in haar oneindige nuances: teder, verleidelijk, poederig of fris, maar altijd met een vleug Franse elegantie gecombineerd met tijdloze schoonheid’. Blablabla. ‘Elk parfum onthult een andere persoonlijkheid van de roos’. Blablabla. ‘De roos is symbool voor stijl en raffinement’. Blablabla
La Rose de Rosine (ik kreeg het als een van vijf proefjes bij aankoop van een geur bij http://www.parfumaria.com) is de zoveelste doorsneevariatie op de roos: licht, bloemig, zoet en ‘vrolijk en veilig’ met een poederige nasleep. Kan ook zomaar de eerste van Rogeon zijn, gezien het lanceringsjaar 1991. Alleen afgaande op de hoeveelheid verwerkte rozen en andere bloemen zou je meer verwachten. Meer geknal, meer vuurwerk.
La Rose de Rosine uit 1912(coverfoto van het boek Paul Poiret and his Rosine Perfumes van Christine Mayer Lefkovich)
Rondom het hart van Turkse roos, Bulgaarse roos en meiroos – die geen roosexplosie veroorzaakt – zorgt het viooltje voor extra zoetigheid. De ylang-ylang (hier kruidig gemaakt door het Afrikaantje) versterkt samen met jasmijn de bloemennoot van het rozentrio.
De nasleep (tonkaboon, benzoïne en Perubalsem) neigt naar oosters en zorgt voor een poederige sfeer (versterkt door de iris). Maar alles blijft bescheiden, blijft zich afspelen langs lijnen van geleidelijk- en braafheid. Alsof de neus (François Robert) bang was los te gaan op het parfumorgel, of het niet mocht van marketing (grootste kans).
Ik moet denken aan een vrouw (ik waag me niet aan een typering) die in Parijs op vakantie, graag een geur als herinnering wil meenemen, als belichaming van de Lichtstad als het clichébeeld van romantiek. Want deze vrouw weet inmiddels (uit beautybladen) dat Paris van Yves Saint Laurent en La vie est belle van Lancôme niet meer kunnen. Niche is nu het toverwoord in beautykringen. Ze moet zich alleen afvragen of dat etiket op La Rose de Rosine geplakt mag worden.
Lang geleden dat ik zó enthousiast was over een geur, terwijl die niet tot mijn favoriete familie hoort: de gourmand. Delizia Oscura van Calaj. Gelanceerd in 2023. Het was een van de geuren die www.parfumaria.com voor me had klaargezet tijdens een parfumborrel waarop ik een vriend had getrakteerd. Over het merk had Maria me al de oren van het hoofd gepraat. Dit was nou eens een iemand die schijt aan alles had, niet nadacht over trends, modes en consumentengevlei. Zijn eigen smaak, zijn leidraad. Kom daar nog maar eens om!
Zo hoor ik het graag, ware het niet dat zoiets al behoorlijk marketing klinkt. Nu weet ik weer wat me toch tegenhield toen ik voor het eerst van Calaj hoorde: de namen – inmiddels meer dan twintig – van sommige van zijn geuren: Carmen, Gym Rat, Panther Fangs. Zwevend tussen cliché en camp. Kennen we nu wel. Voor ik het vergeet: Flavius Calaj komt uit Roemenië en gezien de naam van een van zijn geuren al Transilvsania heet, zal het me niet verbazen dat Dracula binnenkort aan de beurt komt, gevolgd door Garlic Fangs (kan interessante geuren opleveren wanneer je je als neus erin verdiept).
Teleurstelling bij nader onderzoek: ik dacht – achternaam in het Roemeens betekent volgens GoogleTranslate verstikking – dat Calaj ook de neus was. Maar nee hoor, weer iemand – ook wel creatieve kracht genoemd – die backers van zijn parfumdroom weet te overtuigen en die neuzen nodig heeft om die te realiseren.
Zijn filosofie in een notendop: het omarmen van de schoonheid van de menselijke ziel, kunst en creativiteit, aan hen die de moed hebben om te creëren en iets moois te brengen in deze grijze wereld. Inderdaad gaapgaap.
Flavius Calaj
Neemt niet weg dat Delizia Oscura een verpletterende indruk maakt. Wel een nadeel: door het overheersen van koffie en chocolade, ontgaan je de andere versierders – eigen aan gourmandgeuren. Want de gebrande koffie lijkt versgemalen, de chocolade is in feite een poederregen van stoffige cacao waarin de bloemen – ylang-ylang, viooltje en lelietje-van-dalen die de geur lucht geven – lijken te verdrinken.
