HIGH TECH-GEUR MET EEN GROEN EN PUUR NATUUR GEVOEL
Jaar van lancering: 2012
Laatst bijgewerkt: 11/06/12
Neus: Alberto Morillas
Model: Simon Nessman
Fotografie: Bruce Weber
Eerst terug in de tijd: waarom maakte ‘de eerste en echte eau de cologne’ 4711 (1792) en qua karakter bijna hetzelfde Aqua Mirabilis van J.M Farina (later bekend geworden ‘onder’ Eau de Cologne Extra Veille van Roger & Gallet, 1806) zo’n enorme indruk? Niet door de groots opgezette reclamecampagnes (in die tijd ging alles voornamelijk nog van mond tot mond), niet door de flacon (was gewoon een variatie op een thema), wel door de inhoud: een fris, verkwikkend watertje op basis van citrusvruchten en kruiden: water en zon in een flacon.
Dat was wel helemaal nieuw, want anders dan de dierlijke parfums van musk, ambergris, bevergeil en civet, en geuren op basis van ingrediënten die nu steeds minder en minder gebruikt worden (en daardoor niche aan het worden zijn): galbanum, mastiek, mirre, opopanax en wierook. Onder invloed van Lodewijk de dertiende tot en met de achttiende eeuw bepaalden die eeuwenlang de toon. Deze nieuwe, letterlijke verfrissende kijk op geuren viel samen met het inzicht dat goede persoonlijke hygiëne heel wat kommer en kwel kon voorkomen.
Maar nu: van 4711 tot Acqua di Giò pour Homme (én Acqua di Giò Essanza pour Homme) loopt een regelrechte lijn waarin neuzen met behulp van een zich steeds evoluerende industrie telkens opnieuw de behoefte voelen om een nieuwe standaard van frisheid neer te zetten. Heel simpel gezegd: het vangen van het gevoel van een duik in de zee, het gevoel van net onder de douche vandaan, het gevoel van een glas puur, koud en helder water en dat terwijl de zon schijnt natuurlijk. Hoogtepunten: de 19de eeuwse eau de colognes van Guerlain, Diors Eau Sauvage (1966), Davidoffs Cool Water (1987), Eau de cologne au Thé Vert van Bvlgari (1992), L’Eau d’Issey pour Homme , Calvin Kleins ck One (beide 1994) en Acqua di Giò pour Homme (1996).
Allemaal geuren die een nieuwe manier frisheid vertegenwoordigen in steeds sneller veranderende wereld van smaakvoorkeuren. Want de beoogde doelgroep – de man in de straat – in 1996 van Acqua di Giò pour Homme (maar ook die van Azzaro’s Chrome en Elements Aqua van Hugo Boss) was geïnteresseerd in een chique geur van naam, maar moest niets hebben van ‘echte’ parfums voor de man, zoals bijvoorbeeld het gelijktijdig gelanceerde Havanna van Aramis en Thierry Muglers A*Men, om maar te zwijgen van Cuir Mauresque van Serge Lutens – als ze daar al ooit van gehoord hadden.
Dit kan natuurlijk ook door de industrie zijn aangepraat, feit is wel dat vanaf de jaren negentig frisheid steeds abstracter wordt, steeds verder verwijderd raakt van de natuur: het wordt steeds gewoner om die ‘in beeld’ te zoeken in de moderne architectuur van een steeds meer verstedelijkende wereld: glas, steen, spiegels, metaal, ‘waterwerken’, licht, lucht en wolken om vervolgens deze beelden te vertalen in geur. Zelfs new age-achtige en rustgevende ingrediënten – hout, groene thee, wierook – worden in deze urban world gevonden. Voeg je al deze elementen samen dan krijg je een geur die eigenlijk ‘nergens naar ruikt’. Het is een gevoel, een idee. Dat ruik je goed in Acqua di Giò pour Homme: een onbestemde en ‘lege’ en ‘onnatuurlijke’ geur die je nauwelijks in ingrediënten kan vertalen. Alleen de ‘insider’ weet waarschijnlijk de diffuse fruitnoten daadwerkelijk te detecteren.
Hoe merkwaardig nu: deze manier van geuren maken, wordt visueel nog steeds ‘natuurgetrouw’ geïnterpreteerd. Dat wil zeggen, iets wat de man direct herkent: een duik in de zee, het liggen aan een strand terwijl waterdruppels glinsteren op de huid. Dat zie je in de campagne van Acqua di Giò pour Homme en ook weer in Acqua di Giò Essanza pour Homme – het model kijkt trouwens weer lekker gekweld moeilijk; hij toch zou moeten genieten van al die aguapret. Terwijl de inhoud weer een stap verder verwijderd van de natuur en een stap dichterbij is bij een totale abstracte interpretatie van geur, van geur als de som der dingen, met als eindresultaat: een geur die naar alles en niets ruikt.
WAT RUIK IK EIGENLIJK?
Want Acqua di Giò Essanza pour Homme rekt het idee van een abstracte geur gekoppeld aan frisheid nog verder op. Met een groot verschil: het is nu een intense groene noot die onder de oppervlakte beweegt. De geur zou je kunnen omschrijven als een metaal-fougère (opgeroepen met eucalyptus en aldehyden) waarin alle nieuwe ontwikkelde frisheidmoleculen samenvloeien. Toch wordt de geur inhoudelijk verklaart met natuurlijke ingrediënten.
Wordt waarschijnlijk gedaan om het het parfumeriepersoneel niet al te moelijk te maken: ‘Meneer dit is een geur opgebouwd uit bijna honderd procent synthetische ingrediënten’. Verkoopt niet zo lekker.
De opening: een uitbarsting van cascalone – een molecuul die als een cascade een stroom van koud en fris water levert die de herkenbare noten van bergamot en grapefruit versterkt. Het hart loopt tot aan de rand over van hedione (jasmijn dat schittert in door de zon beschenen water) en nog zo’n nieuwe synthetische ster: paradisone die weer een bloemiger variatie op hedione is.
Dit alles krijgt een mooie bittergroene ondertoon met basilicum en salie die geleidelijk aan ‘verhout’ door patchoeli, vetiver, cederhout, ambergris (ook allemaal synthetisch). Interessant aan Acqua di Giò Essanza pour Homme is dat de neus heeft gekozen voor een chypre-achtige basis en dit niet met (het inmiddels bijna verboden) eikenmos maar met peper en salie (foto) oproept. En toch blijft de lichte, transparante metaalachtige noot gehandhaafd. Ook interessant om te ruiken: neuzen gaan voor mannen steeds meer op zoek naar tuinkruiden om een donker en mosachtig gevoel te creëren.
RUIK & VERGELIJK
Na zo’n lang verhaal, lijkt me het duidelijk. Maar ook interessant is om naast bovenstaande vernieuwende frisgroene geuren die vanaf de jaren negentig voor de man worden gemaakt, weer eens te ruiken aan de geur die volgens mij als een soort startschot voor deze golf is geweest:
Giorgio Armani Acqua di Giò pour Homme (1996)
Calvin Klein Eternity for Men (1989)

