MULTI-SENSORISCHE KUNST
IN DE OUDHEID WERDEN BEELDEN OOK GEPARFUMEERD
In tijden van alternatieve feiten, samenzweringstheorieën en ‘historisch kersen plukken’, weet ik vaak niet meer of een verhaal nu echt of nep is. Zo dook ik een tijdje geleden online de boeken in om meer te weten over de relatie tussen parfum en antieke beelden – had ooit gelezen dat in de oudheid sculpturen werden besprenkeld met welriekende waters. Zou het waar zijn?
Toch soort van logisch: als er een link bestaat tussen religieuze verering (om goden aan te roepen, tevreden te houden) met behulp van brandend wierook, mirre en welriekende kruiden en houtsoorten dat in golvende slierten richting hemel stijgt – het woord parfum stamt tenslotte af van pro fumo en betekent ‘door rook’ -, kan ik me eveneens voorstellen dat beelden als teken van devotie werden ingesmeerd met parfumoliën – met nóg grotere kans op beantwoording van gebeden.
Stuit ik onlangs op het volgende: een studie uit 2025 (Oxford Journal of Archaeology) werpt licht op deze praktijk. Het blijkt uit geschriften van onder anderen Cicero (106 – 43 v Chr) en Plinius de Oudere (23-79 n Chr). De laatste vermeld in zijn Naturalis historia het parfumeren van beelden van goden en heersers. En de Griekse geleerde Callimachus (c.310 – c. 240 v Chr) merkt bijvoorbeeld op dat een standbeeld van de Egyptische koningin Berenice II (267 – c 266 – 221 v Chr) ‘nog nat was van het parfum’. Ze werd samen met haar echtgenoot als staatsgodin vereerd en als godin op zich aanbeden. Leuk detail betreffende devotie: ze offerde haar eigen haar.
Geur had een diepe betekenis in het leven van de oude Grieken en Romeinen, het is dan niet verwonderlijk dat het ook in de kunst werd geïntegreerd.
We zoeken verder in de Oxfordstudie: beeldhouwers uit de oudheid gebruikten diverse oliën, wassen, bloemen en kruiden om hun werk een olfactorische dimensie te geven, waarbij met name rozenparfum populair was. De werkwijze, die de oude Grieken kosmesis noemden, was als volgt: godenbeelden werden overdadig gedecoreerd met sieraden en textiel, en parfumeren was vaak onderdeel van dit ritueel.
Zo gebruikten gelovigen in de tempels op het Griekse eiland Delos een parfum genaamd myron rhodion, gemaakt van olie, bies en roos. Onder de bijna 3000 stenen inscripties die op dit eiland zijn gevonden, bevinden zich ingrediënten – spons, olie, sodacarbonaat, linnen, was en rozenparfum – voor rituele reiniging van de beelden van Hera en Artemis.
De geuren op beelden kwamen ook van bloemenguirlandes (iets wat bij de Hindoes nu nog steeds gebruikelijk is). Hoewel de archeologische bewijzen voor dergelijke versieringen schaars zijn, zijn er in graven en op begraafplaatsen wel replica’s in lood, terracotta en goud gevonden. Een voorbeeld hiervan is het Romeinse festival Floralia, dat vanaf 173 v Chr. jaarlijks werd gehouden ter ere van Flora, de godin van de bloemen en de lente. Bloemen werden neergelegd bij het heiligdom van de godin als offer.
Daarnaast ‘ontstonden’ er geuren door normaal onderhoud: door conservering van beelden die werden ingewreven met was en olie, soms met toevoegingen zoals nardus (muskuswortel) die de beelden tegelijkertijd een ‘goddelijke’ schijn gaven.
Griekse en Romeinse beelden zijn duizenden jaren na hun ontstaan nog steeds ontzagwekkend. Veel exemplaren hebben de tand des tijds ondanks hun ‘gebreken’ doorstaan: zoals het ontbreken van lichaamsdelen en het verdwijnen van kleuren (het besef dat beelden én gebouwen oorspronkelijk polychroom waren, ontstond in de late 18de en 19de eeuw). Vóór die tijd werd aangenomen dat ze waren gemaakt van smetteloos marmer of steen.
Katholiek opgevoed, herinner ik me geen met geuren besprenkelde Mariabeelden, wél overdadig aangekleed en opgesmukt met ladingen sieraden.
Ik heb wel een keer een spirituele, olfactorische ervaring gehad (waarnaar ik niet op zoek was) met oude beelden. Ik moest van een bevriend kunsthandelaar eens een partij Afrikaanse houten ‘voorouderbeelden’ van zijn winkelgalery naar een opslagplaats vervoeren ergens in het Amsterdams havengebied. Het was drukkend warm, ik opende deur van de opslagruimte. Er kwam een golf van geuren over me heen. Allerlei nuances van hout, van droog naar zonnig, van kruidig naar zwoel. Overrompelend, bijma letterlijk adembenemend. Oudh in overdrive. Alsof je een tempel betrad. In één keer kon ik me het aanspreken van de goden tijdens een religieuze processie voorstellen te meer ik het idee had dat ik in een soort trance – een mengeling van verwondering en vervoering – terecht was gekomen die enige tijd aanhield.
Hoewel volgens recente cijfers de belangstelling voor religie groeiende is onder jongeren (met dank aan/met behulp van TikTok), is voor de meeste ouders religie toch verworden tot louter decoratie. Ik kan geen Boeddhabeeld meer zien. En voor de tot slaaf gemaakte consument die geur en ‘ik geloof niet, maar denk wel dat er iets meer is’, spiritueel en welriekend wil ervaren, wil ondergaan en wil beleven, levert de vermaakindustrie inmiddels geurkaarsen in de vorm van antieke bustes en beelden.