Ga je naar zijn site, dan neemt de teleurstelling toe. Alle ‘weetjes’ van de klassieke parfumerie passeren de revue. Zoals: ambachtelijk, limited editions, samenwerking met wereldberoemde parfumeurs, op de meest artistieke wijze gepersonaliseerd, handgemaakt, lokaal, de beste ingrediënten. Inderdaad gaapgaap.
Dat dan weer wel: de andere gourmandnoten – hazelnoot, ‘melk’, karamel, vanille – versterken het patisserie-gevoel. Maar zonder ‘Margriet-tuttig’ en ‘Libelle-lekker’ te worden. Ik ben wel heel benieuwd naar de musk die hier aangenaam opdringerig is. Kan ik dit geval alleen maar een hele ‘vieze’ zijn. Want, raar maar waar: ik kreeg af en toe een poppers-gevoel door de scherpe, bijna elektriserende, ‘rioolachtige’ en ‘achterbuurt’ ondertoon.
Een soort samenballen van donkere diep-animale musksoorten. Fascinerend. Verwarrend. Ik weet alleen niet of de geur is samengesteld door Miguel Matos, door Sophie Behaghel of door Camile Chemardin – de favorieten van Flavius Calaj. Geeft niet, al was het alleen maar om het feit dat de diep-donkere basis van Delizia Oscura 24 uur na sprayen op mijn linkermouw nog aangenaam aanwezig was.
In tijden van alternatieve feiten, samenzweringstheorieën en ‘historisch kersen plukken’, weet ik vaak niet meer of een verhaal nu echt of nep is. Zo dook ik een tijdje geleden online de boeken in om meer te weten over de relatie tussen parfum en antieke beelden – had ooit gelezen dat in de oudheid sculpturen werden besprenkeld met welriekende waters. Zou het waar zijn?
Toch soort van logisch: als er een link bestaat tussen religieuze verering (om goden aan te roepen, tevreden te houden) met behulp van brandend wierook, mirre en welriekende kruiden en houtsoorten dat in golvende slierten richting hemel stijgt – het woord parfum stamt tenslotte af van pro fumo en betekent ‘door rook’ -, kan ik me eveneens voorstellen dat beelden als teken van devotie werden ingesmeerd met parfumoliën – met nóg grotere kans op beantwoording van gebeden.
Stuit ik onlangs op het volgende: een studie uit 2025 (Oxford Journal of Archaeology) werpt licht op deze praktijk. Het blijkt uit geschriften van onder anderen Cicero (106 – 43 v Chr) en Plinius de Oudere (23-79 n Chr). De laatste vermeld in zijn Naturalis historia het parfumeren van beelden van goden en heersers. En de Griekse geleerde Callimachus (c.310 – c. 240 v Chr) merkt bijvoorbeeld op dat een standbeeld van de Egyptische koningin Berenice II (267 – c 266 – 221 v Chr) ‘nog nat was van het parfum’. Ze werd samen met haar echtgenoot als staatsgodin vereerd en als godin op zich aanbeden. Leuk detail betreffende devotie: ze offerde haar eigen haar.
Geur had een diepe betekenis in het leven van de oude Grieken en Romeinen, het is dan niet verwonderlijk dat het ook in de kunst werd geïntegreerd.
We zoeken verder in de Oxfordstudie: beeldhouwers uit de oudheid gebruikten diverse oliën, wassen, bloemen en kruiden om hun werk een olfactorische dimensie te geven, waarbij met name rozenparfum populair was. De werkwijze, die de oude Grieken kosmesis noemden, was als volgt: godenbeelden werden overdadig gedecoreerd met sieraden en textiel, en parfumeren was vaak onderdeel van dit ritueel.
Zo gebruikten gelovigen in de tempels op het Griekse eiland Delos een parfum genaamd myron rhodion, gemaakt van olie, bies en roos. Onder de bijna 3000 stenen inscripties die op dit eiland zijn gevonden, bevinden zich ingrediënten – spons, olie, sodacarbonaat, linnen, was en rozenparfum – voor rituele reiniging van de beelden van Hera en Artemis.
Ruiken en glanzen
De geuren op beelden kwamen ook van bloemenguirlandes (iets wat bij de Hindoes nu nog steeds gebruikelijk is). Hoewel de archeologische bewijzen voor dergelijke versieringen schaars zijn, zijn er in graven en op begraafplaatsen wel replica’s in lood, terracotta en goud gevonden. Een voorbeeld hiervan is het Romeinse festival Floralia, dat vanaf 173 v Chr. jaarlijks werd gehouden ter ere van Flora, de godin van de bloemen en de lente. Bloemen werden neergelegd bij het heiligdom van de godin als offer.
