VARENS VERDRONKEN IN EEN BENGAALSE JUNGLE
Jaar van lancering: 2007
Laatst bijgewerkt: 24/02/12
Neus: Marc-Antoine Corticchiato
Hij heeft zijn oorspronkelijke uitgangspunt steeds meer verlaten: met parfums roemrijke periodes en dito personen (soms een paard) te eren met geuren opgebouwd uit ingrediënten die tijdens deze periodes en vogue waren, door deze personen gedragen hadden kunnen worden (het paard uitgezonderd). Een besluit waarvoor ik Marc-Antoine Corticchiato dankbaar ben. Want: steeds meer nichehuizen nemen geschiedenis als inspiratiebron. Want: hiermee verbreedt Corticchiato zijn spectrum waarvan we wellicht anders niet hadden kunnen genieten. Fougère Bengale bijvoorbeeld.
Hierin ruik je treffend zijn fascinatie voor het ‘fabricatieproces’ van geur in planten. Hoe ontstaan parfums in planten? Hoe kan een plant verschillende geuren uitademen gedurende haar bloeicyclus? Deze vragen stimuleerden hem studies in chemie te volgen wat betreft de analyse van parfumhoudende planten. Het leverde hem een doctoraat op. Zijn thesis: het op punten stellen van een nieuwe analysetechniek van plantenextracten aan de hand van R.M.N van carbon-13 (magnetische nucleaire resonantie). Ruik je dit bijvoorbeeld in Fougère Bengale? Ik weet het niet, wel dat je weer door hem wordt getrakteerd op een volle, rijke geur die de finesse van ieder ingrediënt ‘respecteert’ en niet laat verdrinken in het totaal. Als je goed ruikt, onderscheid je ze stuk voor stuk, en nog meer.
Fougère betekent varen. Bengale dat zijn de Bengalen. Ook wel bekend als Bango of Bangladesh en is een regio in Zuid-Azië onderverdeeld in de Indiase staat West-Bengalen en het land Bangladesh. Door zijn rijke geschiedenis roept de naam, althans bij mij, een verloren wereld op van rijkdom, verfijning, cultuur er kunst (die inderdaad gepaard ging met een schrijnende armoede waar het gebied nog steeds onder gebukt gaat) vermengd met een vleugje ‘colonial chic’. Een van de hobby’s van de bovenklasse uit ‘die goede oude tijd’ was de jacht op Bengaalse tijgers, zie de foto uit 1903 waarop Lord en Lady Curzon best wel trots bij hun verovering staan. Het vormde merkwaardigerwijze de inspiratiebron van deze geur (waar inmiddels – wijselijk – geen melding meer van wordt gemaakt).
Neemt niet weg, dat geur een zeer exotische indruk maakt, je kunt je inderdaad een tocht voorstellen door de jungle van de Bengalen. Fougère Bengale zou ik willen omschrijven als een zwoele en warme varengeur… je hoort vanuit de hoge bomen, die af en toe een zonnestraal doorlaten, de lauwe vochtdruppels en de nectar van orchideeën van blad op blad vallen om uiteindelijk terecht te komen op een altijd vochtige, zeer aardse, beetje zoetige ondergrond waar varens gloeiend groeien.
Het ziltige zweet glijdt van je voorhoofd, druppel na druppel op je klamme lichaam… je verlangt naar een bevrijdende regen of douche, maar vindt eigenlijk de mix van zwoelte, zweet en zoet best aangenaam… door blijven lopen… ‘wat hoor ik daar, is dat niet de Bengaalse tijger, maar die was toch uitgestorven?’
WAT RUIK IK EIGENLIJK?
Mooi, rijk, vol en anders sensueel, en net zoals de geur waaraan Fougère Bengale sterk herinnert (het iets vlakkere en meer horizontale Sables van Annick Goutal uit 1985) niet een allemansvriend. De opening moet het gevoel oproepen van een ouderwetse Engelse barbershop. Dus een flinke lavendelwolk waarin groene noten ronddansen, waaronder dragon en geranium.
Dan een lichte hooinoot: zoet, droog die doet denken aan coumarine (zat vroeger ook veel in gezichtstonics voor na het scheren). Deze groen-droge frisheid houdt lekker aan voor het hart zich prijsgeeft van tabak (foto) dat ondergedompeld lijkt in honing (kan ook de coumarine zijn) en dat mooi aansluiting vindt in de ‘vochtig-zoete’ maar krachtige basis van patchoeli, vanille en tonkaboon.
Opvallend: Fougère Bengale heeft door zijn zoetheid een lichte gourmandtoets. En doet op de een of andere manier ook denken aan hoestdrank. En dus Eau Noire (uit 2004) van Dior er even bij gepakt. Die ruikt iets medicinaler, maar heeft toch dezelfde ‘zoetzalvende’ en daardoor ‘anders’ sensuele sfeer.
RUIK & VERGELIJK
Nog meer ‘old style colonial elegance’-geuren met een nostalgisch verlangen naar vervlogen tijden. Tabak lijkt de bindende smaakfactor. Heel erg jammer dat de eerste niet meer geproduceerd wordt.
Rochas Macassar (1980)
Aramis Havana (1994)

