Daarnaast ‘ontstonden’ er geuren door normaal onderhoud: door conservering van beelden die werden ingewreven met was en olie, soms met toevoegingen zoals nardus (muskuswortel) die de beelden tegelijkertijd een ‘goddelijke’ schijn gaven.
Griekse en Romeinse beelden zijn duizenden jaren na hun ontstaan nog steeds ontzagwekkend. Veel exemplaren hebben de tand des tijds ondanks hun ‘gebreken’ doorstaan: zoals het ontbreken van lichaamsdelen en het verdwijnen van kleuren (het besef dat beelden én gebouwen oorspronkelijk polychroom waren, ontstond in de late 18de en 19de eeuw). Vóór die tijd werd aangenomen dat ze waren gemaakt van smetteloos marmer of steen.
Katholiek opgevoed, herinner ik me geen met geuren besprenkelde Mariabeelden, wél overdadig aangekleed en opgesmukt met ladingen sieraden.
Ik heb wel een keer een spirituele, olfactorische ervaring gehad (waarnaar ik niet op zoek was) met oude beelden. Ik moest van een bevriend kunsthandelaar eens een partij Afrikaanse houten ‘voorouderbeelden’ van zijn winkelgalery naar een opslagplaats vervoeren ergens in het Amsterdams havengebied. Het was drukkend warm, ik opende deur van de opslagruimte. Er kwam een golf van geuren over me heen. Allerlei nuances van hout, van droog naar zonnig, van kruidig naar zwoel. Overrompelend, bijna letterlijk adembenemend. Oudh in overdrive. Alsof je een tempel betrad. In één keer kon ik me het aanspreken van de goden tijdens een religieuze processie voorstellen te meer ik het idee had dat ik in een soort trance – een mengeling van verwondering en vervoering – terecht was gekomen die enige tijd aanhield.
Hoewel volgens recente cijfers de belangstelling voor religie groeiende is onder jongeren (met dank aan/met behulp van TikTok), is voor de meeste ouders religie toch verworden tot louter decoratie. Ik kan geen Boeddhabeeld meer zien. En voor de tot slaaf gemaakte consument die geur en ‘ik geloof niet, maar denk wel dat er iets meer is’, spiritueel en welriekend wil ervaren, wil ondergaan en wil beleven, levert de vermaakindustrie inmiddels geurkaarsen in de vorm van antieke bustes en beelden.
Tis maar net waar je je druk om maakt: moet mijn beste vriendin stoppen met hetzelfde parfum te dragen als ik? Het is deze week onderwerp in de rubriek You be the Judge van The Guardian (waar ik me vorige week op abonneerde; wordt direct getrakteerd op een geurgerelateerd artikel). Ik heb de hele tekst door GoogleTranslate gedaan. De cursieve woorden tussen haakjes zijn mijn overwegingen. De reacties van de ‘jury’ spreken voor zichzelf.
Marta wil een unieke geur, maar Elsa vindt dat het kopen van dezelfde geur gewoon een manier is om er ook van te genieten. Ruikt u onraad?
De aanklager: Marta
Mijn individualiteit (belooft niet veel goeds) is erg belangrijk (erg: pas op voor overdrijving als je iets aan de kaak wil stellen) voor me en ik wil mijn stijl en mijn geur uniek houden (twee clichés op rij bedacht door de beautyindustrie). Ik ben altijd al vrij (pas op voor overdrijving) gesteld geweest op mijn uiterlijk (ijdelheid kan een deugd zijn). Ik vind het niet leuk als mensen vragen waar ik iets gekocht heb, omdat ik graag uniek ben (geloof ik niet: je wilt toch óók geprezen worden om je eigenzinnigheid. ‘Wat een lekker parfum ruik ik!’ ‘Bemoei je met je eigen zaken, ja!’).
Mijn vrienden vinden het grappig (hoe interpreteer je grappig in dit geval; bewonderend of smalend?), maar ik vind het belangrijk om je eigen, onderscheidende stijl te hebben (hoe vaker geuit, hoe minder overtuigend). Dit was tot voor kort geen punt van discussie (groot woord voor een klein iets), totdat ik een lekker (discussie!) parfum kocht. Elsa gaf me een compliment en vroeg wat het was, en zei toen dat ze het ook ging kopen omdat ze het zo lekker vond. (Ik zeg meid, wees slim en geef Elsa de naam van een ander parfum: ‘Oh, op jouw ruikt die echt heel anders, grappig hè, zal wel met je huidgraad te maken hebben, blablabla, of zoiets.’)
Ik uitte (tutte als eerste persoon enkelvoud) mijn irritatie daarover, wat volgens mij terecht is (in dit geval onbelangrijk), ook al was Elsa erdoor in de war (dat krijg je dan met uitzonderlijkheid). Mijn redenering is simpel: als ik een unieke geur heb (realitycheck: geen enkele geur is uniek, of je moet er een op maat laten maken) die persoonlijk (dat woord kan ik bijna niet meer horen in verband met ‘kleine keuzes’) voor mij is, wil ik niet dat mijn beste vriendin hetzelfde ruikt. We kunnen niet allemaal hetzelfde parfum dragen; dat is raar (says who? En by the way je hebt trends en hypes in geuren, ook in heel moeilijk verkrijgbare; ga even Tiktokken, dan krimpt je zelfuitverkoren uniciteit vanzelf weer tot dagelijke proporties).
Een persoonlijke geur is iets heel intiems (ja, nu weten we het wel!). Het is niet zoals een trui of zelfs een lippenstiftkleur (kun je ook als intiem ervaren), die je op- en afdoet. Als iemand me knuffelt en zegt: ‘Ik vind je geur lekker’, dan betekent dat iets en is het persoonlijk (hoeft niet perse, kan ook een soort gemakzuchtig fatsoen zijn). Dat Elsa precies hetzelfde parfum wil kopen, voelt als een aantasting van mijn identiteit (hellup, ook weer zo’n te pas en te onpas gebruikt – en aangepraat – begrip), en het voelt ook een beetje lui. Waarom kan ze niet gewoon haar eigen geur vinden? (De meeste consumenten zijn lui. Het blijkt dat heel veel mensen de geur kopen die ze bij de hun behandelende kapper ruiken)
HET FEIT DAT ZE NIET BEGREEP WAAROM IK BOOS WAS, GAF ME HET GEVOEL DAT IK NIET SERIEUS WERD GENOMEN (PFFF, JE KUNT JEZELF OOK TE SERIEUS NEMEN).
Het parfum dat ik heb, is niet van een bekend merk, maar van een kleine Franse website (‘Ah, madame is chic! Marche, marche, marche mademoiselle’). Ik denk dat ik het voor mezelf wil houden omdat ik zelf onderzoek (!) heb gedaan naar iets wat ik echt lekker vind en ik vind dat zij dat ook zou moeten doen (hou je je favoriete kookrecepten ook voor jezelf? Als iemand daarnaar durft te vragen, komt je ‘anders zijn’ daardoor in de gevarenhoek?). Ik vind het niet onredelijk om sommige dingen voor mezelf te willen houden. (Dan zeg je toch met een knipoog: ‘Zoek het lekker zelf uit!)
Ik kopieer Elsa’s kleding of haar kapsel niet – sterker nog, ik vermijd dat actief (wat moet ik me daarbij voorstellen) omdat ik haar individualiteit respecteer (nog een keer: grote woorden voor kleine handelingen). Het feit dat ze niet kon begrijpen waarom ik overstuur (toe maar!) was, gaf me het gevoel dat ik niet serieus werd genomen (ach gossie). Ze noemde me op een grappige manier ‘oppervlakkig’ (beetje uit de context deze opmerking), maar ik vond het niet grappig (ja, nu weten we het wel!). Mijn vriend, Ben, koos ook haar kant, wat me nog meer irriteerde. (Oh, dear you, ik zie een ophanden scheiding, en ik wil niet speculeren, maar…).
Ze hebben dit snel afgeschilderd (ik zou het anders omschrijven) als onzekerheid van mijn kant, maar ik vind dat niet terecht (kommer en kwel nu weten we het wel). De behoefte (dingen die je vanzelfsprekend doet, zijn niet behoeftes) om me te onderscheiden betekent gewoon dat ik de kleine dingen waardeer die ons maken wie we zijn (ik begin me af te vragen of deze brief niet door AI is geschreven; wat een opeenvolging van platitudes). Algoritmes sturen ons online naar dezelfde dingen, waardoor we allemaal minder uniek worden, dus het is steeds belangrijker om onze individualiteit te behouden (zonder het in de gaten hebben, wordt ze zelf ook gestuurd door algoritmes. Doet me denken aan mensen die zeggen dat als ze op vakantie geen toeristen zijn en niet – willen – weten dat ze gewoon ook onderdeel zijn van dezelfde mondiale, commerciële industrie).
IK PROBEER HAAR HELE IDENTITEIT (HEB JE HET WOORD WEER) NIET TE KOPIËREN (GOED ZO!). VRIENDEN MET DEZELFDE SMAAK DELEN GEWOON DE VREUGDE (EEN MOOI, STREVENSWAARDIG UITGANGSPUNT).
Het verweer: Elsa
Ik vind het grappig dat Marta denkt dat zij en ik niet hetzelfde parfum mogen hebben. Parfum is geen privébezit – het is een product dat in winkels aan het grote publiek wordt verkocht (niet relevant ter verdediging). Het idee dat zodra Marta een parfum draagt, het verboden terrein wordt voor de rest van haar sociale kring (de cleaning lady, als ze die heeft, mag die wel?) voelt absurd.
Door de jaren heen is Marta nogal defensief (!) geweest als het gaat om mensen die haar stijl kopiëren (hoe zou dat in zijn werk gegaan?). Toen ik een topje kocht (als je echt een ‘identiteit’ hebt, keur je topjes geen blik waardig… zo ordi) dat zij ook heeft, zonder het haar eerst te vertellen, werd ze boos (je kunt een vriendschap ook beeindigen). Ze vindt het niet leuk als mensen vragen waar haar spullen vandaan komen (waar zijn de verkennende small talks als je voor het eerst op bezoek komt; don’t mention her interior, and don’t you dare to mention: ‘Do I detect a roomspray?’), omdat ze haar eigen spullen wil beschermen (koopt ze alleen maar museumwaardige spullen die per direct verzekerd moeten worden?). Ik vind het grappig, maar een paar keer hebben onze gemeenschappelijke vrienden zich beledigd (how very dare you!) gevoeld toen ze probeerde dingen voor hen verborgen te houden (dit geloof ik niet, hoe is dat in zijn werk geggaan – kan dit verfilmd worden? Trouwens, als je gemeenschappelijke vriendengroep groot genoeg is, kun je de vriendschap met die geurzeur opzeggen).
WE ZIJN BESTE VRIENDINNEN, DUS IS HET ECHT ZO ERG OM EEN PARFUM TE DELEN (NOPE)?
Ik vind het ook een beetje kinderachtig (beetje? Heel erg!). Als iemand je hele identiteit kopieert (niet doorschieten, het is geen science fiction, doet me denken aan Gary Numans nummer Replicas) dan is het terecht om geïrriteerd te raken. Maar als het alleen om een parfum of een kledingstuk gaat, wat is dan het probleem (I couldn’t agree more)?
Toen ik naar het parfum vroeg, werd Marta afstandelijk en koel (drama!). Uiteindelijk vertelde ze me het merk (kan dit eveneens verfilmd worden?), maar ik had het gevoel dat ik per ongeluk (dat lijkt me nu niet) een grens had overschreden. Toen ik aandrong (wordt een hele spannende film), zei ze dat ze niet wilde dat ik het kocht. Ik moest lachen, maar later besefte ik dat ze het meende. Haar reactie gaf me het gevoel alsof ik iets van haar had gestolen, terwijl ik haar alleen maar bewonderd had (drama, drama).
Bovendien ruikt parfum bij iedereen anders (told you!). Lichaamschemie, zeep en wasmiddel beïnvloeden allemaal hoe een geur zich verspreidt, dus het idee dat we hetzelfde zouden ruiken klopt gewoon niet. En zelfs als dat wel zo was, wat dan nog? We zijn beste vriendinnen, dus is het echt zo erg om een geur te delen (helemaal niet)?
Vrienden beïnvloeden elkaar constant, en ik heb wel eens dingen gekocht die Marta me aanraadde en ze leek er nooit aanstoot aan te nemen – maar misschien komt dat omdat ze het zelf niet zo lekker vond en het daarom niet erg vond om te delen (hoe meer ik lees, hoe onaardiger Marta wordt).
Het feit dat we dezelfde parfum lekker vinden, betekent niet dat ik haar wil zijn. Het betekent dat we een vergelijkbare smaak (laat Marta het niet horen!) hebben, wat na veertien jaar hechte vriendschap waarschijnlijk heel normaal is. Parfum is bedoeld om van te genieten, niet om te bewaken (wie bewaart zijn parfums in een safe?). Ik denk dat het delen van plezier veel belangrijker is (absoluut!) dan het bewaken van uniciteit omwille van de uniciteit (nog één keer: te grote woorden voor een te klein probleem) zelf.
Moet Elsa tot bezinning komen en haar eigen parfum zoeken?
De jury van Guardian-lezers aan het woord.
Emily, 35
Marta is niet de eigenaar van het parfum, en haar identiteit reduceren tot een geur is absurd. De meeste mensen zullen het niet eens merken – niemand denkt zoveel aan ons als wij denken dat ze aan ons denken!
Laura, 62
Geuren behoren tot de meest subtiele zintuiglijke elementen, natuurlijk of niet. Ik begrijp Marta wel – ze besteedt veel aandacht aan haar imago en investeert er veel tijd en moeite in. Maar ze heeft Elsa wel verteld waar de geur vandaan kwam. Nu kan ze troost vinden in het feit dat ze een ‘influencer’ is.
Josh, 42
Sorry Marta, tenzij je dat parfum zelf hebt geëxtraheerd of gemengd, is je claim erop nogal zwak. Het hipsteridee van ‘authenticiteit’ – het kopen van obscure en nicheproducten ‘voordat ze cool waren’ – is net zo consumentistisch als elke algoritmische trend.
Victoria, 25
Het lijkt me dat Marta haar individualiteit koestert en haar individuele consumentenkeuzes als een integraal onderdeel van haar identiteit beschouwt. Dit is altijd een wankele combinatie, want als je je identiteit koopt, kan iemand anders die ook kopen. Identiteit zou moeten voortkomen uit wat je doet, niet uit wat je koopt. Misschien moet Marta een hobby zoeken?
Ani, 71
Zodra een product op de markt is, is het beschikbaar voor iedereen. Suggereren dat het onderdeel is van de identiteit van een individuele koper is een illusie. Als Marta uniek wil zijn, zal ze moeten betalen voor een parfum op maat en ervoor zorgen dat het recept haar eigendom wordt.
De lezers kunnen zelf ook oordelen. Hoe?
Vertel ons in onze online poll: moet Elsa haar parfum veranderen?
Ik vroeg een fifty something-verkoopster (wenst anoniem te blijven) in een Ici Paris XL-winkel (‘liever niet’) wat voor een geur zij mij zou adviseren. Ze nam me serieus op van top tot teen. Ik zag er redelijk fatsoenlijk uit met mijn visgraatbroek, net gepoetste laarzen, indigoblauw Raw Denim-jacket, vintage kasjmiersjaal plus bontmuts gemaakt van wasbeer (ooit in Canada cadeau gekregen). Het moest volgens haar iets geprononceerds zijn, duidelijk en ‘anders’. Gaat de goede kant op, dacht ik. ‘Wat dacht u van een leergeur?’ Potjandorie! Compliment. Ze zat direct aan mijn favoriete parfumtak. Mensenkennis? Ik complimenteerde haar.
Het werd dus Ombré Leather. Uit 2018 alweer. Ik nam de planken gevuld met Tom Ford in me op, en dacht: ‘Hij kan alleen al met zijn geuren een parfumerie openen: alle takken van de parfumboom goed vertegenwoordigd’. Doet hij natuurlijk niet en kan hij nu ook niet meer gezien hij in 2022 zijn hele zakelijke hebben en houden heeft verkocht aan The Estée Lauder Companies (die al zijn parfums in licentie produceerde) voor bij drie miljard dollar. Chapeau! Respect!
Ik had natuurlijk al van de geur gehoord met name omdat ik de verantwoordelijke neus een tijdje volgde op Instagram omdat ze mij ook een tijdje volgde: Sonia Constant. Ze presenteert zich online als een mengeling van te succesvolle actrice en dito topmodel die de regie over haar perfume personality strak in handen houdt (die op een gegeven moment gaat vervelen vanwege het inwisselbare, dus afgehaakt).
Anyway, de geur werd onderscheiden met – for what it’s worth – Best Unisex Fragrance MarieClaire Frankrijk. Ik liet me rijkelijk twee keer onderspuiten (wat de verkoopster verbaasde) en zei dat ik de geur op me zou laten inwerken. Als ik weer in keer in buurt was, zou ik het haar vertellen.
Nou, hier komt-ie. De opening: de leer knalt direct door een licht elektriserend frisgroen heen. Duidelijk kardemom, dat is niet moeilijk. Leer zoals ik het lekker vind: ruig, ruw. Maar dan neemt de geur vervolgens met mijn neus een loopje. Ik ruik bloemige, fruitzoetige tonen die geleidelijk scherper worden voor mijn gevoel – kan toch niet alleen sambacjasmijn zijn?
Dit wil ik niet: het leer speelt vals spel en transformeert me (iets te) snel naar een suède-achtig gevoel. Braaf, gepolijst, saai. Moet dat nou Tom Ford? Het wordt me allemaal te zoet. Ombré Leather gaat flitsend van niche-exclusief richting ketenparfumerie.
Dan toch iets grappigs, onverwachts: een mix zwevend tussen zeep (van Nonchalance) en klassieke haarlak. Jaren zeventig massmarket chic. Ik moet denken aan aldehyden. Maar is dit nu positief omdat ik dit associeer met mijn moeder voor ze naar de koorrepetitie ging toen ik klein was? Het was toch een leergeur?
Het suède is inmiddels ook verdwenen in de nasleep. Ik meen een melange van witte musk en ambroxan waar te nemen. Maar volgens de ingrediëntenlijst moet dat amber, mos en patchoeli zijn. Geloof er niets van. Of de amber is ambroxan en de patchoeli is wit en mos staat er louter ‘om de chic’.
Na een uur is er weinig meer over. Teleurstellend, maar ik vermoed ook een ‘verborgen agenda’. Dat wil zeggen; steeds meer eigentijdse geuren maken in de opening een ‘verpletterende’ indruk (‘wow!’, ‘echt anders!’, ‘jeetje!’, ‘ech nie normaal!’). In dit geval leer om vervolgens snel over te gaan in een veilig en vertrouwd aanvoelende comfortzone op basis van allerlei amber- en witte musk-variaties – we zijn weer thuis.
En daar is precies waar de parfumindustrie de massaconsument wil hebben. Doorsneechic. En daarom zullen heel veel mensen de geur lekker vinden. Trouwens, voor hetzelfde geld had de compositie óók in een flacon van Narciso Rodriguez gestopt kunnen worden, gezien Sonia Constant verantwoordelijk voor veel van zijn geuren verantwoordelijk is. Misschien heeft ze zich vergist.
Over het parfumextract dat in 2024 verscheen zei Tom Ford: ‘De meeste van mijn geuren weerspiegelen expliciet aspecten van mijn leven. Bij Ombré Leather is elke noot verbonden met het Amerikaanse westen van mijn jeugd. Het bouwt voort op de wilde, ongeremde sensualiteit van de originele geur… het is een versterkte expressie’ – leest als AI dat nog in de stijgers staat.
Ligt het aan mij? De campagnefoto (de lippen van haar zijn wel erg full blown; hij is more natural) en het fragrance-filmpje vind ik erg van dik hout zaagt men planken. De parfumwereld zit nog steeds vast in de Calvin Klein-parfumesthetiek.
Geur en herinnering: een mooi, serieus te nemen gegeven. Maar sinds parfum een vast, vanzelfsprekend onderdeel is geworden in de ‘belevingswereld’ van Jan en Jannie Modaal – 1980 zie ik als het startpunt van het ‘democratiseringsproces’ van parfum – wordt het te pas en onpas commercieel gebruikt, verkracht.
Geur en herinnering is verworden tot een cliché, een misleiding. Meestal bedacht, ofwel ‘opgelegd’ door de persoonlijke herinneringen van marketingteams. En die vliegen wat dat betreft nogal eens uit de bocht.
Excellent voorbeeld: het inmiddels van de markt verdwenen Love Story van Chloé. Oorspronkelijk ooit bedacht door wellicht een oprechte anonieme romanticus: hij had een ‘liefdesslot’ als herinnering aan een verliefdheid vastgesleuteld op de Pont des Arts in Parijs. Deze ‘privéboodschap’ werd door social media snel opgepikt.
Resulterend in, dat all over the world bruggen bijna bezweken onder het gewicht van liefdesslotjes. ‘Zó leuk, zó hartverwarmend, zó inspirerend, dit ga ik voorstellen als inspiratiebron voor de nieuwe Chloé-geur’ – sprak de creative consultant. En als het hele concept in kannen en kruiken is meldt het persbericht trots: Love Story is geïnspireerd op de Parijse romantiek en de liefdesslotjes op de Pont des Arts; zowel campagne als flesontwerp verwijzen hiernaar. Nepherinnering, nepemotie, nep alles. Geruststellend: Love Story is geflopt.
En dit brengt me tot Oxygène. Daar heb ik fijne herinneringen aan. Puur de naam, niet de geur. Want zo heet ook het debuut van Jean Michel Jarre. Uit 1976. Als tiener was ik heftig onder de indruk – al die voor mij nieuwe klanken en sferen. Grijsgedraaid. En dan die hoes, een in staat van ontbinding zijnde aardkloot met daarachter een doodshoofd verschijnend. De boodschap is duidelijk, althans die ik erin zag: als we geen zuivere lucht kunnen inademen, en de aarde wordt verkloot door venijnige dampen in atmosfeer, dan kunnen we het wel shaken.
Une fois Oxygène
En toen verscheen de geur Oxygène op de drempel van het nieuwe millennium. 2001. Naam goed getroffen. Simpel maar met voldoende symboliek: een hoopgevend begin voor de komende 1000 jaar. Maar omdat Lanvin als couturehuis in Nederland – toen! – bijna tot niemand iets zei werd het niet gelanceerd. In een van de grote warenhuizen in Parijs heb ik er wel een paar keer aan geroken.
Was er niet kapot van. Gewoon aangenaam aromatisch fris met groene ondertonen, niet veel verschillend van de tientallen toen populaire aquatische mannengeuren. Amerikanen zouden de geur omschrijven non-offensive office wear. Vind ik nooit een aanbeveling: give me any colleague who uses a very offensive perfume.
Ik had het kunnen weten: de parfumeur is Alberto Morillas, want ik rook in eerste instantie iets in Oxygène dat me deed denken aan Lanvins L’Homme (1997). Ook van zijn hand. Ketenparfumerie verpakt in een chic-clean aura. Internationaal is de geur ook niet aangeslagen – zou het ‘daar’ ook aan de beperkte naamsbekendheid hebben gelegen?
Als je de moeite neemt door te ruiken, dan ruik je meer dan doorsnee: een doorgronde groene, houtachtige sfeer (cipres, koriander, cederhout) vermengd met ijle (mirte, sparhars, jeneverbes) ondertonen. Eigenlijk is het een ‘omgedraaide’ geur: op een basis van witte musk groeien alle bovengenoemde ingrediënten. Niet slecht voor 2001.
En wat geur en herinnering betreft: bij oxygène denk ik nu zowel aan Jarre als aan Lanvin. In ieder geval, doe me een lol: koop de geur. Voor de geef nu. Doet het zeker goed als cadeau voor een familielid, vriend of collega met weinig verstand en/of interesse in geuren maar die toch wel ‘vaderdagvriendelijk’ wil ruiken, en het leuk vindt om op dit gebied gecomplimenteerd te worden. Let wel: op dit moment worden er in de ketenparfumerie soortgelijke geuren aangeboden, alleen zijn die nog niet geflopt.
Een freelance collega-vriend (specialiteit beauty voor mannen) ‘klaagde’ eens bij mij over zijn beperkte onderwerpkeuze: ondanks het overstelpende geuraanbod kwam het er vaak op neer dat hij alleen maar beproefde recepten mocht opsommen in zijn ‘stukjes’.
Dat betekende dus heel vaak voor mannen: houtgeuren, dus vetiver. Vond ik ook jammer, want naast de hoeveelheid shit – al van het verschijnsel shitification gehoord? – verschijnt er nog steeds veel moois, veel heftigs en veel ‘verschrikkelijks’ (in de goede zin van het woord).
Maar toch moet ik ‘bekennen’: ik kom na omzwervingen regelmatig terug bij vetiver. Nu gebeurt er op dat gebied nu niet veel spannends. Dacht ik. Tot ik weer eens bij www.parfumaria.com kwam (had een vriend getrakteerd op een afspraak). Zoals gewoonlijk bij haar: eerst overvallen door een depressief gemoed door het ‘intimiderende’ aanbod, werd ik allengs enthousiast. Mijn voornemen om ‘lekker veilig’ Bandit te kopen, toch een van mijn all time favorites, lonkte naar mij na een paar door Maria voorgestelde geuren (kom ik op terug) Parfum d’Empire. Ze had me dus niet verteld dat de neus achter dit merk Marc-Antoine Corticchiato zich al in 2022 over deze edele wortel had gebogen.
Ik doe de dop van de fles, spray Vétiver Bourbon op mijn linkerpols en… godverdomme, wat een geweldige opening: aarde, ruw, vochtig mos, donker, rokerig, puur, natuur en ‘ongemanierd’. Vetiver in al zijn diverse aardse kracht. Ik sluit me bij de maker aan: ‘Vetiver hier omarmt zijn inherente robuustheid. En sterker nog: zijn mannelijkheid. Hoewel al decennialang een vaste waarde in herengeuren, betreft het meestal een beleefde, verfijnde en ingetogen vorm. Vétiver Bourbon bevrijdt de vetiver van zijn al te beschaafde manieren om zijn oorspronkelijke elegantie te herstellen. Een ingrediënt dat in zijn ruwe staat een geur op zich is, uniek en contrastrijk’.
Klopt als een bus. Want wordt bij veel vetivergeuren de frisse kant ervan benadrukt door het te begeleiden met veel frisse noten, Corticchiato lijkt het met aarde en al uit de grond te hebben getrokken. Niks geen beschaafd getut. Eerst even de muskachtige noot van engelwortel (hier kruidig licht honingachtig), die wordt gesmoord door Bourbon en Haïtiaans vetiver die samen een aards, donkergroen spoor trekken.
Prachtig versterkt door de iris die als het ware de ‘aards-vochtige’ ondertoon versterkt: stoer en elegant tegelijkertijd. Ook goed waarneembaar: kruidnagel. Geeft een zwoel-droge toets. Strak en beheerst. Ambrette (hier dierlijk, zoet, leer- en likeur-achtig) maakt de geur wat losser en sensueler, maar stelt zich niet aan, door de milde dosering. Hier wil ik wel een bodysplash op water-oliebasis (had ik ooit van Guerlains Vetiver) van. Of twee. Of drie.